<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: De verdragsbijdrage aan het Zorginstituut Nederland (ZIN; vanaf 1 januari 2017: het CAK). Deel 4 &#8211; Beschouwingen over de kritiek op de verdragsbijdrage	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Wed, 30 Oct 2024 10:11:49 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-13416</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 16 Nov 2023 09:44:23 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-13416</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:2109
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 07-11-2023
Datum publicatie 15-11-2023
Zaaknummer 21/1466 ZVW
Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
De woonlandfactor voor Frankrijk is terecht gebruikt voor het vaststellen van de   buitenlandbijdrage.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2021, 19/8094 (aangevallen uitspraak)
Partijen: [appellant] te la [woonplaats], Frankrijk (appellant)
 En het CAK

Het oordeel van de Raad:
4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.1.Artikel 30 van Vo 883/2004 bepaalt dat de verdragsbijdrage op basis van de nationale wetgeving wordt geheven; over de berekening van de hoogte ervan is in deze Verordening niets bepaald.
4.1.2.In artikel 69, derde lid, Zvw, zoals dat luidde met ingang van 1 januari 2018 en ten tijde in geding, is bepaald dat bij de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, rekening wordt gehouden met een bij ministeriële regeling te bepalen verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in het woonland van de rechthebbende ten laste van de sociale zorgverzekeringen in dat land en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in Nederland uit hoofde van deze wet en de Wlz.
4.1.3.In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de door een persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zvw, verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon uit hoofde van de Zvw en de Wlz in Nederland. In het negende lid van de Regeling is bepaald dat het verhoudingsgetal bedoeld in het eerste lid, per land wordt genoemd in bijlage 4 bij deze regeling. In bijlage 4 is dat verhoudingsgetal, genoemd de woonlandfactor, in 2018 voor Frankrijk vastgesteld op 0,9262.
4.1.4. De beroepsgrond van appellant dat in de woonlandfactor van 2018 ten onrechte niet alle zorgkosten van Nederland zijn meegenomen, leidt niet tot het door appellant kennelijk beoogde doel, gelet op het volgende.
4.1.5.Uit artikel 69, derde lid, van de Zvw volgt dat voor de woonlandfactor de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in Nederland uit hoofde van de Zvw en de Wlz worden meegenomen. Dit is dus vastgelegd in een wet in formele zin.
4.1.6.Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. Verder houdt volgens vaste rechtspraak het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin, in dit geval artikel 69, derde lid, van de Zvw, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit ook mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 (het Harmonisatiewetarrest)2, de uitspraken van de Raad van 1 augustus 2008 en 27 juli 20163). Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen (zie de arresten van de Hoge Raad van 19 december 2014 en 5 oktober 20184). De Raad heeft zich hierbij aangesloten5.
4.1.7.De toetsing door de rechter van de uitdrukkelijk gemaakte keus van de wetgever om uitgaven voor zorg uit hoofde van de Zvw en Wlz bij de berekening van de woonlandfactor te betrekken, stuit af op het in 4.1.6 beschreven toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Van bijzondere, niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven is niet gebleken. Dat de berekeningswijze van de woonlandfactor blijkens de Regeling6 voor het jaar 2019 is gewijzigd brengt hier geen verandering in.
4.2.Appellant heeft verder aangevoerd dat een deel van de zorg in Frankrijk wordt gefinancierd uit de sociale zorgverzekering en een deel uit eigen bijdragen. Anders dan appellant lijkt te veronderstellen, worden eigen bijdragen voor zorg echter niet meegenomen als bron bij het bepalen van de gemiddelde zorgkosten voor het vaststellen van de woonlandfactor, zo volgt uit de toelichting bij bijlage 4 bij de Regeling. Dit geldt voor zowel de Nederlandse bronnen voor het bepalen van de gemiddelde zorgkosten als voor de bronnen van andere landen, waaronder Frankrijk.
4.3.Het betoog van appellant dat het CAK, anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan afwijken van de in dit geding voorliggende woonlandfactor volgt de Raad niet. Weliswaar blijkt uit de door appellant genoemde correctie van de woonlandfactor voor Zweden over 2017 dat een correctie van de woonlandfactor op zichzelf mogelijk is, maar anders dan in het geval van Zweden – waar door Zweden zelf is aangegeven dat de onderliggende berekening van de gemiddelde zorgkosten van Zweden onjuist is geweest – is niet gebleken dat de onderliggende berekening van de gemiddelde zorgkosten in Frankrijk of Nederland over enig jaar onjuist is geweest.
4.4.Uit wat appellant heeft aangevoerd blijkt ook niet dat bijlage 4 bij de Regeling in strijd is met hogere regelgeving. Ook valt hieruit niet af te leiden dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van bijlage 4 bij de Regeling zodanig ernstige gebreken kleven dat die niet als grondslag kan dienen voor de voor appellant vastgestelde buitenlandbijdrage.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:2109<br />
Instantie Centrale Raad van Beroep<br />
Datum uitspraak 07-11-2023<br />
Datum publicatie 15-11-2023<br />
Zaaknummer 21/1466 ZVW<br />
Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken Hoger beroep<br />
Inhoudsindicatie<br />
De woonlandfactor voor Frankrijk is terecht gebruikt voor het vaststellen van de   buitenlandbijdrage.<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2021, 19/8094 (aangevallen uitspraak)<br />
Partijen: [appellant] te la [woonplaats], Frankrijk (appellant)<br />
 En het CAK</p>
<p>Het oordeel van de Raad:<br />
4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.<br />
4.1.1.Artikel 30 van Vo 883/2004 bepaalt dat de verdragsbijdrage op basis van de nationale wetgeving wordt geheven; over de berekening van de hoogte ervan is in deze Verordening niets bepaald.<br />
4.1.2.In artikel 69, derde lid, Zvw, zoals dat luidde met ingang van 1 januari 2018 en ten tijde in geding, is bepaald dat bij de vaststelling van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, rekening wordt gehouden met een bij ministeriële regeling te bepalen verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in het woonland van de rechthebbende ten laste van de sociale zorgverzekeringen in dat land en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in Nederland uit hoofde van deze wet en de Wlz.<br />
4.1.3.In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat de door een persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zvw, verschuldigde bijdrage wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon uit hoofde van de Zvw en de Wlz in Nederland. In het negende lid van de Regeling is bepaald dat het verhoudingsgetal bedoeld in het eerste lid, per land wordt genoemd in bijlage 4 bij deze regeling. In bijlage 4 is dat verhoudingsgetal, genoemd de woonlandfactor, in 2018 voor Frankrijk vastgesteld op 0,9262.<br />
