(Echt)scheiding en de eigenwoningregeling

mrt 1, 2019

De Nederlandse belastingdienst maakte een brochure over de gevolgen voor de eigenwoningregeling bij (echt)scheiding voor binnenlandse belastingplichtigen. Die kan ook voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en bij het doen van de NINBI aangifte van belang zijn.

Ik citeer:

“Bij het opstellen van een echtscheidingsconvenant (vanaf hier ‘convenant’) is het belangrijk om de fiscale gevolgen van de gemaakte afspraken mee te laten wegen. We zien echter regelmatig dat belastingplichtigen en soms ook adviseurs zich hiervan onvoldoende bewust zijn. Daarom hebben wij verschillende aandachtspunten voor u op een rij gezet.”

Hoewel op diverse punten de gegeven voorlichting (in deze brochure aan adviseurs die scheidenden adviseren) ook voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen (KBB’ers) van belang is, zal deze op andere punten niet relevant zijn. Immers deze brochure vooronderstelt dat beide gescheiden partners binnenlands belastingplichtig blijven. Dat zal bij in het buitenland wonenden niet het geval zijn, en ook al zouden beiden na scheiding blijven kwalificeren als KBB’er (op persoonlijke titel dus) dan zijn de beschreven gevolgen nog niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als in de brochure genoemd. Dit heeft mede te maken met de sterke werking van de toewijzing van heffingsrecht (over bijvoorbeeld partneralimentatie) in de belastingverdragen. Gaat de scheiding gepaard met terugkeer van een van de partners naar Nederland dan wordt de beoordeling van de fiscale gevolgen ook anders.

Voor de NINBI aangifte is de brochure relevanter omdat deze immers van de fictie uitgaat dat men (als partners en als gescheidenen) binnenlands belastingplichtig is.

Lees verder op:

https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/echtscheiding-conv-eigen-woning-ib1901z1fd.pdf

4 Reacties

  1. Mijns inziens blijft bij scheidende buitenlands belastingplichtigen die dus voorheen op één adres woonden in het buitenland en KBB’er waren onder omstandigheden art. 311.4 van toepassing op de gescheidenen, voorzover beiden KBB’er blijven na de scheiding op persoonlijke titel. Dat artikel luidt: “Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de toepassing van dit lid en van het achtste lid wordt onder de gewezen partner mede verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot.”
    Op deze wijze kan dus gebruik gemaakt blijven worden van bijv. de hypotheekrenteaftrek als beschreven in de brochure.
    Mijns inziens moeten de gescheidenen echter beiden op persoonlijke titel KBB’er blijven, zie art. 7.8 lid 6a waar die voorwaarde luidt:
    “van wie het inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting “. Na scheiding kan men, vanwege het niet langer op één adres wonen, immers niet meer gebruik maken van de regel uit 7.8 lid 6 b:
    “van wie het inkomen tezamen met dat van een belastingplichtige die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlandse belastingplichtigen zouden zijn, geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting en inkomstenbelasting”. Mogelijk dat echter EU-recht ( de Schumacker-doctrine) ingeroepen kan worden om ook onder deze conditie dezelfde regeling als voor binnenlands belastingplichtigen in de eigenwoningregeling geldt, toe te passen.

    Voorts blijft van belang, art. 7.8 lid 4 van WetIB2001, dat indien de woonstaat (al dan niet veroorzaakt door de scheiding) de belastbare inkomsten uit de eigen woning in aanmerking kan nemen, deze niet door Nederland in aanmerking zullen worden genomen. Toepassing van die regel in de praktijk heb ik overigens nog niet gezien.

    Antwoord
  2. ECLI:NL:GHDHA:2019:3402
    Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 17-12-2019 Datum publicatie
    08-01-2020 Zaaknummer BK-19/00427 Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5784, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep Inhoudsindicatie
    Belanghebbende en haar (ex)partner bezitten in 2016 gezamenlijk (beiden voor 50%) een woning. Belanghebbende en haar (ex)partner komen in het kader van de scheiding overeen dat de lusten en lasten van de woning per 1 januari 2014 geheel aan belanghebbende worden toegerekend, onder de voorwaarde dat zij voor 1 januari 2017 laat blijken het aandeel van de (ex)partner in de woning te kunnen verwerven. In geschil is of belanghebbende per 1 januari 2014 het volledige economisch eigendom in de woning heeft verworven. Belanghebbende stelt dat dit het geval is nu de voornoemde voorwaarde een ontbindende voorwaarde betreft. De Inspecteur stelt daarentegen dat sprake is van een opschortende voorwaarde. Het gelijk is aan belanghebbende, de woning kwalificeert voor belanghebbende in het in geschil zijnde jaar geheel als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Voorts is in geschil of de gehele hypotheekschuld voor belanghebbende in 2016 kwalificeert als eigenwoningschuld. Het Hof oordeelt dat het deel van de schuld dat ziet op de verwerving van het belang van de (ex)partner een schuld betreft die na 1 januari 2013 bij belanghebbende is opgekomen en dient te voldoen aan de aflossingseis zoals opgenomen in artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Nu niet in geschil is dat dit deel van de schuld daar in 2016 niet aan voldoet, valt dit deel van de schuld in box 3.Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 08-01-2020
    GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-19/00427
    Uitspraak van 17 december 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende,
    En de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,
    (vertegenwoordigers: [A] en [B] )
    op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juni 2019, nummer SGR 18/7851.

    Antwoord
  3. ECLI:NL:GHSHE:2021:347
    Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak 04-02-2021 Datum publicatie
    02-03-2021 Zaaknummer 20/00122 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5946, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
    Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep
    Inhoudsindicatie
    Aftrek betaalde hypotheekrente. Belanghebbende kan alle door hem betaalde hypotheekrente in aftrek brengen; 50% op grond van artikel 3.111, lid 1, lid 3 en lid 4, Wet IB 2001 en 50% als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001.

    Vindplaatsen Rechtspraak.nl GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 20/00122

    Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] ,

    hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 december 2019, nummer BRE 17/7430 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.