<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Patientenrichtlijn van toepassing op verdragsgerechtigden? Prejudiciële vragen CRvB	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Thu, 28 Oct 2021 11:28:51 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-8096</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 28 Oct 2021 11:28:51 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-8096</guid>

					<description><![CDATA[ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
28 oktober 2021 (*)
In zaak C 636/19,
Y tegen Centraal Administratie Kantoor,

Dictum:
 Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, onder b), i), en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in samenhang met artikel 1, onder c), en artikel 2 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat een persoon die krachtens de wetgeving van een lidstaat pensioengerechtigd is en op grond van artikel 24 van die verordening, zoals gewijzigd, recht heeft op verstrekkingen die door de lidstaat van zijn woonplaats worden verleend voor rekening van de lidstaat die zijn pensioen uitkeert, moet worden beschouwd als een „verzekerde”, in de zin van artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, die aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de grensoverschrijdende gezondheidszorg die hij in een derde lidstaat heeft ontvangen, zonder te zijn aangesloten bij het stelsel van verplichte ziektekostenverzekering van de lidstaat die zijn pensioen uitkeert.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)<br />
28 oktober 2021 (*)<br />
In zaak C 636/19,<br />
Y tegen Centraal Administratie Kantoor,</p>
<p>Dictum:<br />
 Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:<br />
Artikel 3, onder b), i), en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in samenhang met artikel 1, onder c), en artikel 2 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat een persoon die krachtens de wetgeving van een lidstaat pensioengerechtigd is en op grond van artikel 24 van die verordening, zoals gewijzigd, recht heeft op verstrekkingen die door de lidstaat van zijn woonplaats worden verleend voor rekening van de lidstaat die zijn pensioen uitkeert, moet worden beschouwd als een „verzekerde”, in de zin van artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, die aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de grensoverschrijdende gezondheidszorg die hij in een derde lidstaat heeft ontvangen, zonder te zijn aangesloten bij het stelsel van verplichte ziektekostenverzekering van de lidstaat die zijn pensioen uitkeert.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7449</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 05 Oct 2021 12:24:29 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-7449</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7448&quot;&gt;Rudi Holzhauer&lt;/a&gt;.

Inderdaad. Deze zaak betreft behandelingen in een derde lidstaat (in dit geval: Duitsland). Dus het gebruik maken van part. zorg in de eigen woonstaat is niet aan de orde. Daar heb ik in deze draad wel over geschreven en aangeraden het komende arrest af te wachten om te bezien of daar toch nog argumenten aan ontleend kunnen worden voor wat jij wilt (met veel anderen). Los van de vraag of het EHvJ de Conclusie van de AG zal volgen, is bij Spanje wel de complicatie dat dit zowel de woonstaat is als de staat van aansluiting in de zin van de Patientenrichtlijn. Dat maakt de haalbaarheid van een proefprocedure aldaar kleiner dan in woonstaten waar dit niet het geval is (zoals België of Frankrijk). Reden: in de zin van de PR is er in Spanje geen sprake van &quot;grensoverschrijdende dienstverlening&quot;voor de te schetsen casus. In staten als Frankrijk en België is de noodzaak je om kwaliteitsredenen naar een part. kliniek te begeven weer minder.
Het komende arrest is wel van belang voor een nog lopende proefprocedure bij de CRvB om ziektekosten gemaakt in Dubai door Nederland vergoed te krijgen. Althans als de AG gevolgd wordt in diens oordeel dat een verdragsgerechtigde verzekerd moet worden geacht naar het recht van het pensioenlandstelsel. Als ik het goed zie baseert de AG dat op twee omstandigheden: 1. de pensioengerechtigde heeft (uitsluitend)  een wettelijk pensioen van zijn pensioenland 2. het bevoegde orgaan, dat tot vergoeding van ziektekosten (ook van de woonstaat) gehouden is, bevindt zich in het pensioenland.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7448">Rudi Holzhauer</a>.</p>
<p>Inderdaad. Deze zaak betreft behandelingen in een derde lidstaat (in dit geval: Duitsland). Dus het gebruik maken van part. zorg in de eigen woonstaat is niet aan de orde. Daar heb ik in deze draad wel over geschreven en aangeraden het komende arrest af te wachten om te bezien of daar toch nog argumenten aan ontleend kunnen worden voor wat jij wilt (met veel anderen). Los van de vraag of het EHvJ de Conclusie van de AG zal volgen, is bij Spanje wel de complicatie dat dit zowel de woonstaat is als de staat van aansluiting in de zin van de Patientenrichtlijn. Dat maakt de haalbaarheid van een proefprocedure aldaar kleiner dan in woonstaten waar dit niet het geval is (zoals België of Frankrijk). Reden: in de zin van de PR is er in Spanje geen sprake van &#8220;grensoverschrijdende dienstverlening&#8221;voor de te schetsen casus. In staten als Frankrijk en België is de noodzaak je om kwaliteitsredenen naar een part. kliniek te begeven weer minder.<br />
Het komende arrest is wel van belang voor een nog lopende proefprocedure bij de CRvB om ziektekosten gemaakt in Dubai door Nederland vergoed te krijgen. Althans als de AG gevolgd wordt in diens oordeel dat een verdragsgerechtigde verzekerd moet worden geacht naar het recht van het pensioenlandstelsel. Als ik het goed zie baseert de AG dat op twee omstandigheden: 1. de pensioengerechtigde heeft (uitsluitend)  een wettelijk pensioen van zijn pensioenland 2. het bevoegde orgaan, dat tot vergoeding van ziektekosten (ook van de woonstaat) gehouden is, bevindt zich in het pensioenland.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Rudi Holzhauer		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7448</link>