4.1.4. De beroepsgrond van appellant dat in de woonlandfactor van 2018 ten onrechte niet alle zorgkosten van Nederland zijn meegenomen, leidt niet tot het door appellant kennelijk beoogde doel, gelet op het volgende.<br />
4.1.5.Uit artikel 69, derde lid, van de Zvw volgt dat voor de woonlandfactor de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon in Nederland uit hoofde van de Zvw en de Wlz worden meegenomen. Dit is dus vastgelegd in een wet in formele zin.<br />
4.1.6.Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen mag de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. Verder houdt volgens vaste rechtspraak het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin, in dit geval artikel 69, derde lid, van de Zvw, te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit ook mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie bijvoorbeeld, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 (het Harmonisatiewetarrest)2, de uitspraken van de Raad van 1 augustus 2008 en 27 juli 20163). Dit neemt echter niet weg dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen (zie de arresten van de Hoge Raad van 19 december 2014 en 5 oktober 20184). De Raad heeft zich hierbij aangesloten5.<br />
4.1.7.De toetsing door de rechter van de uitdrukkelijk gemaakte keus van de wetgever om uitgaven voor zorg uit hoofde van de Zvw en Wlz bij de berekening van de woonlandfactor te betrekken, stuit af op het in 4.1.6 beschreven toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Van bijzondere, niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven is niet gebleken. Dat de berekeningswijze van de woonlandfactor blijkens de Regeling6 voor het jaar 2019 is gewijzigd brengt hier geen verandering in.<br />
4.2.Appellant heeft verder aangevoerd dat een deel van de zorg in Frankrijk wordt gefinancierd uit de sociale zorgverzekering en een deel uit eigen bijdragen. Anders dan appellant lijkt te veronderstellen, worden eigen bijdragen voor zorg echter niet meegenomen als bron bij het bepalen van de gemiddelde zorgkosten voor het vaststellen van de woonlandfactor, zo volgt uit de toelichting bij bijlage 4 bij de Regeling. Dit geldt voor zowel de Nederlandse bronnen voor het bepalen van de gemiddelde zorgkosten als voor de bronnen van andere landen, waaronder Frankrijk.<br />
4.3.Het betoog van appellant dat het CAK, anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan afwijken van de in dit geding voorliggende woonlandfactor volgt de Raad niet. Weliswaar blijkt uit de door appellant genoemde correctie van de woonlandfactor voor Zweden over 2017 dat een correctie van de woonlandfactor op zichzelf mogelijk is, maar anders dan in het geval van Zweden – waar door Zweden zelf is aangegeven dat de onderliggende berekening van de gemiddelde zorgkosten van Zweden onjuist is geweest – is niet gebleken dat de onderliggende berekening van de gemiddelde zorgkosten in Frankrijk of Nederland over enig jaar onjuist is geweest.<br />
4.4.Uit wat appellant heeft aangevoerd blijkt ook niet dat bijlage 4 bij de Regeling in strijd is met hogere regelgeving. Ook valt hieruit niet af te leiden dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van bijlage 4 bij de Regeling zodanig ernstige gebreken kleven dat die niet als grondslag kan dienen voor de voor appellant vastgestelde buitenlandbijdrage.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-13413</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 13 Nov 2023 17:48:15 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-13413</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:2073
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 08-11-2023
Datum publicatie 13-11-2023
Zaaknummer 22/1988 ZVW
Daaruit:
Samenvatting
Appellanten zijn ingezetenen van Nederland en daarom verzekerd op grond van de Wlz. Appellanten zijn geen gezinsleden van hun zoon voor de toepassing van artikel 17 van Vo 883/2004. Zij hebben dan ook niet via hun zoon een afgeleid recht op verstrekkingen in Nederland ten laste van België. Appellanten zijn dan ook verplicht een eigen zorgverzekering op grond van de Zvw af te sluiten. Appellanten hebben niet (tijdig) aan deze verplichting voldaan, waardoor het CAK gehouden was de in geding zijnde boetes op te leggen. Van het ontbreken van verwijtbaarheid in de zin van artikel 5:41 van de Awb is geen sprake. Voor veroordeling van het CAK tot vergoeding van schade bestaat geen aanleiding.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:2073<br />
Instantie Centrale Raad van Beroep<br />
Datum uitspraak 08-11-2023<br />
Datum publicatie 13-11-2023<br />
Zaaknummer 22/1988 ZVW<br />
Daaruit:<br />
Samenvatting<br />
Appellanten zijn ingezetenen van Nederland en daarom verzekerd op grond van de Wlz. Appellanten zijn geen gezinsleden van hun zoon voor de toepassing van artikel 17 van Vo 883/2004. Zij hebben dan ook niet via hun zoon een afgeleid recht op verstrekkingen in Nederland ten laste van België. Appellanten zijn dan ook verplicht een eigen zorgverzekering op grond van de Zvw af te sluiten. Appellanten hebben niet (tijdig) aan deze verplichting voldaan, waardoor het CAK gehouden was de in geding zijnde boetes op te leggen. Van het ontbreken van verwijtbaarheid in de zin van artikel 5:41 van de Awb is geen sprake. Voor veroordeling van het CAK tot vergoeding van schade bestaat geen aanleiding.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-13098</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 02 Oct 2023 08:34:56 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-13098</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:1797 Centrale Raad van Beroep, 14-09-2023, 22/2053 ZVW
Datum uitspraak: 14-09-2023
Datum publicatie: 02-10-2023
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Inhouding buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen. Nu in 2018 het recht op verstrekkingen in Ierland ten laste van Nederland als pensioenland kwam, had Nederland de bevoegdheid bijdragen te heffen en te innen. Op grond van artikel 30 van Vo 883/2004 en de uitleg die het Hof hieraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, heeft het feit dat Ierland kennelijk in 2018 geen kosten voor verstrekkingen bij Nederland heeft gedeclareerd, geen invloed op deze bevoegdheid. Hieraan doet niet af dat hierover tussen Nederland en Ierland mogelijk geen afspraken zijn gemaakt.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:1797 Centrale Raad van Beroep, 14-09-2023, 22/2053 ZVW<br />
Datum uitspraak: 14-09-2023<br />
Datum publicatie: 02-10-2023<br />
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Inhouding buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen. Nu in 2018 het recht op verstrekkingen in Ierland ten laste van Nederland als pensioenland kwam, had Nederland de bevoegdheid bijdragen te heffen en te innen. Op grond van artikel 30 van Vo 883/2004 en de uitleg die het Hof hieraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, heeft het feit dat Ierland kennelijk in 2018 geen kosten voor verstrekkingen bij Nederland heeft gedeclareerd, geen invloed op deze bevoegdheid. Hieraan doet niet af dat hierover tussen Nederland en Ierland mogelijk geen afspraken zijn gemaakt.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12636</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 04 Jul 2023 15:40:52 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12636</guid>

