<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Onevenredig zware last en recht op halfwezenuitkering ANW	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Mon, 29 Mar 2021 10:32:26 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-6676</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 29 Mar 2021 10:32:26 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7043#comment-6676</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:CRVB:2021:674
Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 25-03-2021 Datum publicatie 29-03-2021 Zaaknummer 19/4030 ANW Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwijst de Raad naar hetgeen in zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017, onder punt 4.3.6 tot en met 4.3.10, is opgenomen. De Raad ziet geen grond om in dit geding tot een andere beoordeling te komen. In dit geval heeft de Svb voorafgaande aan het bestreden besluit toereikend individueel feitenonderzoek verricht. Met de door haar verstrekte informatie heeft appellante haar financiële situatie niet volledig inzichtelijk gemaakt. Van de door haar gestelde schulden heeft zij aangegeven deze niet te kunnen onderbouwen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, ondanks een inkomen van ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland, zou moeten worden aangenomen dat appellante een onevenredig zware last moet dragen, is dan ook niet gebleken. Voor zover appellante, met wat zij heeft aangevoerd over een telefoongesprek met een medewerker van de Svb, een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, kan dit niet slagen. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Vindplaatsen Rechtspraak.nl
194030 ANW
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2019, 18/6699 (aangevallen uitspraak)
Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (Suriname) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
 4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het bestreden besluit ziet op de ANWhalfwezenuitkering. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de intrekking van de ANW-nabestaandenuitkering in deze procedure niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.2.1. Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwijst de Raad naar hetgeen in zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017, onder punt 4.3.6 tot en met 4.3.10, is opgenomen.
4.2.2. De Raad ziet geen grond om in dit geding tot een andere beoordeling te komen dan de beoordeling waarnaar is verwezen in overweging 4.2.1. Dat intrekkingen van lopende ANWhalfwezenuitkeringen door de wetswijziging in het algemeen proportioneel zijn te achten en in het algemeen niet leiden tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, laat onverlet dat de vraag of sprake is van een individuele onevenredig zware last van geval tot geval moet worden beantwoord op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek. Dit geldt met name indien betrokkenen, zoals in het voorliggende geval, van oktober 2013 tot en met december 2014 niet hebben kunnen profiteren van de verhoging van de ANW-nabestaandenuitkering die is gerelateerd aan het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW. De Raad herinnert aan punt 4.3.11 van zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017.
4.2.3. In dit geval heeft de Svb voorafgaande aan het bestreden besluit toereikend individueel feitenonderzoek verricht. Uit dat onderzoek blijkt dat appellante ten tijde van belang een uitkering van de Stichting Pensioenfonds PGB van € 219,88 per maand ontving, een bedrag dat ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland Suriname lag. Op verzoek van de Svb heeft appellante meerdere malen stukken ingediend, waaronder gegevens over de bouw van haar woning. Met de door haar verstrekte informatie heeft appellante haar financiële situatie echter niet volledig inzichtelijk gemaakt. Van de door haar gestelde schulden heeft zij aangegeven deze niet te kunnen onderbouwen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, ondanks een inkomen van ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland, zou moeten worden aangenomen dat appellante een onevenredig zware last moet dragen, is dan ook niet gebleken. De verwerping door de rechtbank van het beroep dat appellante heeft gedaan op de individuele onevenredig zware last van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, houdt daarom in hoger beroep stand.
4.3. Voor zover appellante, met wat zij heeft aangevoerd over een telefoongesprek met een medewerker van de Svb, een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, kan dit niet slagen. Appellante heeft dit verzoek niet onderbouwd. Welke medewerker van de Svb op welk moment precies welke informatie zou hebben verstrekt, heeft appellante niet nader omschreven. De Svb heeft ter zitting toegelicht dat een gesprek met enige toezegging van de zijde van de Svb niet is teruggevonden.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:CRVB:2021:674<br />
Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 25-03-2021 Datum publicatie 29-03-2021 Zaaknummer 19/4030 ANW Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie<br />
Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwijst de Raad naar hetgeen in zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017, onder punt 4.3.6 tot en met 4.3.10, is opgenomen. De Raad ziet geen grond om in dit geding tot een andere beoordeling te komen. In dit geval heeft de Svb voorafgaande aan het bestreden besluit toereikend individueel feitenonderzoek verricht. Met de door haar verstrekte informatie heeft appellante haar financiële situatie niet volledig inzichtelijk gemaakt. Van de door haar gestelde schulden heeft zij aangegeven deze niet te kunnen onderbouwen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, ondanks een inkomen van ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland, zou moeten worden aangenomen dat appellante een onevenredig zware last moet dragen, is dan ook niet gebleken. Voor zover appellante, met wat zij heeft aangevoerd over een telefoongesprek met een medewerker van de Svb, een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, kan dit niet slagen. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
194030 ANW<br />
Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2019, 18/6699 (aangevallen uitspraak)<br />
Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (Suriname) (appellante)<br />
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)<br />
 4. De Raad oordeelt als volgt.<br />
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het bestreden besluit ziet op de ANWhalfwezenuitkering. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de intrekking van de ANW-nabestaandenuitkering in deze procedure niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.<br />
4.2.1. Met betrekking tot de toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwijst de Raad naar hetgeen in zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017, onder punt 4.3.6 tot en met 4.3.10, is opgenomen.<br />
4.2.2. De Raad ziet geen grond om in dit geding tot een andere beoordeling te komen dan de beoordeling waarnaar is verwezen in overweging 4.2.1. Dat intrekkingen van lopende ANWhalfwezenuitkeringen door de wetswijziging in het algemeen proportioneel zijn te achten en in het algemeen niet leiden tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, laat onverlet dat de vraag of sprake is van een individuele onevenredig zware last van geval tot geval moet worden beantwoord op basis van een deugdelijk individueel feitenonderzoek. Dit geldt met name indien betrokkenen, zoals in het voorliggende geval, van oktober 2013 tot en met december 2014 niet hebben kunnen profiteren van de verhoging van de ANW-nabestaandenuitkering die is gerelateerd aan het vervallen van de paragrafen 3 en 4 van hoofdstuk III van de ANW. De Raad herinnert aan punt 4.3.11 van zijn uitspraken van 11 maart 2016 en 3 februari 2017.<br />
4.2.3. In dit geval heeft de Svb voorafgaande aan het bestreden besluit toereikend individueel feitenonderzoek verricht. Uit dat onderzoek blijkt dat appellante ten tijde van belang een uitkering van de Stichting Pensioenfonds PGB van € 219,88 per maand ontving, een bedrag dat ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland Suriname lag. Op verzoek van de Svb heeft appellante meerdere malen stukken ingediend, waaronder gegevens over de bouw van haar woning. Met de door haar verstrekte informatie heeft appellante haar financiële situatie echter niet volledig inzichtelijk gemaakt. Van de door haar gestelde schulden heeft zij aangegeven deze niet te kunnen onderbouwen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, ondanks een inkomen van ruim boven het bruto minimumloon in haar woonland, zou moeten worden aangenomen dat appellante een onevenredig zware last moet dragen, is dan ook niet gebleken. De verwerping door de rechtbank van het beroep dat appellante heeft gedaan op de individuele onevenredig zware last van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, houdt daarom in hoger beroep stand.<br />
4.3. Voor zover appellante, met wat zij heeft aangevoerd over een telefoongesprek met een medewerker van de Svb, een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, kan dit niet slagen. Appellante heeft dit verzoek niet onderbouwd. Welke medewerker van de Svb op welk moment precies welke informatie zou hebben verstrekt, heeft appellante niet nader omschreven. De Svb heeft ter zitting toegelicht dat een gesprek met enige toezegging van de zijde van de Svb niet is teruggevonden.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-3611</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 26 Feb 2020 10:44:49 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7043#comment-3611</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2593&quot;&gt;Rudi Holzhauer&lt;/a&gt;.