		<dc:creator><![CDATA[Rudi Holzhauer]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 05 Oct 2021 12:10:43 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-7448</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7445&quot;&gt;Jan de Voogd&lt;/a&gt;.

OK. Mooi. Ik heb even een tijdje niet op deze draad gelet. 

De conclusie van de AG maakt dus korte metten met die &quot;toestemming vooraf&quot;? 

Maar ook - zoals jij eerder aantekende - gaat het om zorg in een &quot;derde lidstaat&quot;. Dat is dus een ander land dan de pensioenstaat (NL) en het woonland (bijv. D of ES). 

Wonend in Spanje kan ik dan dus nog steeds niet naar Clinica Benidorm ..??!! Terwijl NL zorgverzekerden dat wel kunnen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7445">Jan de Voogd</a>.</p>
<p>OK. Mooi. Ik heb even een tijdje niet op deze draad gelet. </p>
<p>De conclusie van de AG maakt dus korte metten met die &#8220;toestemming vooraf&#8221;? </p>
<p>Maar ook &#8211; zoals jij eerder aantekende &#8211; gaat het om zorg in een &#8220;derde lidstaat&#8221;. Dat is dus een ander land dan de pensioenstaat (NL) en het woonland (bijv. D of ES). </p>
<p>Wonend in Spanje kan ik dan dus nog steeds niet naar Clinica Benidorm ..??!! Terwijl NL zorgverzekerden dat wel kunnen.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-7445</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 05 Oct 2021 10:51:22 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-7445</guid>

					<description><![CDATA[Het arrest C-636/19 is gepland voor 28 oktober 2021.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het arrest C-636/19 is gepland voor 28 oktober 2021.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-6795</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 22 Apr 2021 17:51:11 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-6795</guid>

