<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: De basis voor het verdragsrecht: het wettelijke ouderdomspensioen. Deel 2 – Hoogte, vrijwillige verzekering en verdere bijzonderheden.	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Tue, 07 Nov 2023 12:30:46 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-13404</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 07 Nov 2023 12:30:46 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-13404</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:2010
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 31-10-2023
Datum publicatie 07-11-2023
Zaaknummer 22/1044 AOW

Daaruit:
1.2. In een besluit van 30 april 2020 is aan appellant een ouderdomspensioen toegekend, met een korting van 36%. De jaren dat appellant in Frankrijk woonde, worden als niet verzekerde jaren aangemerkt. In bezwaar benadrukt appellant dat hij over de opbouw van zijn ouderdomspensioen afspraken heeft gemaakt met zijn voormalige werkgever. Hij mocht erop vertrouwen dat deze afspraken nagekomen zouden worden. Appellant heeft op de website van de Svb, bij het nazien van zijn verzekerde jaren, ook gevonden dat de opbouw liep zoals was afgesproken. Een afdruk van dit document heeft hij aan de Svb gezonden. Ook stelt hij dat door zijn voormalige werkgever, zoals afgesproken, ieder jaar de loonheffing is voldaan, gebaseerd op een aanvulling die hij ontving op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. In deze loonheffing zat ook de AOW-premie.

(..)

Poprawa beleid
4.5.
De stelling van appellant dat hij premies volksverzekeringen heeft afgedragen, leidt tot de vraag of hij op grond van het zogeheten Poprawa-beleid dat door de Svb wordt toegepast, in aanmerking kan komen voor een vrijwillige verzekering over de tijdvakken waarover die premie is afgedragen. Dat zou betekenen dat voor die tijdvakken de korting op het AOWpensioen alsnog komt te vervallen.
4.5.1.
Het Poprawa-beleid houdt, kort gezegd, het volgende in:
Als ten onrechte premies volksverzekeringen zijn ingehouden op het salaris of de uitkering, kunnen deze ingehouden premies aangemerkt worden als betaalde premies voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Hiervoor moet in ieder geval voldaan worden aan een drietal voorwaarden:
- er zijn premies volksverzekeringen ingehouden,
- betrokkene mocht menen dat hij op grond van deze premie-inhouding verzekerd was voor de AOW en
- er heeft geen premierestitutie door de Belastingdienst plaatsgevonden.
4.5.2.
Appellant heeft op 11 augustus 2023 een aantal jaaroverzichten ingezonden van het Uwv in het kader van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit deze overzichten blijkt dat de loonheffing is ingehouden. Uit de zich al in het dossier bevindende stukken blijkt dat het [naam werkgever] eveneens loonheffing heeft ingehouden op de maandelijkse aanvulling op de uitkering van appellant.
4.5.3.
In reactie hierop heeft de Svb nader onderzoek verricht en de Belastingdienst om informatie verzocht over de vraag of feitelijk premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Daarop heeft de Belastingdienst laten weten dat er, voor zover nog achterhaald kan worden, geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant. Wel zijn er premies ingehouden op de aanvulling van het ministerie, maar deze premies zijn terugbetaald, mede omdat appellant zelf op zijn aangifte inkomstenbelasting heeft aangegeven niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen. Omdat aan de eerste voorwaarden voor de toepassing van het Poprawa-beleid niet is voldaan, ziet de Svb geen aanleiding aan te nemen dat de toekenning van een ouderdomspensioen met een korting van 36% onjuist is geweest.
4.5.4.