					<description><![CDATA[Wat betreft 3.3. hierboven. De vaststelling dat betrokkene AOW-verzekerd was in 2019 is in overenstemming met art. 11.3.e. Vo883/2004 dat voor niet-aktieven de woonstaat aanwijst als de te verzekeren staat. Mogelijk had betrokkene die toen een pensioen of uitkering uit Duitsland ontving op basis van art. 22 BUBVV 1999 een ontheffing van verzekering AOW kunnen aanvragen, maar dan zou die uitkering voldoende hoog moeten zijn geweest. Uit de stukken wordt dat laatste niet duidelijk.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Wat betreft 3.3. hierboven. De vaststelling dat betrokkene AOW-verzekerd was in 2019 is in overenstemming met art. 11.3.e. Vo883/2004 dat voor niet-aktieven de woonstaat aanwijst als de te verzekeren staat. Mogelijk had betrokkene die toen een pensioen of uitkering uit Duitsland ontving op basis van art. 22 BUBVV 1999 een ontheffing van verzekering AOW kunnen aanvragen, maar dan zou die uitkering voldoende hoog moeten zijn geweest. Uit de stukken wordt dat laatste niet duidelijk.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12635</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 04 Jul 2023 13:47:13 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12635</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:4245
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 19-06-2023
Datum publicatie 26-06-2023

Daaruit:
3.3.
Belanghebbende stelt dat zij in 2019 geen AOW-premie verschuldigd was, omdat zij in Duitsland AOW heeft opgebouwd en hierdoor niet in Nederland verzekerd was.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende in 2019, op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en letter a, van de AOW in samenhang met artikel 7a, eerste lid, aanhef en letter h, van de AOW – als ingezetene van Nederland die in 2019 nog niet de (Nederlandse) pensioengerechtigde leeftijd had bereikt – verzekerd was voor de AOW. Daaraan doet niet af dat op een “Overzicht AOW-pensioen” van de SVB staat dat belanghebbende geen AOW heeft opgebouwd van 1 december 2018 tot en met 9 augustus 2019. Ook in een geval waarin de verzekeringsplicht van belanghebbende niet is vastgesteld door de bevoegde instantie in het sociale zekerheidsrecht, dient de inspecteur op de voet van de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) te heffen.1
(..)
3.14.
Bij nader stuk stelt belanghebbende dat de aanslag ZVW naar een onjuist bedrag is berekend, omdat zij in 2019 slechts 141 dagen verzekerd was.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur niet op de juiste wijze rekening heeft gehouden met de beperkte verzekeringsplicht van belanghebbende in 2019, door het maximale bijdrage-inkomen van belanghebbende te verlagen naar € 22.583 (141/360 * 55.927). De rechtbank stelt in dat verband de situatie dat belanghebbende via Nederland op kosten van Duitsland zorg kon ontvangen gelijk aan de situatie dat de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is op belanghebbende. Immers kon in die periode het aangewezen uitvoeringsorgaan in Duitsland ook premies of bijdragen in rekening brengen conform de daar geldende wetgeving indien gebruik werd gemaakt van zorg.3 Het door belanghebbende in de periode 1 januari 2019 tot en met 9 augustus 2019 ontvangen Duits pensioen dient dus in mindering te worden gebracht op het bijdrage-inkomen voor de ZVW.4 Omdat belanghebbende voor 141 dagen verplicht verzekerd was voor de WLZ, stelt de rechtbank de vermindering vast op 2195/360e deel van het door haar ontvangen pensioen van € 23.045, zijnde € 14.019. Het bijdrage-inkomen van belanghebbende bedraagt daarom € 9.488.6 Van dit bedrag is al € 462 in de premieheffing betrokken, zodat over een bedrag van € 9.026 nog ZVW-premie verschuldigd is. De rechtbank zal de bijdrage ZVW verminderen naar € 514, zijnde 5,7% van € 9.026.

