<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: De verdragsbijdrage aan het Zorginstituut Nederland (ZIN). Deel 2 &#8211; De bijdrage voor de Wlz component	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2016/11/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-deel-2-de-bijdrage-voor-de-wlz-component/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2016/11/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-deel-2-de-bijdrage-voor-de-wlz-component/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Wed, 30 Oct 2024 10:03:24 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/11/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-deel-2-de-bijdrage-voor-de-wlz-component/#comment-6919</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 21 May 2021 06:50:18 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=2958#comment-6919</guid>

					<description><![CDATA[Zie voor de berekeningswijze van de verhoging heffingskorting voor de minstverdienende partner:


ECLI:NL:GHARL:2021:4512

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 11-05-2021 Datum publicatie 21-05-2021 Zaaknummer 20/00287 Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:86, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie IB/PVV. Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner. Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 20/00287
uitspraakdatum: 11 mei 2021
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 januari 2020, nummer LEE 19/690, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)

4.7. Belanghebbende heeft geen recht op arbeidskorting of inkomensafhankelijke combinatiekorting, zodat het toetsniveau bestaat uit 100% (artikel 8.9, tweede lid, van de Wet IB 2001) van de algemene heffingskorting, te weten € 1.795. Nu de door belanghebbende verschuldigde IB/PVV (€ 984) vóór toepassing van de gecombineerde heffingskorting minder bedraagt dan € 1.795, wordt op grond van artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001 de gecombineerde heffingskorting van belanghebbende, als de minstverdienende partner, verhoogd tot € 1.795 (het toetsniveau).
4.8. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.9 van de Wet IB 2001 beloopt belanghebbendes bij de heffing van IB/PVV in aanmerking te nemen gecombineerde heffingskorting in 2017 aldus € 1.795 (€ 984, met een verhoging op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 van € 811).
4.9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat eerst de ouderenkorting in mindering op de verschuldigde IB/PVV moet worden gebracht omdat de ouderenkorting niet een heffingskorting is die op grond van artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001 aan de minstverdienende partner kan worden uitbetaald. Op deze manier komt volgens belanghebbende de volledige algemene heffingskorting voor uitbetaling in aanmerking. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Uit de hiervoor genoemde (systematiek van de) wettelijke bepalingen volgt dat – ongeacht de volgorde – de gecombineerde heffingskorting voor belanghebbende € 1.795 bedraagt. Daarvan wordt een bedrag van € 984 in mindering gebracht op de verschuldigde IB/PVV en komt € 811 voor uitbetaling in aanmerking. Belanghebbende gaat eraan voorbij dat het bedrag van € 1.795 het maximaal in aanmerking te nemen gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting én de ouderenkorting is.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Zie voor de berekeningswijze van de verhoging heffingskorting voor de minstverdienende partner:</p>
<p>ECLI:NL:GHARL:2021:4512</p>
<p>Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 11-05-2021 Datum publicatie 21-05-2021 Zaaknummer 20/00287 Formele relaties<br />
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2020:86, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie IB/PVV. Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner. Vindplaatsen<br />
Rechtspraak.nl<br />
GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 20/00287<br />
uitspraakdatum: 11 mei 2021<br />
Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van<br />
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 januari 2020, nummer LEE 19/690, in het geding tussen belanghebbende en<br />
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Den Haag (hierna: de Inspecteur)</p>
<p>4.7. Belanghebbende heeft geen recht op arbeidskorting of inkomensafhankelijke combinatiekorting, zodat het toetsniveau bestaat uit 100% (artikel 8.9, tweede lid, van de Wet IB 2001) van de algemene heffingskorting, te weten € 1.795. Nu de door belanghebbende verschuldigde IB/PVV (€ 984) vóór toepassing van de gecombineerde heffingskorting minder bedraagt dan € 1.795, wordt op grond van artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001 de gecombineerde heffingskorting van belanghebbende, als de minstverdienende partner, verhoogd tot € 1.795 (het toetsniveau).<br />
4.8. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.9 van de Wet IB 2001 beloopt belanghebbendes bij de heffing van IB/PVV in aanmerking te nemen gecombineerde heffingskorting in 2017 aldus € 1.795 (€ 984, met een verhoging op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 van € 811).<br />
4.9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat eerst de ouderenkorting in mindering op de verschuldigde IB/PVV moet worden gebracht omdat de ouderenkorting niet een heffingskorting is die op grond van artikel 8.9, eerste lid, van de Wet IB 2001 aan de minstverdienende partner kan worden uitbetaald. Op deze manier komt volgens belanghebbende de volledige algemene heffingskorting voor uitbetaling in aanmerking. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Uit de hiervoor genoemde (systematiek van de) wettelijke bepalingen volgt dat – ongeacht de volgorde – de gecombineerde heffingskorting voor belanghebbende € 1.795 bedraagt. Daarvan wordt een bedrag van € 984 in mindering gebracht op de verschuldigde IB/PVV en komt € 811 voor uitbetaling in aanmerking. Belanghebbende gaat eraan voorbij dat het bedrag van € 1.795 het maximaal in aanmerking te nemen gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting én de ouderenkorting is.<br />
Slotsom<br />
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