De Raad kan zich geheel vinden in deze nadere standpuntbepaling van de Svb. Uit de nader ingezonden stukken door de Svb blijkt onmiskenbaar dat er of geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden, of de wel ingehouden premies zijn gerestitueerd. Ook blijkt dat appellant zelf in de (achteraf gezien terechte) veronderstelling verkeerde niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen in Nederland.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:2010<br />
Instantie Centrale Raad van Beroep<br />
Datum uitspraak 31-10-2023<br />
Datum publicatie 07-11-2023<br />
Zaaknummer 22/1044 AOW</p>
<p>Daaruit:<br />
1.2. In een besluit van 30 april 2020 is aan appellant een ouderdomspensioen toegekend, met een korting van 36%. De jaren dat appellant in Frankrijk woonde, worden als niet verzekerde jaren aangemerkt. In bezwaar benadrukt appellant dat hij over de opbouw van zijn ouderdomspensioen afspraken heeft gemaakt met zijn voormalige werkgever. Hij mocht erop vertrouwen dat deze afspraken nagekomen zouden worden. Appellant heeft op de website van de Svb, bij het nazien van zijn verzekerde jaren, ook gevonden dat de opbouw liep zoals was afgesproken. Een afdruk van dit document heeft hij aan de Svb gezonden. Ook stelt hij dat door zijn voormalige werkgever, zoals afgesproken, ieder jaar de loonheffing is voldaan, gebaseerd op een aanvulling die hij ontving op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. In deze loonheffing zat ook de AOW-premie.</p>
<p>(..)</p>
<p>Poprawa beleid<br />
4.5.<br />
De stelling van appellant dat hij premies volksverzekeringen heeft afgedragen, leidt tot de vraag of hij op grond van het zogeheten Poprawa-beleid dat door de Svb wordt toegepast, in aanmerking kan komen voor een vrijwillige verzekering over de tijdvakken waarover die premie is afgedragen. Dat zou betekenen dat voor die tijdvakken de korting op het AOWpensioen alsnog komt te vervallen.<br />
4.5.1.<br />
Het Poprawa-beleid houdt, kort gezegd, het volgende in:<br />
Als ten onrechte premies volksverzekeringen zijn ingehouden op het salaris of de uitkering, kunnen deze ingehouden premies aangemerkt worden als betaalde premies voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW. Hiervoor moet in ieder geval voldaan worden aan een drietal voorwaarden:<br />
&#8211; er zijn premies volksverzekeringen ingehouden,<br />
&#8211; betrokkene mocht menen dat hij op grond van deze premie-inhouding verzekerd was voor de AOW en<br />
&#8211; er heeft geen premierestitutie door de Belastingdienst plaatsgevonden.<br />
4.5.2.<br />
Appellant heeft op 11 augustus 2023 een aantal jaaroverzichten ingezonden van het Uwv in het kader van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit deze overzichten blijkt dat de loonheffing is ingehouden. Uit de zich al in het dossier bevindende stukken blijkt dat het [naam werkgever] eveneens loonheffing heeft ingehouden op de maandelijkse aanvulling op de uitkering van appellant.<br />
4.5.3.<br />
In reactie hierop heeft de Svb nader onderzoek verricht en de Belastingdienst om informatie verzocht over de vraag of feitelijk premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Daarop heeft de Belastingdienst laten weten dat er, voor zover nog achterhaald kan worden, geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant. Wel zijn er premies ingehouden op de aanvulling van het ministerie, maar deze premies zijn terugbetaald, mede omdat appellant zelf op zijn aangifte inkomstenbelasting heeft aangegeven niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen. Omdat aan de eerste voorwaarden voor de toepassing van het Poprawa-beleid niet is voldaan, ziet de Svb geen aanleiding aan te nemen dat de toekenning van een ouderdomspensioen met een korting van 36% onjuist is geweest.<br />
4.5.4.<br />
De Raad kan zich geheel vinden in deze nadere standpuntbepaling van de Svb. Uit de nader ingezonden stukken door de Svb blijkt onmiskenbaar dat er of geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden, of de wel ingehouden premies zijn gerestitueerd. Ook blijkt dat appellant zelf in de (achteraf gezien terechte) veronderstelling verkeerde niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen in Nederland.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-12073</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 29 Mar 2023 10:30:29 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-12073</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2023:518 Centrale Raad van Beroep, 22-03-2023, 21/4545 AOW
Datum uitspraak: 22-03-2023 Datum publicatie: 23-03-2023
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in de aankomstperiode en de dienstplichtperiode niet verzekerd is geweest voor de AOW. Op het AOW-pensioen van appellant is dus terecht een korting van 8% toegepast.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2023:518 Centrale Raad van Beroep, 22-03-2023, 21/4545 AOW<br />
Datum uitspraak: 22-03-2023 Datum publicatie: 23-03-2023<br />