					<description><![CDATA[CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. RANTOS
van 22 april 2021 (1)
Zaak C 636/19
Y
tegen
CAK
[verzoek van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I.      Inleiding
1.        Valt een persoon die krachtens de wetgeving van een lidstaat een pensioen ontvangt van die lidstaat (hierna: „pensioenstaat”) en die krachtens artikel 24 van verordening (EG) nr. 883/2004(2)recht heeft op door de lidstaat van de woonplaats (hierna: „woonstaat”) voor rekening van de pensioenstaat verleende verstrekkingen zonder dat hij over een wettelijke ziektekostenverzekering in die lidstaat beschikt, onder het begrip „verzekerde” in de zin van artikel 3, onder b), i), van richtlijn 2011/24/EU(3) en kan die persoon zich derhalve beroepen op artikel 7, lid 1, van die richtlijn om van de pensioenstaat vergoeding te verkrijgen van de kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg die hij heeft ontvangen in een derde lidstaat? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt: kan het niet toekennen van een vergoeding voor deze grensoverschrijdende gezondheidszorg door de pensioenstaat indien geen voorafgaande toestemming is verkregen, worden beschouwd als een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrij verkeer van diensten en dus als een schending van artikel 56 VWEU?
2.        Dat zijn de vragen die aan de orde zijn in deze zaak, waarin het Hof ten eerste het verband zal moeten verduidelijken tussen de bepalingen van verordening nr. 883/2004 en van richtlijn 2011/24 die een verzekerde toelaten grensoverschrijdende gezondheidszorg te ontvangen(4) en ten tweede zijn rechtspraak betreffende de voorafgaande toestemming als belemmering voor de vrije dienstverrichting in de zin van artikel 56 VWEU(5) zal moeten toepassen.
(..) 
 V.      Conclusie
81.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep te beantwoorden als volgt:
„1)      Artikel 7, lid 1, en artikel 3, onder b), i), van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in onderlinge samenhang en in samenhang met artikel 1, onder c), en artikel 2 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat personen die krachtens de wetgeving van een lidstaat een pensioen ontvangen en krachtens artikel 24 van de verordening recht hebben op door de woonstaat voor rekening van eerstgenoemde lidstaat verleende verstrekkingen, zonder dat zij over een wettelijke ziektekostenverzekering in die lidstaat beschikken, zich als ‚verzekerden’ in de zin van voornoemde bepalingen kunnen beroepen op de richtlijn voor een vergoeding van de kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg die zij hebben ontvangen in een derde lidstaat.
2)      Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding die de terugbetaling door het bevoegde orgaan van de kosten voor in een andere lidstaat verleende ziekenhuiszorg of intensieve extramurale zorg automatisch uitsluit indien geen voorafgaande toestemming is verkregen, zelfs in specifieke situaties waarin de verzekerde wegens zijn gezondheidstoestand of omdat hij dringend in een ziekenhuis moest worden opgenomen, geen toestemming heeft kunnen vragen of het antwoord van het bevoegde orgaan niet heeft kunnen afwachten, ook al zijn de voorwaarden voor vergoeding voor het overige vervuld.”]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL<br />
A. RANTOS<br />
van 22 april 2021 (1)<br />
Zaak C 636/19<br />
Y<br />
tegen<br />
CAK<br />
[verzoek van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) om een prejudiciële beslissing]<br />
I.      Inleiding<br />
1.        Valt een persoon die krachtens de wetgeving van een lidstaat een pensioen ontvangt van die lidstaat (hierna: „pensioenstaat”) en die krachtens artikel 24 van verordening (EG) nr. 883/2004(2)recht heeft op door de lidstaat van de woonplaats (hierna: „woonstaat”) voor rekening van de pensioenstaat verleende verstrekkingen zonder dat hij over een wettelijke ziektekostenverzekering in die lidstaat beschikt, onder het begrip „verzekerde” in de zin van artikel 3, onder b), i), van richtlijn 2011/24/EU(3) en kan die persoon zich derhalve beroepen op artikel 7, lid 1, van die richtlijn om van de pensioenstaat vergoeding te verkrijgen van de kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg die hij heeft ontvangen in een derde lidstaat? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt: kan het niet toekennen van een vergoeding voor deze grensoverschrijdende gezondheidszorg door de pensioenstaat indien geen voorafgaande toestemming is verkregen, worden beschouwd als een ongerechtvaardigde belemmering voor het vrij verkeer van diensten en dus als een schending van artikel 56 VWEU?<br />
2.        Dat zijn de vragen die aan de orde zijn in deze zaak, waarin het Hof ten eerste het verband zal moeten verduidelijken tussen de bepalingen van verordening nr. 883/2004 en van richtlijn 2011/24 die een verzekerde toelaten grensoverschrijdende gezondheidszorg te ontvangen(4) en ten tweede zijn rechtspraak betreffende de voorafgaande toestemming als belemmering voor de vrije dienstverrichting in de zin van artikel 56 VWEU(5) zal moeten toepassen.<br />
(..)<br />
 V.      Conclusie<br />
81.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep te beantwoorden als volgt:<br />
„1)      Artikel 7, lid 1, en artikel 3, onder b), i), van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in onderlinge samenhang en in samenhang met artikel 1, onder c), en artikel 2 van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat personen die krachtens de wetgeving van een lidstaat een pensioen ontvangen en krachtens artikel 24 van de verordening recht hebben op door de woonstaat voor rekening van eerstgenoemde lidstaat verleende verstrekkingen, zonder dat zij over een wettelijke ziektekostenverzekering in die lidstaat beschikken, zich als ‚verzekerden’ in de zin van voornoemde bepalingen kunnen beroepen op de richtlijn voor een vergoeding van de kosten van grensoverschrijdende gezondheidszorg die zij hebben ontvangen in een derde lidstaat.<br />
2)      Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding die de terugbetaling door het bevoegde orgaan van de kosten voor in een andere lidstaat verleende ziekenhuiszorg of intensieve extramurale zorg automatisch uitsluit indien geen voorafgaande toestemming is verkregen, zelfs in specifieke situaties waarin de verzekerde wegens zijn gezondheidstoestand of omdat hij dringend in een ziekenhuis moest worden opgenomen, geen toestemming heeft kunnen vragen of het antwoord van het bevoegde orgaan niet heeft kunnen afwachten, ook al zijn de voorwaarden voor vergoeding voor het overige vervuld.”</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-5061</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 29 Oct 2020 21:54:28 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-5061</guid>