&lt;a href=&quot;https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4245&#038;showbutton=true&#038;keyword=ZVW%2Binkomen&#038;idx=5&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow ugc&quot;&gt;https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4245&amp;showbutton=true&amp;keyword=ZVW%2Binkomen&amp;idx=5&lt;/a&gt;
Commentaar jdv: ik vind het een merkwaaardige uitspraak. Volgens mij dient de rechtbank Vo883/2004 toe te passen: titel II wat betreft de vaststelling van aaan welke staat de (AOW)-verzekering is opgedragen, en titel III hoofdstuk 1 t.a.v. de gevolgen van het verdragsrecht. Is er sprake van verdragsrecht ten laste van Duitsland (art. 24 of 25 Vo883/2004) dan heeft Nederland geen recht meer WLZ premie of ZVW bijdrage (ook geen nominale premie ZVW)  te heffen over welk inkomen dan ook – zie art. 30 Vo883/2004 en EhvJ jurisprudentie dienaangaande. Onder Vo1408/71 kwam nog wel voor dat twee staten in bijzondere gevallen  premieheffingsgerechtigd waren, onder Vo883/2004 kan dat niet meer. Ik adviseer btrokkene in hoger beroep te gaan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:4245<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 19-06-2023<br />
Datum publicatie 26-06-2023</p>
<p>Daaruit:<br />
3.3.<br />
Belanghebbende stelt dat zij in 2019 geen AOW-premie verschuldigd was, omdat zij in Duitsland AOW heeft opgebouwd en hierdoor niet in Nederland verzekerd was.<br />
De rechtbank overweegt dat belanghebbende in 2019, op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en letter a, van de AOW in samenhang met artikel 7a, eerste lid, aanhef en letter h, van de AOW – als ingezetene van Nederland die in 2019 nog niet de (Nederlandse) pensioengerechtigde leeftijd had bereikt – verzekerd was voor de AOW. Daaraan doet niet af dat op een “Overzicht AOW-pensioen” van de SVB staat dat belanghebbende geen AOW heeft opgebouwd van 1 december 2018 tot en met 9 augustus 2019. Ook in een geval waarin de verzekeringsplicht van belanghebbende niet is vastgesteld door de bevoegde instantie in het sociale zekerheidsrecht, dient de inspecteur op de voet van de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) te heffen.1<br />
(..)<br />
3.14.<br />
Bij nader stuk stelt belanghebbende dat de aanslag ZVW naar een onjuist bedrag is berekend, omdat zij in 2019 slechts 141 dagen verzekerd was.<br />
De rechtbank overweegt dat de inspecteur niet op de juiste wijze rekening heeft gehouden met de beperkte verzekeringsplicht van belanghebbende in 2019, door het maximale bijdrage-inkomen van belanghebbende te verlagen naar € 22.583 (141/360 * 55.927). De rechtbank stelt in dat verband de situatie dat belanghebbende via Nederland op kosten van Duitsland zorg kon ontvangen gelijk aan de situatie dat de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is op belanghebbende. Immers kon in die periode het aangewezen uitvoeringsorgaan in Duitsland ook premies of bijdragen in rekening brengen conform de daar geldende wetgeving indien gebruik werd gemaakt van zorg.3 Het door belanghebbende in de periode 1 januari 2019 tot en met 9 augustus 2019 ontvangen Duits pensioen dient dus in mindering te worden gebracht op het bijdrage-inkomen voor de ZVW.4 Omdat belanghebbende voor 141 dagen verplicht verzekerd was voor de WLZ, stelt de rechtbank de vermindering vast op 2195/360e deel van het door haar ontvangen pensioen van € 23.045, zijnde € 14.019. Het bijdrage-inkomen van belanghebbende bedraagt daarom € 9.488.6 Van dit bedrag is al € 462 in de premieheffing betrokken, zodat over een bedrag van € 9.026 nog ZVW-premie verschuldigd is. De rechtbank zal de bijdrage ZVW verminderen naar € 514, zijnde 5,7% van € 9.026.</p>
<p><a href="https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4245&amp;showbutton=true&amp;keyword=ZVW%2Binkomen&amp;idx=5" target="_blank" rel="noopener nofollow ugc">https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2023:4245&#038;showbutton=true&#038;keyword=ZVW%2Binkomen&#038;idx=5</a><br />
Commentaar jdv: ik vind het een merkwaaardige uitspraak. Volgens mij dient de rechtbank Vo883/2004 toe te passen: titel II wat betreft de vaststelling van aaan welke staat de (AOW)-verzekering is opgedragen, en titel III hoofdstuk 1 t.a.v. de gevolgen van het verdragsrecht. Is er sprake van verdragsrecht ten laste van Duitsland (art. 24 of 25 Vo883/2004) dan heeft Nederland geen recht meer WLZ premie of ZVW bijdrage (ook geen nominale premie ZVW)  te heffen over welk inkomen dan ook – zie art. 30 Vo883/2004 en EhvJ jurisprudentie dienaangaande. Onder Vo1408/71 kwam nog wel voor dat twee staten in bijzondere gevallen  premieheffingsgerechtigd waren, onder Vo883/2004 kan dat niet meer. Ik adviseer btrokkene in hoger beroep te gaan.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12634</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 04 Jul 2023 13:22:06 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12634</guid>