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in de aankomstperiode en de dienstplichtperiode niet verzekerd is geweest voor de AOW. Op het AOW-pensioen van appellant is dus terecht een korting van 8% toegepast.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-11421</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 19 Nov 2022 12:43:50 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-11421</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBDHA:2022:11387 Rechtbank Den Haag, 04-11-2022, 21_5710
Datum uitspraak: 04-11-2022 Datum publicatie: 18-11-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
AOW/toekenning met één jaar twk/geen bijzonder geval/toetsing aan nieuw beleid levert geen andere uitkomst op.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBDHA:2022:11387 Rechtbank Den Haag, 04-11-2022, 21_5710<br />
Datum uitspraak: 04-11-2022 Datum publicatie: 18-11-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
AOW/toekenning met één jaar twk/geen bijzonder geval/toetsing aan nieuw beleid levert geen andere uitkomst op.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-11375</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 14 Nov 2022 18:08:10 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-11375</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2022:2191 Centrale Raad van Beroep, 13-10-2022, 21-2772 AOW
Datum uitspraak: 13-10-2022 Datum publicatie: 14-11-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Toekenning ouderdomspensioen naar een uitkeringspercentage van 12%. De ingangsdatum van het ouderdomspensioen is bepaald op 1 maart 2019 omdat een ouderdomspensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Geen sprake van een bijzonder geval. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in periode 1 en 2 ook in Nederland werkzaamheden heeft verricht. De Svb heeft daarom op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71 terecht de socialezekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk op hem van toepassing geacht. Appellant was in periode 1 en 2 dus niet verzekerd voor de AOW]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2022:2191 Centrale Raad van Beroep, 13-10-2022, 21-2772 AOW<br />
Datum uitspraak: 13-10-2022 Datum publicatie: 14-11-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Toekenning ouderdomspensioen naar een uitkeringspercentage van 12%. De ingangsdatum van het ouderdomspensioen is bepaald op 1 maart 2019 omdat een ouderdomspensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend. Geen sprake van een bijzonder geval. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in periode 1 en 2 ook in Nederland werkzaamheden heeft verricht. De Svb heeft daarom op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71 terecht de socialezekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk op hem van toepassing geacht. Appellant was in periode 1 en 2 dus niet verzekerd voor de AOW</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-11339</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 10 Nov 2022 12:48:38 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-11339</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2022:2374 Centrale Raad van Beroep, 28-10-2022, 21 / 3939 AOW
Datum uitspraak: 28-10-2022 Datum publicatie: 10-11-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Afwijzing aanvraag ouderdomspensioen op grond van de AOW. Er is geen sprake van huwelijkse tijdvakken als bedoeld in artikel 21 van het NMV, omdat appellante nog niet met de echtgenoot was getrouwd in de periode van 12 maart 1969 tot 12 maart 1970; de periode waarin de echtgenoot verzekerd is geweest voor de AOW.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2022:2374 Centrale Raad van Beroep, 28-10-2022, 21 / 3939 AOW<br />
Datum uitspraak: 28-10-2022 Datum publicatie: 10-11-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Afwijzing aanvraag ouderdomspensioen op grond van de AOW. Er is geen sprake van huwelijkse tijdvakken als bedoeld in artikel 21 van het NMV, omdat appellante nog niet met de echtgenoot was getrouwd in de periode van 12 maart 1969 tot 12 maart 1970; de periode waarin de echtgenoot verzekerd is geweest voor de AOW.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-10583</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 27 May 2022 09:57:17 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-10583</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2022:1036 Centrale Raad van Beroep, 28-04-2022, 21/1103 AOW