					<description><![CDATA[ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
29 oktober 2020 (*)
”
In zaak C 243/19,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākās tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 8 maart 2019, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2019, in de procedure
A tegen Veselības ministrija,

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13      De zoon van verzoeker in het hoofdgeding, een minderjarig kind met een aangeboren hartafwijking, moest een openhartoperatie ondergaan.
14      Verzoeker in het hoofdgeding, die is aangesloten bij het Letse gezondheidszorgstelsel, heeft zich ertegen verzet dat tijdens die operatie een bloedtransfusie zou worden verricht, omdat hij een Jehova’s getuige is. Aangezien deze operatie in Letland niet mogelijk was zonder bloedtransfusie, heeft verzoeker in het hoofdgeding de Nacionālais veselības dienests (nationale gezondheidsdienst, Letland; hierna: „gezondheidsdienst”) verzocht om voor zijn zoon een S2 formulier af te geven, op grond waarvan een persoon bepaalde geplande gezondheidszorg kan ontvangen, met name in een andere lidstaat van de Unie dan zijn staat van aansluiting, met het doel dat zijn zoon deze operatie in Polen zou ondergaan. Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de gezondheidsdienst geweigerd om dit formulier af te geven. Bij besluit van 15 juli 2016 heeft het ministerie van Volksgezondheid het besluit van de gezondheidsdienst bevestigd op grond dat de betrokken operatie in Letland kon worden uitgevoerd en dat voor de afgifte van voornoemd formulier alleen de gezondheidstoestand en fysieke beperkingen van een persoon in aanmerking mogen worden genomen.
15      Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) beroep ingesteld teneinde voor zijn zoon een gunstig administratief besluit te verkrijgen waarbij het recht op geplande gezondheidszorg werd erkend. Bij vonnis van 9 november 2016 heeft deze rechter dat beroep verworpen.
16      In hoger beroep heeft de administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij arrest van 10 februari 2017 voornoemd vonnis bevestigd op grond dat voor de afgifte van het S2 formulier aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 310 van verordening nr. 1529 moest worden voldaan. Deze rechterlijke instantie merkte op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische behandeling, die uit de Letse staatsbegroting wordt gefinancierd, weliswaar noodzakelijk was om een onomkeerbare verslechtering van de vitale functies of de gezondheidstoestand van de zoon van verzoeker in het hoofdgeding te voorkomen, maar dat het ziekenhuis ten tijde van het onderzoek van het verzoek om afgifte van een S2 formulier had bevestigd dat deze behandeling in Letland kon worden verleend. Deze rechter meende bovendien dat uit het feit dat verzoeker in het hoofdgeding bovengenoemde bloedtransfusie had geweigerd, niet kon worden afgeleid dat het betrokken ziekenhuis die medische behandeling niet kon verlenen, en is tot de slotsom gekomen dat er niet was voldaan aan een van de voorwaarden voor de afgifte van een S2 formulier.
17      Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat hij wordt gediscrimineerd, aangezien de overgrote meerderheid van de bij het gezondheidszorgstelsel aangesloten personen de betrokken gezondheidszorg kan genieten zonder afstand te hoeven doen van hun geloofsovertuiging. Het ministerie van Volksgezondheid voert van zijn kant aan dat het cassatieberoep ongegrond is omdat de regel van artikel 310 van verordening nr. 1529 dwingend is en de bevoegde autoriteit geen discretionaire bevoegdheid verleent bij de vaststelling van een administratieve handeling. Deze regel moet worden gelezen in samenhang met artikel 312.2 van die verordening, waaruit volgt dat alleen directe medische rechtvaardigingen doorslaggevend zijn. Het ministerie van Volksgezondheid meent dat verzoeker in het hoofdgeding in wezen verzoekt om rekening te houden met criteria waarin de nationale wetgever niet heeft voorzien. Het wijst erop dat de nationale regelgeving redelijke beperkingen stelt, die waarborgen dat de financiële middelen zo rationeel mogelijk worden toegewezen en die het belang van de samenleving als geheel bij de beschikbaarheid van een hoogwaardige gezondheidszorg in Letland beschermen.
18      Op 22 april 2017 heeft de zoon van verzoeker in het hoofdgeding een hartoperatie ondergaan in Polen.
19      De verwijzende rechter vraagt zich af of de Letse gezondheidsdiensten op basis van uitsluitend medische criteria konden weigeren om het S2 formulier af te geven dat de tenlasteneming van deze behandeling toestaat, of dat zij in dat verband ook rekening hadden moeten houden met de geloofsovertuiging van A.