ECLI:NL:CRVB:2020:412 Centrale Raad van Beroep, 13-02-2020, 19/3387 ANW-PV 
Datum uitspraak:
13-02-2020 
Datum publicatie:
25-02-2020 
Rechtsgebieden:
Socialezekerheidsrecht 
Bijzondere kenmerken:
Hoger beroep 
Vindplaatsen:
Rechtspraak.nl 
Inhoudsindicatie:
Beëindiging van de halfwezenuitkering. beëindiging is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat niet gebleken is dat de beëindiging van de halfwezenuitkering in het geval van appellante heeft geleid tot een onevenredig zware last. De nabestaandenuitkering van appellante is per 1 oktober 2013 met 20% verhoogd]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2593">Rudi Holzhauer</a>.</p>
<p>ECLI:NL:CRVB:2020:412 Centrale Raad van Beroep, 13-02-2020, 19/3387 ANW-PV<br />
Datum uitspraak:<br />
13-02-2020<br />
Datum publicatie:<br />
25-02-2020<br />
Rechtsgebieden:<br />
Socialezekerheidsrecht<br />
Bijzondere kenmerken:<br />
Hoger beroep<br />
Vindplaatsen:<br />
Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Beëindiging van de halfwezenuitkering. beëindiging is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat niet gebleken is dat de beëindiging van de halfwezenuitkering in het geval van appellante heeft geleid tot een onevenredig zware last. De nabestaandenuitkering van appellante is per 1 oktober 2013 met 20% verhoogd</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2598</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 30 Jul 2019 09:48:34 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7043#comment-2598</guid>