Datum uitspraak: 28-04-2022 Datum publicatie: 17-05-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: ABkort 2022/234  Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Verzoek om herziening van de weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige AOW-verzekering, ten onrechte afgewezen. Appellante wordt gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een bijzonder geval waarin overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering verschoonbaar moet worden geacht. De verzekeringsrechtelijke positie van appellante vloeide voort uit de toepassing van internationale bepalingen. Op grond van de uitspraken van de CRvB van 6 juni 2016 mocht appellante ervan uitgaan dat zij gedurende haar werkzaamheden in het kader van de mini-job verzekerd was voor de AOW (ECLI:NL:CRVB:2016:2144, ECLI:NL:CRVB:2016:2145 en ECLI:NL:CRVB:2016:3054). De periode liep tot 1 augustus 2019. Voordien, op 30 juni 2019, heeft appellante haar aanvraag al ingediend. Nadien, op 19 september 2019, heeft het Hof anders beslist en bleek dat Duitsland het voor de sociale zekerheid aangewezen land is. Gezien het feit dat pas na het herhaaldelijk in dezelfde procedure stellen van prejudiciële vragen aan het Hof – eerst door de Raad met als resultaat de uitspraken van 6 juni 2016 en vervolgens door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:126 en 127) – duidelijkheid is gekomen over de uitleg van de aanwijsregels van Vo 883/2004 wanneer iemand in Nederland woont en in Duitsland werkzaam is in een mini-job, is naar het oordeel van de Raad sprake van voldoende bijkomende omstandigheden]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2022:1036 Centrale Raad van Beroep, 28-04-2022, 21/1103 AOW<br />
Datum uitspraak: 28-04-2022 Datum publicatie: 17-05-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: ABkort 2022/234  Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Verzoek om herziening van de weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige AOW-verzekering, ten onrechte afgewezen. Appellante wordt gevolgd in haar standpunt dat sprake is van een bijzonder geval waarin overschrijding van de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering verschoonbaar moet worden geacht. De verzekeringsrechtelijke positie van appellante vloeide voort uit de toepassing van internationale bepalingen. Op grond van de uitspraken van de CRvB van 6 juni 2016 mocht appellante ervan uitgaan dat zij gedurende haar werkzaamheden in het kader van de mini-job verzekerd was voor de AOW (ECLI:NL:CRVB:2016:2144, ECLI:NL:CRVB:2016:2145 en ECLI:NL:CRVB:2016:3054). De periode liep tot 1 augustus 2019. Voordien, op 30 juni 2019, heeft appellante haar aanvraag al ingediend. Nadien, op 19 september 2019, heeft het Hof anders beslist en bleek dat Duitsland het voor de sociale zekerheid aangewezen land is. Gezien het feit dat pas na het herhaaldelijk in dezelfde procedure stellen van prejudiciële vragen aan het Hof – eerst door de Raad met als resultaat de uitspraken van 6 juni 2016 en vervolgens door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:126 en 127) – duidelijkheid is gekomen over de uitleg van de aanwijsregels van Vo 883/2004 wanneer iemand in Nederland woont en in Duitsland werkzaam is in een mini-job, is naar het oordeel van de Raad sprake van voldoende bijkomende omstandigheden</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-10108</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 09 Mar 2022 09:34:41 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-10108</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2022:744 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-02-2022, AWB - 20 _ 9526, 21 _ 2977
Datum uitspraak: 15-02-2022 Datum publicatie: 09-03-2022 Rechtsgebieden: Belastingrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig Vindplaatsen: Rechtspraak.nl Inhoudsindicatie:
Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.
 Daaruit:

Geschil
2.7.
In geschil is of de premieheffing voor de jaren 2017 en 2018 tot het juiste bedrag is berekend. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als premieplichtige voor de AOW en Anw.
Beoordeling van het geschil
2.8.
Belanghebbende voert aan dat sprake is van onterechte dubbele premieheffing. Belanghebbende stelt dat hij als voormalig statutair ambtenaar van België is onderworpen aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, zodat op grond van artikel 11, eerste lid, van de Verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (hierna: EU-Verordening) de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving niet op hem van toepassing is. Daarbij beroept belanghebbende zich op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5488. Ook beroept belanghebbende zich op het Verdrag tussen Nederland en België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: Belastingverdrag Nederland-België), waarin volgens belanghebbende is bepaald dat Nederland geen premies mag heffen over zijn overheidspensioen. Verder wijst belanghebbende erop dat hij onbekend was met de ontheffingsmogelijkheid van de verzekeringsplicht en dat de inspecteur hem ten onrechte pas eerst bij brief van 26 augustus 2019 daarop heeft gewezen.
2.9.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.9.1.
De rechtbank stelt vast dat het kernpunt van belanghebbende zijnde dubbele premieheffing, hetgeen de inspecteur gemotiveerd heeft bestreden, niet blijkt uit het dossier. De rechtbank kan uit de post ‘Bedrijfsvoorheffing’ zoals vermeld op de door belanghebbende overgelegde pensioenfiches, niet afleiden dat deze post zoals belanghebbende stelt (mede) een premieheffing inhoudt. Toch ziet de rechtbank aanleiding om op het meer gestelde in te gaan gelet op de aard van de zaak (zie ook 2.9.7).