20      Daarop heeft de Augstākās tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)      Moet artikel 20, lid 2, van verordening [nr. 883/2004], in samenhang met artikel 21, lid 1, van het Handvest [...], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde toestemming kan weigeren indien in de woonstaat van de betrokkene een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar waarvan de gebruikte behandelingsmethode niet strookt met de geloofsovertuiging van die persoon?
2)      Moeten artikel 56 [VWEU] en artikel 8, lid 5, van richtlijn [2011/24], in samenhang met artikel 21, lid 1, van het Handvest [...], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bedoelde toestemming kan weigeren indien in de staat van aansluiting van de betrokkene een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar waarvan de gebruikte behandelingsmethode niet strookt met de geloofsovertuiging van die persoon?”
(……………)
Dictum: 
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1)      Artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, gelezen in het licht van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de lidstaat van de woonplaats van de verzekerde weigert om hem de in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde toestemming te verlenen indien in die lidstaat een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar de gebruikte behandelingsmethode indruist tegen de geloofsovertuiging van die verzekerde.
2)      Artikel 8, lid 5 en lid 6, onder d), van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in het licht van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van aansluiting van een patiënt weigert om hem de in artikel 8, lid 1, van die richtlijn bedoelde toestemming te verlenen indien in die lidstaat een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar de gebruikte behandelingsmethode indruist tegen de geloofsovertuiging van die patiënt, tenzij deze weigering objectief wordt gerechtvaardigd door een legitieme doelstelling die verband houdt met het behoud van gezondheidszorgcapaciteit of medische deskundigheid en een passend en noodzakelijk middel vormt om dat doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)<br />
29 oktober 2020 (*)<br />
”<br />
In zaak C 243/19,<br />
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākās tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 8 maart 2019, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2019, in de procedure<br />
A tegen Veselības ministrija,</p>
<p> Hoofdgeding en prejudiciële vragen<br />
13      De zoon van verzoeker in het hoofdgeding, een minderjarig kind met een aangeboren hartafwijking, moest een openhartoperatie ondergaan.<br />
14      Verzoeker in het hoofdgeding, die is aangesloten bij het Letse gezondheidszorgstelsel, heeft zich ertegen verzet dat tijdens die operatie een bloedtransfusie zou worden verricht, omdat hij een Jehova’s getuige is. Aangezien deze operatie in Letland niet mogelijk was zonder bloedtransfusie, heeft verzoeker in het hoofdgeding de Nacionālais veselības dienests (nationale gezondheidsdienst, Letland; hierna: „gezondheidsdienst”) verzocht om voor zijn zoon een S2 formulier af te geven, op grond waarvan een persoon bepaalde geplande gezondheidszorg kan ontvangen, met name in een andere lidstaat van de Unie dan zijn staat van aansluiting, met het doel dat zijn zoon deze operatie in Polen zou ondergaan. Bij besluit van 29 maart 2016 heeft de gezondheidsdienst geweigerd om dit formulier af te geven. Bij besluit van 15 juli 2016 heeft het ministerie van Volksgezondheid het besluit van de gezondheidsdienst bevestigd op grond dat de betrokken operatie in Letland kon worden uitgevoerd en dat voor de afgifte van voornoemd formulier alleen de gezondheidstoestand en fysieke beperkingen van een persoon in aanmerking mogen worden genomen.<br />
15      Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) beroep ingesteld teneinde voor zijn zoon een gunstig administratief besluit te verkrijgen waarbij het recht op geplande gezondheidszorg werd erkend. Bij vonnis van 9 november 2016 heeft deze rechter dat beroep verworpen.<br />