					<description><![CDATA[&lt;a href=&quot;https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8812&#038;showbutton=true&#038;keyword=CAK&#038;idx=4&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow ugc&quot;&gt;https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8812&amp;showbutton=true&amp;keyword=CAK&amp;idx=4&lt;/a&gt;

ECLI:NL:RBDHA:2023:8812
InstantieRechtbank Den Haag
Datum uitspraak14-06-2023 Datum publicatie04-07-2023

 Daaruit:
Het geschil
3. In het besluit van 8 juni 2020 heeft het CAK eiseres vanaf 1 januari 2017 als verdragsgerechtigde aangemerkt en bepaald dat zij vanaf die datum bijdrageplichtig is. Dit besluit is onherroepelijk. Dit betekent dat de verdragsgerechtigdheid in deze procedure niet meer aan de orde kan komen en dat eiseres, in beginsel, verplicht is vanaf het zorgjaar 2017 de buitenlandbijdrage te voldoen. Dit is in zoverre ook niet tussen partijen in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het CAK de buitenlandbijdrage in het geval van eiseres vanaf het zorgjaar 2017 heeft mogen vaststellen of dat de - al dan niet buiten de invloedsfeer van eiseres ontstane - vertragende omstandigheden bij de inschrijving van eiseres als verdragsgerechtigde meebrengen dat zij niet met terugwerkende kracht de buitenlandbijdrage over de zorgjaren 2017 tot en met 2020 hoeft te voldoen.
Het beoordelingskader
4. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland zich bij het CAK aan. Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn deze personen een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is bepaald in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling zorgverzekering (de Regeling).
Op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt het CAK het verschil tussen de verschuldigde bijdrage en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdrage voor 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vast (de voorlopige jaarafrekening), en stelt het CAK het voormelde verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de NiNbi-beschikking onherroepelijk zijn geworden definitief vast (de definitieve jaarafrekening).
Inhoudelijke beoordeling
5. Eiseres betoogt dat het CAK in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt door met terugwerkende kracht te besluiten dat eiseres de buitenlandbijdrage moet voldoen. Zij verwijst daarbij allereerst naar het advies van de Raad van State met nummer W13.17.0404/III van 15 februari 2018. Verder heeft het CAK haar na haar pensionering nooit geïnformeerd dat zij zich opnieuw moest melden. Nu eiseres al vanaf 2006 zorg in Duitsland ten koste van Nederland ontving, was er voor eiseres ook geen reden om zich opnieuw te melden. Het CAK is zijn administratieve verplichtingen die volgen uit artikel 69 van de Zvw niet nagekomen. Zo heeft er geen uitwisseling van gegevens plaatsgevonden tussen het CAK, de Sociale verzekeringsbank (Svb) en de AOK. Zo hadden gegevens tussen de Svb en het CAK moeten worden gewisseld toen eiseres haar pensioen bereikte en is eiseres nooit van de uitschrijving bij het AOK in kennis gesteld. Eiseres verwijst daarbij naar brieven van de Svb van 7 april 2021 en 10 augustus 2022.
5.1.
Zoals de rechtbank hiervoor onder 3 heeft overwogen, staat het besluit van het CAK waarin eiseres met ingang van 1 januari 2017 als verdragsgerechtigde wordt aangemerkt in rechte vast. Eiseres is vanaf die datum dus (in beginsel) verplicht om de buitenlandbijdrage te voldoen. Dat de besluiten daaromtrent pas vanaf 2020 zijn genomen, betekent niet dat het CAK in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt. Het CAK heeft de voorlopige en definitieve jaarafrekeningen over 2017 tot en met 2020 binnen vijf jaar na afloop van de termijnen van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling vastgesteld. Dit is met het oog op de rechtszekerheid aanvaardbaar.1
5.2.
Aan het advies van de Raad van State waarnaar eiseres verwijst, hecht de rechtbank in dit geval geen waarde. Dit advies heeft namelijk betrekking op een wetsvoorstel voor de dekking tegen zorgkosten voor personen die met terugwerkende kracht onder de Zvw vallen, maar niet voor de voorgaande periode een zorgverzekering hebben kunnen afsluiten. Dit advies heeft aldus geen betrekking op de situatie van eiseres.
5.3.
Verder zijn artikel 69 van de Zvw en de Regeling imperatief gesteld. Dit betekent dat de regels van de Zvw en de Regeling dwingend recht bevatten en geen hardheidsclausule of coulanceregeling kennen.2 Het CAK heeft daarom niet de ruimte om in verband met de door eiseres aangevoerde omstandigheden af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage.3 Volgens vaste rechtspraak zijn er echter bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.4 Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Uit de brief van de Svb van 10 augustus 2022 blijkt dat de Svb eiseres op 1 september 2016 als pensioengerechtigde heeft aangemeld. Dit betekent dat het CAK al lange tijd op de hoogte was of had kunnen zijn van het pensioen van eiseres en de daarmee gepaard gaande verdragsgerechtigdheid. Vast staat echter dat het CAK eiseres niet eerder dan nadat zij zich bij het CAK had aangemeld, als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt. Namens het CAK is ter zitting toegelicht dat de aanmelding van de Svb niet is terug te vinden in de systemen van het CAK. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat er aan de zijde van het CAK fouten zijn gemaakt in de uitvoering van zijn administratieve taken. Aan de andere kant volgt uit artikel 69, eerste lid, dat verdragsgerechtigden als bedoeld in dat voorschrift zich bij het CAK dienen te melden. Waarschijnlijk was eiseres zich hiervan niet bewust, omdat zij al vanaf 1 januari 2006 als verdragsgerechtigd gezinslid met haar echtgenoot was meeverzekerd. Wat hiervan ook zij: het feit dat eiseres zich nu geconfronteerd ziet met de verplichting om de buitenlandbijdrage alsnog over meerdere zorgjaren te betalen, doet niets af aan de wettelijke verplichtingen van het CAK om de buitenlandbijdrage op te leggen en evenmin aan de verplichting van eiseres om die bijdrage te voldoen.
5.4.
Ter zitting is onder andere besproken wat de gevolgen zijn van de omstandigheid dat een meeverzekerd gezinslid die zich eerder bij het CAK als zodanig heeft aangemeld een eigen, zelfstandig, recht krijgt op zorg in het buitenland ten koste van Nederland, bijvoorbeeld als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Namens het CAK is toegelicht dat deze personen zich (opnieuw) moeten melden. Onduidelijk is echter gebleven waar deze informatie voor betrokkenen in een dergelijke situatie is te vinden of op welke wijze het CAK betrokkenen hierover informeert, zoals het CAK in het bestreden besluit stelt te doen. In het bestreden besluit verwijst het CAK naar zijn website, maar eiseres heeft onbetwist gesteld dat hierop geen informatie staat die betrekking heeft op haar situatie. De rechtbank merkt op dat van het CAK een actievere houding bij het informeren van betrokkenen mag worden verwacht, zodat situaties zoals die zich hier voordoet kunnen worden voorkomen. Dit doet echter niet af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.
5.5.
Het betoog slaagt niet.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><a href="https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8812&amp;showbutton=true&amp;keyword=CAK&amp;idx=4" target="_blank" rel="noopener nofollow ugc">https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8812&#038;showbutton=true&#038;keyword=CAK&#038;idx=4</a></p>