2.9.2.
Vast staat dat belanghebbende in 2017 en 2018 nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt1, zodat belanghebbende op grond van de artikelen 2 en 6 van de AOW en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten van rechtswege in beginsel in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.
2.9.3.
Voor situaties zoals deze waarin een belanghebbende op het grondgebied van een andere lidstaat (dan de woonstaat) werkzaamheden (heeft) verricht en als gevolg daarvan (potentieel) in beide landen aan premieheffing voor sociale verzekeringen wordt onderworpen, is de EU-Verordening van kracht. De EU-Verordening bepaalt in die gevallen welke lidstaat, onder uitsluiting van de andere lidstaat, bevoegd is de premies te heffen.
2.9.4.
Op basis van artikel 11, tweede lid, in samenhang met artikel 11, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de EU-Verordening is belanghebbende onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van Nederland, aangezien hij in 2017 en 2018 gepensioneerd (post-actief) is en in Nederland zijn woonplaats heeft. De uitzondering van artikel 16, tweede lid, van de EU-Verordening is in de onderhavige jaren niet van toepassing. Immers, vaststaat dat belanghebbende voor de jaren de jaren 2017 en 2018 door de Sociale verzekeringsbank niet is ontheven van de verzekeringsplicht voor de AOW en Anw.
2.9.5.
Voorts mist het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad in dit geval toepassing, omdat het feitencomplex in het aangehaalde arrest wezenlijk anders is. Ook belanghebbendes beroep op het Belastingverdrag Nederland-België kan hem in dit geval niet helpen, aangezien het Belastingverdrag Nederland-België alleen betrekking heeft op belastingen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever met het begrip premie, zoals neergelegd in de volksverzekeringswetten, tevens heeft bedoeld belastingen te heffen.2
2.9.6.
De rechtbank begrijpt voorts belanghebbendes betoog dat hij onbekend was met de mogelijkheid een ontheffingsverzoek in te dienen en dat de inspecteur hem niet eerder dan bij brief van 26 augustus 2019 daarop heeft gewezen, als een gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in dit geval niet geschonden. De inspecteur is in beginsel niet gehouden belanghebbende te wijzen op een dergelijke mogelijkheid – nog los bezien van de uitkomst van een dergelijk verzoek – en de inspecteur had zoals hij gemotiveerd heeft betoogd, op dat moment geen reden om aan te nemen dat belanghebbende een dergelijk verzoek had willen indienen.
2.9.7.
Het voorgaande betekent dat voor zover belanghebbende door de Belgische autoriteiten toch is aangemerkt als verzekerde in België en hij aldaar premies heeft betaald, belanghebbende zich dient te wenden tot de Belgische autoriteiten om de dubbele premieheffing ongedaan te maken. De rechtbank heeft van belanghebbende ter zitting begrepen dat hij dat heeft gedaan en dat de Belgische (administratieve) procedures in dit kader zijn aangehouden om te bezien wat er uit te Nederlandse procedure voortkomt.
2.10.
Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als premieplichtige voor de AOW en Anw en de premieheffing voor de jaren 2017 en 2018 is dus tot het juiste bedrag berekend. De beroepen zijn daarom ongegrond.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2022:744 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15-02-2022, AWB &#8211; 20 _ 9526, 21 _ 2977<br />
Datum uitspraak: 15-02-2022 Datum publicatie: 09-03-2022 Rechtsgebieden: Belastingrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig Vindplaatsen: Rechtspraak.nl Inhoudsindicatie:<br />
Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.<br />
 Daaruit:</p>
<p>Geschil<br />
2.7.<br />
In geschil is of de premieheffing voor de jaren 2017 en 2018 tot het juiste bedrag is berekend. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als premieplichtige voor de AOW en Anw.<br />
Beoordeling van het geschil<br />
2.8.<br />
Belanghebbende voert aan dat sprake is van onterechte dubbele premieheffing. Belanghebbende stelt dat hij als voormalig statutair ambtenaar van België is onderworpen aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving, zodat op grond van artikel 11, eerste lid, van de Verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels (hierna: EU-Verordening) de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving niet op hem van toepassing is. Daarbij beroept belanghebbende zich op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5488. Ook beroept belanghebbende zich op het Verdrag tussen Nederland en België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (hierna: Belastingverdrag Nederland-België), waarin volgens belanghebbende is bepaald dat Nederland geen premies mag heffen over zijn overheidspensioen. Verder wijst belanghebbende erop dat hij onbekend was met de ontheffingsmogelijkheid van de verzekeringsplicht en dat de inspecteur hem ten onrechte pas eerst bij brief van 26 augustus 2019 daarop heeft gewezen.<br />
2.9.<br />
De rechtbank overweegt als volgt.<br />
2.9.1.<br />
De rechtbank stelt vast dat het kernpunt van belanghebbende zijnde dubbele premieheffing, hetgeen de inspecteur gemotiveerd heeft bestreden, niet blijkt uit het dossier. De rechtbank kan uit de post ‘Bedrijfsvoorheffing’ zoals vermeld op de door belanghebbende overgelegde pensioenfiches, niet afleiden dat deze post zoals belanghebbende stelt (mede) een premieheffing inhoudt. Toch ziet de rechtbank aanleiding om op het meer gestelde in te gaan gelet op de aard van de zaak (zie ook 2.9.7).<br />
2.9.2.<br />
Vast staat dat belanghebbende in 2017 en 2018 nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt1, zodat belanghebbende op grond van de artikelen 2 en 6 van de AOW en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten van rechtswege in beginsel in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.<br />
2.9.3.<br />
Voor situaties zoals deze waarin een belanghebbende op het grondgebied van een andere lidstaat (dan de woonstaat) werkzaamheden (heeft) verricht en als gevolg daarvan (potentieel) in beide landen aan premieheffing voor sociale verzekeringen wordt onderworpen, is de EU-Verordening van kracht. De EU-Verordening bepaalt in die gevallen welke lidstaat, onder uitsluiting van de andere lidstaat, bevoegd is de premies te heffen.<br />
2.9.4.<br />
Op basis van artikel 11, tweede lid, in samenhang met artikel 11, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de EU-Verordening is belanghebbende onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van Nederland, aangezien hij in 2017 en 2018 gepensioneerd (post-actief) is en in Nederland zijn woonplaats heeft. De uitzondering van artikel 16, tweede lid, van de EU-Verordening is in de onderhavige jaren niet van toepassing. Immers, vaststaat dat belanghebbende voor de jaren de jaren 2017 en 2018 door de Sociale verzekeringsbank niet is ontheven van de verzekeringsplicht voor de AOW en Anw.<br />
2.9.5.<br />
Voorts mist het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad in dit geval toepassing, omdat het feitencomplex in het aangehaalde arrest wezenlijk anders is. Ook belanghebbendes beroep op het Belastingverdrag Nederland-België kan hem in dit geval niet helpen, aangezien het Belastingverdrag Nederland-België alleen betrekking heeft op belastingen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever met het begrip premie, zoals neergelegd in de volksverzekeringswetten, tevens heeft bedoeld belastingen te heffen.2<br />
2.9.6.<br />
De rechtbank begrijpt voorts belanghebbendes betoog dat hij onbekend was met de mogelijkheid een ontheffingsverzoek in te dienen en dat de inspecteur hem niet eerder dan bij brief van 26 augustus 2019 daarop heeft gewezen, als een gestelde schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in dit geval niet geschonden. De inspecteur is in beginsel niet gehouden belanghebbende te wijzen op een dergelijke mogelijkheid – nog los bezien van de uitkomst van een dergelijk verzoek – en de inspecteur had zoals hij gemotiveerd heeft betoogd, op dat moment geen reden om aan te nemen dat belanghebbende een dergelijk verzoek had willen indienen.<br />