16      In hoger beroep heeft de administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij arrest van 10 februari 2017 voornoemd vonnis bevestigd op grond dat voor de afgifte van het S2 formulier aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 310 van verordening nr. 1529 moest worden voldaan. Deze rechterlijke instantie merkte op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische behandeling, die uit de Letse staatsbegroting wordt gefinancierd, weliswaar noodzakelijk was om een onomkeerbare verslechtering van de vitale functies of de gezondheidstoestand van de zoon van verzoeker in het hoofdgeding te voorkomen, maar dat het ziekenhuis ten tijde van het onderzoek van het verzoek om afgifte van een S2 formulier had bevestigd dat deze behandeling in Letland kon worden verleend. Deze rechter meende bovendien dat uit het feit dat verzoeker in het hoofdgeding bovengenoemde bloedtransfusie had geweigerd, niet kon worden afgeleid dat het betrokken ziekenhuis die medische behandeling niet kon verlenen, en is tot de slotsom gekomen dat er niet was voldaan aan een van de voorwaarden voor de afgifte van een S2 formulier.<br />
17      Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat hij wordt gediscrimineerd, aangezien de overgrote meerderheid van de bij het gezondheidszorgstelsel aangesloten personen de betrokken gezondheidszorg kan genieten zonder afstand te hoeven doen van hun geloofsovertuiging. Het ministerie van Volksgezondheid voert van zijn kant aan dat het cassatieberoep ongegrond is omdat de regel van artikel 310 van verordening nr. 1529 dwingend is en de bevoegde autoriteit geen discretionaire bevoegdheid verleent bij de vaststelling van een administratieve handeling. Deze regel moet worden gelezen in samenhang met artikel 312.2 van die verordening, waaruit volgt dat alleen directe medische rechtvaardigingen doorslaggevend zijn. Het ministerie van Volksgezondheid meent dat verzoeker in het hoofdgeding in wezen verzoekt om rekening te houden met criteria waarin de nationale wetgever niet heeft voorzien. Het wijst erop dat de nationale regelgeving redelijke beperkingen stelt, die waarborgen dat de financiële middelen zo rationeel mogelijk worden toegewezen en die het belang van de samenleving als geheel bij de beschikbaarheid van een hoogwaardige gezondheidszorg in Letland beschermen.<br />
18      Op 22 april 2017 heeft de zoon van verzoeker in het hoofdgeding een hartoperatie ondergaan in Polen.<br />
19      De verwijzende rechter vraagt zich af of de Letse gezondheidsdiensten op basis van uitsluitend medische criteria konden weigeren om het S2 formulier af te geven dat de tenlasteneming van deze behandeling toestaat, of dat zij in dat verband ook rekening hadden moeten houden met de geloofsovertuiging van A.<br />
20      Daarop heeft de Augstākās tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:<br />
„1)      Moet artikel 20, lid 2, van verordening [nr. 883/2004], in samenhang met artikel 21, lid 1, van het Handvest [&#8230;], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde toestemming kan weigeren indien in de woonstaat van de betrokkene een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar waarvan de gebruikte behandelingsmethode niet strookt met de geloofsovertuiging van die persoon?<br />
2)      Moeten artikel 56 [VWEU] en artikel 8, lid 5, van richtlijn [2011/24], in samenhang met artikel 21, lid 1, van het Handvest [&#8230;], aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de in artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bedoelde toestemming kan weigeren indien in de staat van aansluiting van de betrokkene een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar waarvan de gebruikte behandelingsmethode niet strookt met de geloofsovertuiging van die persoon?”<br />
(……………)<br />
Dictum:<br />
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:<br />
1)      Artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, gelezen in het licht van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de lidstaat van de woonplaats van de verzekerde weigert om hem de in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde toestemming te verlenen indien in die lidstaat een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar de gebruikte behandelingsmethode indruist tegen de geloofsovertuiging van die verzekerde.<br />
2)      Artikel 8, lid 5 en lid 6, onder d), van richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, gelezen in het licht van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van aansluiting van een patiënt weigert om hem de in artikel 8, lid 1, van die richtlijn bedoelde toestemming te verlenen indien in die lidstaat een ziekenhuisbehandeling beschikbaar is waarvan de medische doeltreffendheid niet in twijfel wordt getrokken, maar de gebruikte behandelingsmethode indruist tegen de geloofsovertuiging van die patiënt, tenzij deze weigering objectief wordt gerechtvaardigd door een legitieme doelstelling die verband houdt met het behoud van gezondheidszorgcapaciteit of medische deskundigheid en een passend en noodzakelijk middel vormt om dat doel te bereiken, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Rudi Holzhauer		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-3683</link>