<p>ECLI:NL:RBDHA:2023:8812<br />
InstantieRechtbank Den Haag<br />
Datum uitspraak14-06-2023 Datum publicatie04-07-2023</p>
<p> Daaruit:<br />
Het geschil<br />
3. In het besluit van 8 juni 2020 heeft het CAK eiseres vanaf 1 januari 2017 als verdragsgerechtigde aangemerkt en bepaald dat zij vanaf die datum bijdrageplichtig is. Dit besluit is onherroepelijk. Dit betekent dat de verdragsgerechtigdheid in deze procedure niet meer aan de orde kan komen en dat eiseres, in beginsel, verplicht is vanaf het zorgjaar 2017 de buitenlandbijdrage te voldoen. Dit is in zoverre ook niet tussen partijen in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het CAK de buitenlandbijdrage in het geval van eiseres vanaf het zorgjaar 2017 heeft mogen vaststellen of dat de &#8211; al dan niet buiten de invloedsfeer van eiseres ontstane &#8211; vertragende omstandigheden bij de inschrijving van eiseres als verdragsgerechtigde meebrengen dat zij niet met terugwerkende kracht de buitenlandbijdrage over de zorgjaren 2017 tot en met 2020 hoeft te voldoen.<br />
Het beoordelingskader<br />
4. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland zich bij het CAK aan. Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn deze personen een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is bepaald in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling zorgverzekering (de Regeling).<br />
Op grond van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt het CAK het verschil tussen de verschuldigde bijdrage en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdrage voor 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vast (de voorlopige jaarafrekening), en stelt het CAK het voormelde verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de NiNbi-beschikking onherroepelijk zijn geworden definitief vast (de definitieve jaarafrekening).<br />
Inhoudelijke beoordeling<br />
5. Eiseres betoogt dat het CAK in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt door met terugwerkende kracht te besluiten dat eiseres de buitenlandbijdrage moet voldoen. Zij verwijst daarbij allereerst naar het advies van de Raad van State met nummer W13.17.0404/III van 15 februari 2018. Verder heeft het CAK haar na haar pensionering nooit geïnformeerd dat zij zich opnieuw moest melden. Nu eiseres al vanaf 2006 zorg in Duitsland ten koste van Nederland ontving, was er voor eiseres ook geen reden om zich opnieuw te melden. Het CAK is zijn administratieve verplichtingen die volgen uit artikel 69 van de Zvw niet nagekomen. Zo heeft er geen uitwisseling van gegevens plaatsgevonden tussen het CAK, de Sociale verzekeringsbank (Svb) en de AOK. Zo hadden gegevens tussen de Svb en het CAK moeten worden gewisseld toen eiseres haar pensioen bereikte en is eiseres nooit van de uitschrijving bij het AOK in kennis gesteld. Eiseres verwijst daarbij naar brieven van de Svb van 7 april 2021 en 10 augustus 2022.<br />
5.1.<br />
Zoals de rechtbank hiervoor onder 3 heeft overwogen, staat het besluit van het CAK waarin eiseres met ingang van 1 januari 2017 als verdragsgerechtigde wordt aangemerkt in rechte vast. Eiseres is vanaf die datum dus (in beginsel) verplicht om de buitenlandbijdrage te voldoen. Dat de besluiten daaromtrent pas vanaf 2020 zijn genomen, betekent niet dat het CAK in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt. Het CAK heeft de voorlopige en definitieve jaarafrekeningen over 2017 tot en met 2020 binnen vijf jaar na afloop van de termijnen van artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling vastgesteld. Dit is met het oog op de rechtszekerheid aanvaardbaar.1<br />
5.2.<br />
Aan het advies van de Raad van State waarnaar eiseres verwijst, hecht de rechtbank in dit geval geen waarde. Dit advies heeft namelijk betrekking op een wetsvoorstel voor de dekking tegen zorgkosten voor personen die met terugwerkende kracht onder de Zvw vallen, maar niet voor de voorgaande periode een zorgverzekering hebben kunnen afsluiten. Dit advies heeft aldus geen betrekking op de situatie van eiseres.<br />
5.3.<br />
Verder zijn artikel 69 van de Zvw en de Regeling imperatief gesteld. Dit betekent dat de regels van de Zvw en de Regeling dwingend recht bevatten en geen hardheidsclausule of coulanceregeling kennen.2 Het CAK heeft daarom niet de ruimte om in verband met de door eiseres aangevoerde omstandigheden af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage.3 Volgens vaste rechtspraak zijn er echter bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.4 Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Uit de brief van de Svb van 10 augustus 2022 blijkt dat de Svb eiseres op 1 september 2016 als pensioengerechtigde heeft aangemeld. Dit betekent dat het CAK al lange tijd op de hoogte was of had kunnen zijn van het pensioen van eiseres en de daarmee gepaard gaande verdragsgerechtigdheid. Vast staat echter dat het CAK eiseres niet eerder dan nadat zij zich bij het CAK had aangemeld, als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt. Namens het CAK is ter zitting toegelicht dat de aanmelding van de Svb niet is terug te vinden in de systemen van het CAK. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat er aan de zijde van het CAK fouten zijn gemaakt in de uitvoering van zijn administratieve taken. Aan de andere kant volgt uit artikel 69, eerste lid, dat verdragsgerechtigden als bedoeld in dat voorschrift zich bij het CAK dienen te melden. Waarschijnlijk was eiseres zich hiervan niet bewust, omdat zij al vanaf 1 januari 2006 als verdragsgerechtigd gezinslid met haar echtgenoot was meeverzekerd. Wat hiervan ook zij: het feit dat eiseres zich nu geconfronteerd ziet met de verplichting om de buitenlandbijdrage alsnog over meerdere zorgjaren te betalen, doet niets af aan de wettelijke verplichtingen van het CAK om de buitenlandbijdrage op te leggen en evenmin aan de verplichting van eiseres om die bijdrage te voldoen.<br />
5.4.<br />
Ter zitting is onder andere besproken wat de gevolgen zijn van de omstandigheid dat een meeverzekerd gezinslid die zich eerder bij het CAK als zodanig heeft aangemeld een eigen, zelfstandig, recht krijgt op zorg in het buitenland ten koste van Nederland, bijvoorbeeld als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Namens het CAK is toegelicht dat deze personen zich (opnieuw) moeten melden. Onduidelijk is echter gebleven waar deze informatie voor betrokkenen in een dergelijke situatie is te vinden of op welke wijze het CAK betrokkenen hierover informeert, zoals het CAK in het bestreden besluit stelt te doen. In het bestreden besluit verwijst het CAK naar zijn website, maar eiseres heeft onbetwist gesteld dat hierop geen informatie staat die betrekking heeft op haar situatie. De rechtbank merkt op dat van het CAK een actievere houding bij het informeren van betrokkenen mag worden verwacht, zodat situaties zoals die zich hier voordoet kunnen worden voorkomen. Dit doet echter niet af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.<br />
5.5.<br />
Het betoog slaagt niet.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12525</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 15 Jun 2023 09:11:46 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12525</guid>