					<description><![CDATA[Een illustratie van het hiervoor door mij genoemde, recent:

 ECLI:NL:GHDHA:2019:1998 
Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 16-07-2019 Datum publicatie
30-07-2019 Zaaknummer BK-18/00938 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
Forfaitair-rendementsheffing over vermogen dat in de maand van de peildatum is aangewend voor de aflossing van een hypotheekschuld. In geschil is of het betrekken van dit vermogen in het belastbaar inkomen uit box 3 in het geval van belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last. Het Hof oordeelt dat de situatie van belanghebbende, waarin zij er voor heeft gekozen het vermogen kort na de peildatum aan te wenden voor de aflossing van een hypotheekschuld, niet wezenlijk verschilt van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogen. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen, zijnde een individuele en buitensporige last, is in het onderhavige geval dan ook geen sprake. Vindplaatsen Rechtspraak.nl 
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-18/00938
Uitspraak van 16 juli 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [A] ) en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: [B] , [C] en [E] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2018, nummer SGR 18/830.
DAARUIT:
 5.5. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of in het geval van belanghebbende sprake is van een individuele buitensporige last. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2018, nr. 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511, BNB 2018/137, met betrekking tot het criterium “individuele en buitensporige last” geoordeeld: 
“3.2. (…) Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl. o.a. HR 3 april 2009, nr. 42467, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, BNB 2009/268, r.o. 3.8.1). Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65 en HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115). Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.”
5.6.1. Belanghebbende wijst ter onderbouwing van haar stelling op het arrest van het EHRM inzake Gáll v. Hungary (25 juni 2013, nr. 49570/11). Nu de schending van artikel 1 EP in deze zaak niet enkel het gevolg was van de belastingdruk, doch mede samenhangt met onder andere het ontbreken van overgangsrecht, laat het onderhavige geval zich hier onvoldoende mee vergelijken. Beslissend voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende in het onderhavige geval sprake is van een individuele en buitensporige last, is de voornoemde door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf.
5.6.2.
Voorts wijst belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018, (ECLI:NL:HR:2018:511, BNB 2018/857). Ook deze vergelijking gaat niet op reeds omdat van een situatie waarin de gelden het vermogen van belanghebbende als gevolg van externe factoren, zoals een onteigening, hebben verlaten geen sprake is. 
5.7. Voor de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting box 3 over het gehele jaar 2016, wordt uitgegaan van de hoogte van het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari 2016. Box 3-vermogensmutaties, positief dan wel negatief, na de peildatum zijn bij het vaststellen van de belastingschuld over het desbetreffende jaar in beginsel niet van belang. Dit is inherent aan de keuze van de wetgever. De situatie van belanghebbende, waarin zij er voor heeft gekozen de spaartegoeden gedurende het jaar aan te wenden, wijkt niet wezenlijk af van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogensmutaties. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen is in het onderhavige geval dan ook geen sprake. Dat de keuze van belanghebbende om de hypotheekschuld op haar eigen woning af te lossen legitiem was, doet hier niet aan af. 
Slotsom
5.8. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Een illustratie van het hiervoor door mij genoemde, recent:</p>
<p> ECLI:NL:GHDHA:2019:1998<br />
Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 16-07-2019 Datum publicatie<br />
30-07-2019 Zaaknummer BK-18/00938 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie<br />
Forfaitair-rendementsheffing over vermogen dat in de maand van de peildatum is aangewend voor de aflossing van een hypotheekschuld. In geschil is of het betrekken van dit vermogen in het belastbaar inkomen uit box 3 in het geval van belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last. Het Hof oordeelt dat de situatie van belanghebbende, waarin zij er voor heeft gekozen het vermogen kort na de peildatum aan te wenden voor de aflossing van een hypotheekschuld, niet wezenlijk verschilt van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogen. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen, zijnde een individuele en buitensporige last, is in het onderhavige geval dan ook geen sprake. Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-18/00938<br />
Uitspraak van 16 juli 2019 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende,<br />
(gemachtigde: [A] ) en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur, (vertegenwoordigers: [B] , [C] en [E] )<br />
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 juli 2018, nummer SGR 18/830.<br />
DAARUIT:<br />
 5.5. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of in het geval van belanghebbende sprake is van een individuele buitensporige last. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2018, nr. 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511, BNB 2018/137, met betrekking tot het criterium “individuele en buitensporige last” geoordeeld:<br />
“3.2. (…) Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl. o.a. HR 3 april 2009, nr. 42467, ECLI:NL:HR:2009:BC2816, BNB 2009/268, r.o. 3.8.1). Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65 en HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115). Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.”<br />
5.6.1. Belanghebbende wijst ter onderbouwing van haar stelling op het arrest van het EHRM inzake Gáll v. Hungary (25 juni 2013, nr. 49570/11). Nu de schending van artikel 1 EP in deze zaak niet enkel het gevolg was van de belastingdruk, doch mede samenhangt met onder andere het ontbreken van overgangsrecht, laat het onderhavige geval zich hier onvoldoende mee vergelijken. Beslissend voor de beantwoording van de vraag of voor belanghebbende in het onderhavige geval sprake is van een individuele en buitensporige last, is de voornoemde door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf.<br />
5.6.2.<br />
Voorts wijst belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018, (ECLI:NL:HR:2018:511, BNB 2018/857). Ook deze vergelijking gaat niet op reeds omdat van een situatie waarin de gelden het vermogen van belanghebbende als gevolg van externe factoren, zoals een onteigening, hebben verlaten geen sprake is.<br />
5.7. Voor de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting box 3 over het gehele jaar 2016, wordt uitgegaan van de hoogte van het box 3-vermogen op de peildatum 1 januari 2016. Box 3-vermogensmutaties, positief dan wel negatief, na de peildatum zijn bij het vaststellen van de belastingschuld over het desbetreffende jaar in beginsel niet van belang. Dit is inherent aan de keuze van de wetgever. De situatie van belanghebbende, waarin zij er voor heeft gekozen de spaartegoeden gedurende het jaar aan te wenden, wijkt niet wezenlijk af van de situatie van andere belastingplichtigen met box 3-vermogensmutaties. Van een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen is in het onderhavige geval dan ook geen sprake. Dat de keuze van belanghebbende om de hypotheekschuld op haar eigen woning af te lossen legitiem was, doet hier niet aan af.<br />
Slotsom<br />
5.8. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2594</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 29 Jul 2019 13:33:39 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7043#comment-2594</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2593&quot;&gt;Rudi Holzhauer&lt;/a&gt;.