		<dc:creator><![CDATA[Rudi Holzhauer]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 11 Mar 2020 18:50:47 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-3683</guid>

					<description><![CDATA[Ik vond dit in het zgn. Expertise centrum Europees recht. Misschien goed als link?
&lt;a href=&quot;https://ecer.minbuza.nl/c-636/19-cak&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://ecer.minbuza.nl/c-636/19-cak&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Ik vond dit in het zgn. Expertise centrum Europees recht. Misschien goed als link?<br />
<a href="https://ecer.minbuza.nl/c-636/19-cak" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://ecer.minbuza.nl/c-636/19-cak</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-3616</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 28 Feb 2020 13:06:55 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-3616</guid>

					<description><![CDATA[Bij het EHvJ staat dit bekend onder nummer C-636/19]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Bij het EHvJ staat dit bekend onder nummer C-636/19</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-3613</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 27 Feb 2020 14:10:37 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-3613</guid>

					<description><![CDATA[EN E-004195/2019 Answer given by Ms Kyriakides on behalf of the European Commission (27.2.2020) 

1.	The Commission refers the Honourable Member to its reply to the Parliament resolution of 12 February 2019   and its triennial report on the implementation of the Directive 2011/24/EU . These confirm that the Commission is concerned that challenges remain for patients to benefit from their rights to seek treatment in another Member State. The Commission will therefore continue its structured dialogues with Member States as a matter of priority in particular as regards the use of prior authorisation and simplification of reimbursement conditions. The Commission also can decide to launch infringement procedures against those Member States that fail to comply with the Directive’s provisions. However, the application of the Directive’s provisions in individual cases is a matter for national courts with the possibility and the obligation if they decide in the last instance to request the Court of Justice in the European Union for a preliminary ruling .