					<description><![CDATA[Een laat gepubliceerde uitspraak met prejudiciële vragen ten grondslag liggend aan het EHvJ arrest Van der Helder/Farrington:

 ECLI:NL:CRVB:2012:547 Centrale Raad van Beroep, 27-06-2012, 10-2175 ZVW
Datum uitspraak: 27-06-2012
Datum publicatie: 13-06-2023
Rechtsgebieden:
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Prejudicieel verzoek
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Welk land moet de ziektekosten van pensionado&#039;s betalen en mag bijdragen heffen als iemand wettelijk pensioen ontvangt uit verschillende landen?]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Een laat gepubliceerde uitspraak met prejudiciële vragen ten grondslag liggend aan het EHvJ arrest Van der Helder/Farrington:</p>
<p> ECLI:NL:CRVB:2012:547 Centrale Raad van Beroep, 27-06-2012, 10-2175 ZVW<br />
Datum uitspraak: 27-06-2012<br />
Datum publicatie: 13-06-2023<br />
Rechtsgebieden:<br />
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Prejudicieel verzoek<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Welk land moet de ziektekosten van pensionado&#8217;s betalen en mag bijdragen heffen als iemand wettelijk pensioen ontvangt uit verschillende landen?</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12427</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 26 May 2023 09:42:17 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12427</guid>