2.9.7.<br />
Het voorgaande betekent dat voor zover belanghebbende door de Belgische autoriteiten toch is aangemerkt als verzekerde in België en hij aldaar premies heeft betaald, belanghebbende zich dient te wenden tot de Belgische autoriteiten om de dubbele premieheffing ongedaan te maken. De rechtbank heeft van belanghebbende ter zitting begrepen dat hij dat heeft gedaan en dat de Belgische (administratieve) procedures in dit kader zijn aangehouden om te bezien wat er uit te Nederlandse procedure voortkomt.<br />
2.10.<br />
Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als premieplichtige voor de AOW en Anw en de premieheffing voor de jaren 2017 en 2018 is dus tot het juiste bedrag berekend. De beroepen zijn daarom ongegrond.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-10090</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 03 Mar 2022 13:35:40 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-10090</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBGEL:2022:876
Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 18-02-2022 Datum publicatie 01-03-2022 Zaaknummer AWB 21 _ 1570 Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
AOW. Terugvordering partnertoeslag met terugwerkende kracht: overschrijding inkomensgrens? Terugvordering partnertoeslag voor de toekomst: herleeft het recht op partnertoeslag door incidentele inkomensstijging? Vindplaatsen Rechtspraak.nl
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht
zaaknummer: 21/1570
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2022 in de zaak tussen
[Eiseres A] , te [plaats A] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk)
En de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder


6.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat haar partner in 2018 de bedrijfsauto heeft verkocht met een boekwinst van € 2.630,57, hetgeen inhoudt dat de auto is verkocht voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze op de balans stond. Nu het bedrijf van de partner van eiseres een touringcarbedrijf is, behoort de verkoop van een bedrijfsauto niet tot de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten. In zoverre kan de boekwinst als een incidentele stijging van de winst worden aangemerkt. Dat die winst wordt verdeeld over alle maanden van het jaar, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het incidentele karakter niet af. Zonder die boekwinst zou het inkomen niet boven de inkomensgrens zijn gestegen. Het inkomen in 2018 zou dan € 18.150,43 (€ 20.781,00 - € 2.630,57) bedragen. Na aftrek van 8 % vakantie-uitkering komt dat per maand neer op een bedrag van € 1.400,50 (€ 18.150,43 : 12 : 1,08) per maand. Dit bedrag ligt onder de inkomensgrens van € 1.411,13 (januari 2018) en €1.423,85 (juli 2018). Dat rechtvaardigt de conclusie dat het recht op partnertoeslag in 2018 is geëindigd als gevolg van dit incidentele inkomen, zodat het recht op toeslag (wel) kan herleven. De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft de partnertoeslag voor 2019 en 2020 niet enkel wegens de beëindiging van het recht over 2018 kunnen herzien en terugvorderen. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en zal verweerder aan de hand van de inkomensgegevens van de partner van eiseres moeten beoordelen in hoeverre eiseres over die jaren recht heeft op partnertoeslag.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBGEL:2022:876<br />
Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 18-02-2022 Datum publicatie 01-03-2022 Zaaknummer AWB 21 _ 1570 Rechtsgebieden<br />
Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie<br />
AOW. Terugvordering partnertoeslag met terugwerkende kracht: overschrijding inkomensgrens? Terugvordering partnertoeslag voor de toekomst: herleeft het recht op partnertoeslag door incidentele inkomensstijging? Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Zutphen Bestuursrecht<br />
zaaknummer: 21/1570<br />
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2022 in de zaak tussen<br />
[Eiseres A] , te [plaats A] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk)<br />
En de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder</p>
<p>6.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat haar partner in 2018 de bedrijfsauto heeft verkocht met een boekwinst van € 2.630,57, hetgeen inhoudt dat de auto is verkocht voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze op de balans stond. Nu het bedrijf van de partner van eiseres een touringcarbedrijf is, behoort de verkoop van een bedrijfsauto niet tot de gebruikelijke bedrijfsactiviteiten. In zoverre kan de boekwinst als een incidentele stijging van de winst worden aangemerkt. Dat die winst wordt verdeeld over alle maanden van het jaar, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het incidentele karakter niet af. Zonder die boekwinst zou het inkomen niet boven de inkomensgrens zijn gestegen. Het inkomen in 2018 zou dan € 18.150,43 (€ 20.781,00 &#8211; € 2.630,57) bedragen. Na aftrek van 8 % vakantie-uitkering komt dat per maand neer op een bedrag van € 1.400,50 (€ 18.150,43 : 12 : 1,08) per maand. Dit bedrag ligt onder de inkomensgrens van € 1.411,13 (januari 2018) en €1.423,85 (juli 2018). Dat rechtvaardigt de conclusie dat het recht op partnertoeslag in 2018 is geëindigd als gevolg van dit incidentele inkomen, zodat het recht op toeslag (wel) kan herleven. De beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft de partnertoeslag voor 2019 en 2020 niet enkel wegens de beëindiging van het recht over 2018 kunnen herzien en terugvorderen. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en zal verweerder aan de hand van de inkomensgegevens van de partner van eiseres moeten beoordelen in hoeverre eiseres over die jaren recht heeft op partnertoeslag.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-9968</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 10 Feb 2022 11:28:02 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-9968</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2022:267 Centrale Raad van Beroep, 28-01-2022, 21/4088 AOW
Datum uitspraak: 28-01-2022 Datum publicatie: 09-02-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Toepassen korting van 42% op een ouderdomspensioen naar de norm van een ongehuwde. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf zijn vertrek uit Nederland op 7 mei 2008 vrijwillig verzekerd is geweest. Niet gebleken is dat verzoeker binnen een jaar na zijn vertrek bij de Svb een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de AOW, en ook niet dat daarop door de Svb is beslist. Verzoeker geeft zelf ook aan dat hij niet meer kan bewijzen dat hij bij de Svb om voortzetting van zijn AOW-verzekering heeft gevraagd]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2022:267 Centrale Raad van Beroep, 28-01-2022, 21/4088 AOW<br />
Datum uitspraak: 28-01-2022 Datum publicatie: 09-02-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Toepassen korting van 42% op een ouderdomspensioen naar de norm van een ongehuwde. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf zijn vertrek uit Nederland op 7 mei 2008 vrijwillig verzekerd is geweest. Niet gebleken is dat verzoeker binnen een jaar na zijn vertrek bij de Svb een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de AOW, en ook niet dat daarop door de Svb is beslist. Verzoeker geeft zelf ook aan dat hij niet meer kan bewijzen dat hij bij de Svb om voortzetting van zijn AOW-verzekering heeft gevraagd</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2017/10/30/de-basis-voor-het-verdragsrecht-het-wettelijke-ouderdomspensioen-deel-2-hoogte-vrijwillige-verzekering-en-verdere-bijzonderheden/#comment-9962</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 09 Feb 2022 10:16:15 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=4314#comment-9962</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBOBR:2022:365 Rechtbank Oost-Brabant, 26-01-2022, SHE 21/564
Datum uitspraak: 26-01-2022 Datum publicatie: 08-02-2022
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens het ontvangen van een buitenlands ouderdomspensioen. Er is geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat eiseres is gedwongen een ouderdomspensioen aan te vragen in Polen of van een toezegging (of andere uitlating) dat het Poolse ouderdomspensioen geen gevolgen zou hebben voor de WIA-uitkering. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. Eiseres wordt namelijk niet anders behandeld dan andere personen met een ouderdomsuitkering uit een ander land dan Nederland. Het kon eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij te veel WIA-uitkering ontving, gelet op de uitdrukkelijke vermelding in het toekenningsbesluit dat een toegekende buitenlandse uitkering invloed heeft op de WIA-uitkering. De WIA-uitkering van eiseres mocht daarom met terugwerkende kracht worden herzien]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBOBR:2022:365 Rechtbank Oost-Brabant, 26-01-2022, SHE 21/564<br />
Datum uitspraak: 26-01-2022 Datum publicatie: 08-02-2022<br />
Rechtsgebieden: Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg &#8211; meervoudig<br />
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens het ontvangen van een buitenlands ouderdomspensioen. Er is geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat eiseres is gedwongen een ouderdomspensioen aan te vragen in Polen of van een toezegging (of andere uitlating) dat het Poolse ouderdomspensioen geen gevolgen zou hebben voor de WIA-uitkering. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen sprake. Eiseres wordt namelijk niet anders behandeld dan andere personen met een ouderdomsuitkering uit een ander land dan Nederland. Het kon eiseres redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij te veel WIA-uitkering ontving, gelet op de uitdrukkelijke vermelding in het toekenningsbesluit dat een toegekende buitenlandse uitkering invloed heeft op de WIA-uitkering. De WIA-uitkering van eiseres mocht daarom met terugwerkende kracht worden herzien</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