2.	The Commission will continue to monitor compliance with the Directive and the application of national measures to ensure patient rights to cross-border healthcare. The next triennial report on the implementation of the Directive is due by October 2021. Furthermore, the Commission will carry out an evaluation of the Directive’s performance by the end of 2023. The Commission will consider whether further steps are necessary on the basis of the results of this evaluation.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>EN E-004195/2019 Answer given by Ms Kyriakides on behalf of the European Commission (27.2.2020) </p>
<p>1.	The Commission refers the Honourable Member to its reply to the Parliament resolution of 12 February 2019   and its triennial report on the implementation of the Directive 2011/24/EU . These confirm that the Commission is concerned that challenges remain for patients to benefit from their rights to seek treatment in another Member State. The Commission will therefore continue its structured dialogues with Member States as a matter of priority in particular as regards the use of prior authorisation and simplification of reimbursement conditions. The Commission also can decide to launch infringement procedures against those Member States that fail to comply with the Directive’s provisions. However, the application of the Directive’s provisions in individual cases is a matter for national courts with the possibility and the obligation if they decide in the last instance to request the Court of Justice in the European Union for a preliminary ruling .</p>
<p>2.	The Commission will continue to monitor compliance with the Directive and the application of national measures to ensure patient rights to cross-border healthcare. The next triennial report on the implementation of the Directive is due by October 2021. Furthermore, the Commission will carry out an evaluation of the Directive’s performance by the end of 2023. The Commission will consider whether further steps are necessary on the basis of the results of this evaluation.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/08/26/patientenrichtlijn-van-toepassing-op-verdragsgerechtigden-prejudiciele-vragen-crvb/#comment-3371</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 20 Dec 2019 10:13:24 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7092#comment-3371</guid>

					<description><![CDATA[zie deze vraag van EP lid Sokol:
 Question for written answer E-004195/2019
to the Commission
Rule 138
Tomislav Sokol
Subject:	Improving the cross-border healthcare system in the European Union
The Cross-Border Healthcare Directive (2011/24/EU) sets out the conditions under which a patient may travel to another EU Member State to receive medical care and reimbursement. It covers healthcare costs, as well as the prescription and delivery of medications and medical devices.
However, as stated in Parliament’s resolution of 12 February 2019 on the implementation of the Cross-Border Healthcare Directive   , the European Court of Auditors Special Report entitled ‘EU actions for cross-border healthcare: significant ambitions but improved management required’, CJEU cases and other relevant research and reports, patients still encounter obstacles when dealing with the cross-border health system in the EU. There is still considerable room for improving the provision of cross-border healthcare and the free movement of patients and for simplifying the reimbursement procedures in several Member States.
1	How will the Commission address the issue of the reluctance of national competent authorities to implement the provisions of Directive 2011/24/EU (and especially the issue of arbitrary or unjustified decisions of refusal to grant prior authorisation to individuals)?
2	Considering the challenges that patients face in accessing cross-border healthcare, does the Commission intend to revise Directive 2011/24/EU or the implementation of its provisions in order to further enforce patient rights?]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>zie deze vraag van EP lid Sokol:<br />
 Question for written answer E-004195/2019<br />
to the Commission<br />
Rule 138<br />
Tomislav Sokol<br />
Subject:	Improving the cross-border healthcare system in the European Union<br />
The Cross-Border Healthcare Directive (2011/24/EU) sets out the conditions under which a patient may travel to another EU Member State to receive medical care and reimbursement. It covers healthcare costs, as well as the prescription and delivery of medications and medical devices.<br />
However, as stated in Parliament’s resolution of 12 February 2019 on the implementation of the Cross-Border Healthcare Directive   , the European Court of Auditors Special Report entitled ‘EU actions for cross-border healthcare: significant ambitions but improved management required’, CJEU cases and other relevant research and reports, patients still encounter obstacles when dealing with the cross-border health system in the EU. There is still considerable room for improving the provision of cross-border healthcare and the free movement of patients and for simplifying the reimbursement procedures in several Member States.<br />
1	How will the Commission address the issue of the reluctance of national competent authorities to implement the provisions of Directive 2011/24/EU (and especially the issue of arbitrary or unjustified decisions of refusal to grant prior authorisation to individuals)?<br />
2	Considering the challenges that patients face in accessing cross-border healthcare, does the Commission intend to revise Directive 2011/24/EU or the implementation of its provisions in order to further enforce patient rights?</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