					<description><![CDATA[Het oordeel van de voorzieningenrechter

5.1.
Met verzoeker [verzoekers 1] is uitvoerig ter zitting besproken wat de taak is van de Svb bij de inhouding van de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen en hoe een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten moet worden getoetst. Verzoeker heeft erkend dat de Svb in dit verband een “kassiersfunctie” heeft en heeft verklaard deze procedure te gebruiken als hefboom om de zaak opnieuw aan de orde te stellen. De voorzieningenrechter bevestigt de aangevallen uitspraak en onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank zijn oordeel heeft gebaseerd. De Svb heeft op goede gronden geweigerd om terug te komen van de besluiten om de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen in te houden. Verzoekers hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die bij deze toetsing van belang zijn. De besluiten zijn ook niet evident onredelijk. De beoordelingsmarge van de Svb bij de inhouding van de buitenlandbijdrage is gering, gelet op artikel 6.3.2, eerste en tweede lid, van de Regeling Zorgverzekering.

5.2.
Ook is besproken dat het verzoek om schadevergoeding aan het adres van het CAK nietontvankelijk wordt verklaard, omdat het CAK geen partij is in deze procedure. Om dezelfde reden kan ook het verzoek aan CAK om de administratie te wijzigen niet in deze procedure aan de orde komen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het oordeel van de voorzieningenrechter</p>
<p>5.1.<br />
Met verzoeker [verzoekers 1] is uitvoerig ter zitting besproken wat de taak is van de Svb bij de inhouding van de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen en hoe een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten moet worden getoetst. Verzoeker heeft erkend dat de Svb in dit verband een “kassiersfunctie” heeft en heeft verklaard deze procedure te gebruiken als hefboom om de zaak opnieuw aan de orde te stellen. De voorzieningenrechter bevestigt de aangevallen uitspraak en onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank zijn oordeel heeft gebaseerd. De Svb heeft op goede gronden geweigerd om terug te komen van de besluiten om de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen in te houden. Verzoekers hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die bij deze toetsing van belang zijn. De besluiten zijn ook niet evident onredelijk. De beoordelingsmarge van de Svb bij de inhouding van de buitenlandbijdrage is gering, gelet op artikel 6.3.2, eerste en tweede lid, van de Regeling Zorgverzekering.</p>
<p>5.2.<br />
Ook is besproken dat het verzoek om schadevergoeding aan het adres van het CAK nietontvankelijk wordt verklaard, omdat het CAK geen partij is in deze procedure. Om dezelfde reden kan ook het verzoek aan CAK om de administratie te wijzigen niet in deze procedure aan de orde komen.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12333</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 10 May 2023 11:29:33 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12333</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:852 Centrale Raad van Beroep, 04-05-2023, 21 / 1010 WLZ
Datum uitspraak: 04-05-2023 Datum publicatie: 09-05-2023
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Appellante woont in Nederland woont en ontvangt een Duits pensioen, grensoverschrijdende situatie waarop Vo 883/2004 van toepassing is. Appellante had op grond van artikel 25 van Vo 883/2004 recht op zorg in Nederland ten laste van Duitsland. Op grond van artikel 21, eerste lid, van KB 746 was appellante daardoor niet verzekerd voor de Wlz. De ontvangst van de IOAW-uitkering door appellante brengt geen wijziging in haar verzekeringspositie]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:852 Centrale Raad van Beroep, 04-05-2023, 21 / 1010 WLZ<br />
Datum uitspraak: 04-05-2023 Datum publicatie: 09-05-2023<br />
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Appellante woont in Nederland woont en ontvangt een Duits pensioen, grensoverschrijdende situatie waarop Vo 883/2004 van toepassing is. Appellante had op grond van artikel 25 van Vo 883/2004 recht op zorg in Nederland ten laste van Duitsland. Op grond van artikel 21, eerste lid, van KB 746 was appellante daardoor niet verzekerd voor de Wlz. De ontvangst van de IOAW-uitkering door appellante brengt geen wijziging in haar verzekeringspositie</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2016/12/30/de-verdragsbijdrage-aan-het-zorginstituut-nederland-zin-vanaf-1-januari-2017-het-cak-deel-4-beschouwingen-over-de-kritiek-op-de-verdragsbijdrage/#comment-12085</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 30 Mar 2023 12:06:43 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://vbngb.eu/?p=3009#comment-12085</guid>

					<description><![CDATA[Zie deze beschouwing op taxlive.nl:

 De bijdrage Zorgverzekeringswet leidt niet tot verlaging van het belastbaar inkomen. Verder leiden de regels over de toerekening van lijfrente-inkomsten niet tot discriminatie van gehuwden ten opzichte van ongehuwden, zo oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden.

&lt;a href=&quot;https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/geen-aftrek-voor-bijdrage-zorgverzekeringswet/&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/geen-aftrek-voor-bijdrage-zorgverzekeringswet/&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Zie deze beschouwing op taxlive.nl:</p>
<p> De bijdrage Zorgverzekeringswet leidt niet tot verlaging van het belastbaar inkomen. Verder leiden de regels over de toerekening van lijfrente-inkomsten niet tot discriminatie van gehuwden ten opzichte van ongehuwden, zo oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden.</p>
<p><a href="https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/geen-aftrek-voor-bijdrage-zorgverzekeringswet/" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/geen-aftrek-voor-bijdrage-zorgverzekeringswet/</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