Veel beroepen op een &quot;onevenredig zware last&quot; worden door de bestuursrechter verworpen. Je zult dus goed moeten afwegen wanneer je wel of niet erop een beroep kunt doen. Er zijn echter geen vaststaande (financiële) kriteria.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2593">Rudi Holzhauer</a>.</p>
<p>Veel beroepen op een &#8220;onevenredig zware last&#8221; worden door de bestuursrechter verworpen. Je zult dus goed moeten afwegen wanneer je wel of niet erop een beroep kunt doen. Er zijn echter geen vaststaande (financiële) kriteria.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Rudi Holzhauer		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/07/29/onevenredig-zware-last-en-recht-op-halfwezenuitkering-anw/#comment-2593</link>

		<dc:creator><![CDATA[Rudi Holzhauer]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 29 Jul 2019 11:23:05 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7043#comment-2593</guid>

					<description><![CDATA[Jan,

Dit is een interessant algemene motivering vanuit schending van artikel 1 van het Eerste Protocol, en wat een individueel geval een onevenredig zware last is, mede in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Het argument fietst denk ik door allerlei wetten en regels heen, en kun je altijd (ook) in stelling brengen. Denk aan de zelf niet verdragsgerechtigde weduwe van een verdragsgerechtigde echtgenoot, bij wie na diens overlijden de dekking voor ziektenkosten wordt ontnomen (o.g.v. de toepassing van een EU Verordening). Er ontstaat dan in veel gevallen stellig een onevenredig zware last.

Voor mij een open vraag hoe ver de reikwijdte van dit argument gaat. Maar goed om het altijd aan te voeren, toegespitst op het individuele nadeel, en met invulling van het criterium &quot;onevenredig zware last&quot;.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Jan,</p>
<p>Dit is een interessant algemene motivering vanuit schending van artikel 1 van het Eerste Protocol, en wat een individueel geval een onevenredig zware last is, mede in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).</p>
<p>Het argument fietst denk ik door allerlei wetten en regels heen, en kun je altijd (ook) in stelling brengen. Denk aan de zelf niet verdragsgerechtigde weduwe van een verdragsgerechtigde echtgenoot, bij wie na diens overlijden de dekking voor ziektenkosten wordt ontnomen (o.g.v. de toepassing van een EU Verordening). Er ontstaat dan in veel gevallen stellig een onevenredig zware last.</p>
<p>Voor mij een open vraag hoe ver de reikwijdte van dit argument gaat. Maar goed om het altijd aan te voeren, toegespitst op het individuele nadeel, en met invulling van het criterium &#8220;onevenredig zware last&#8221;.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
