<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Voorstel voor andere heffing op box 3 inkomen door Nederlands kabinet	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Wed, 05 Jun 2024 13:02:04 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3656</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 06 Mar 2020 11:01:00 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3656</guid>

					<description><![CDATA[Onder de nieuwe box 3 vanaf 2022 kunnen schenkingen onder schuldigerkenning nog steeds een interessant estate planningsinstrument zijn. Het is echter niet meer voor iedereen even zinvol een schenking onder schuldigerkenning te doen.
Lees verder op: 
 &lt;a href=&quot;https://www.taxence.nl/nieuws/fiscaal-nieuws/schuldigerkenningen-en-de-nieuwe-box-3/&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.taxence.nl/nieuws/fiscaal-nieuws/schuldigerkenningen-en-de-nieuwe-box-3/&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Onder de nieuwe box 3 vanaf 2022 kunnen schenkingen onder schuldigerkenning nog steeds een interessant estate planningsinstrument zijn. Het is echter niet meer voor iedereen even zinvol een schenking onder schuldigerkenning te doen.<br />
Lees verder op:<br />
 <a href="https://www.taxence.nl/nieuws/fiscaal-nieuws/schuldigerkenningen-en-de-nieuwe-box-3/" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.taxence.nl/nieuws/fiscaal-nieuws/schuldigerkenningen-en-de-nieuwe-box-3/</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Hans Carstens		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3643</link>

		<dc:creator><![CDATA[Hans Carstens]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 04 Mar 2020 17:53:26 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3643</guid>

					<description><![CDATA[Gezien de huidige discussie over de herziening van de pensioenvoorzieningen, met name over het afschaffen van de  (beruchte) &quot;rekenrente&quot; en de afweging dat dit zou kunnen leiden tot een verhoogd risico op dalingen van de pensioenen, lijkt het mij zinvol de toekomstige gepensioneerden toe te staan een &quot;eigen pensioenpot&quot; op te bouwen, naast het pensioenfonds van een werkgever. 
Zonder dat er en verzekeraar tussen zit met alle winstafromingseffecten, beheers- en beleggings-kosten van dien, indien gewenst. 

Box-3 is daarvoor het aangewezen instument voor een (aanvullende) pensioenopbouw onder de eigen verantwoordelijkheid van de spaarder en dan wel : 
 &#062;&#062;  Zonder dat er sprake is van enigerlei vorm van een belastingheffing op Box-3. &#060;&#060;  
( Wellicht met een bovenlimiet van 1,5 miljoen Euro.)
   
Daarmee zou in 1 klap een geweldig groot punt van frustratie uit de samenleving worden weggenomen.
En daarnaast een grote hoeveelheid werk en dus kosten worden bespaard bij de overheid,  met name bij de zo overbelaste belastingdienst. 
Plus een vereenvoudigde wetgeving &#038; van daaruit een vermindering van kosten voor de rechtsgangen te dien aangaande (EU Hof, Hoge Raad, CRvB, Rechtbanken). 
   
Een brede kosten-baten analyse zou hier op kunnen worden toegepast.
Die analyse kan dan worden meegenomen in de lopende discusssie over de pensioenafspraken tussen overheid, werknemers en werkgevers en ZZP&#039;s.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Gezien de huidige discussie over de herziening van de pensioenvoorzieningen, met name over het afschaffen van de  (beruchte) &#8220;rekenrente&#8221; en de afweging dat dit zou kunnen leiden tot een verhoogd risico op dalingen van de pensioenen, lijkt het mij zinvol de toekomstige gepensioneerden toe te staan een &#8220;eigen pensioenpot&#8221; op te bouwen, naast het pensioenfonds van een werkgever.<br />
Zonder dat er en verzekeraar tussen zit met alle winstafromingseffecten, beheers- en beleggings-kosten van dien, indien gewenst. </p>
<p>Box-3 is daarvoor het aangewezen instument voor een (aanvullende) pensioenopbouw onder de eigen verantwoordelijkheid van de spaarder en dan wel :<br />
 &gt;&gt;  Zonder dat er sprake is van enigerlei vorm van een belastingheffing op Box-3. &lt;&lt;<br />
( Wellicht met een bovenlimiet van 1,5 miljoen Euro.)</p>
<p>Daarmee zou in 1 klap een geweldig groot punt van frustratie uit de samenleving worden weggenomen.<br />
En daarnaast een grote hoeveelheid werk en dus kosten worden bespaard bij de overheid,  met name bij de zo overbelaste belastingdienst.<br />
Plus een vereenvoudigde wetgeving &amp; van daaruit een vermindering van kosten voor de rechtsgangen te dien aangaande (EU Hof, Hoge Raad, CRvB, Rechtbanken). </p>
<p>Een brede kosten-baten analyse zou hier op kunnen worden toegepast.<br />
Die analyse kan dan worden meegenomen in de lopende discusssie over de pensioenafspraken tussen overheid, werknemers en werkgevers en ZZP&#039;s.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3636</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 04 Mar 2020 10:50:46 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3636</guid>

					<description><![CDATA[Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 
Geachte voorzitter, 
 
Medio vorige week is een fout ontdekt in de berekening van de forfaitaire rendementen van box 3 zoals die zijn vastgesteld door het Ministerie van Financiën. Deze ontdekking is gedaan mede naar aanleiding van een mediavraag. Door deze fout zijn de forfaitaire rendementen voor sparen en beleggen voor de jaren 2019 en 2020 onjuist in de wet opgenomen. De Belastingdienst heeft de percentages gebruikt bij de berekening van de voorlopige aanslagen 2019 en 2020 en in de systemen voor het opleggen van de aanslagen 2019. Hoewel de gevolgen van de onjuiste forfaitaire rendementen voor belastingplichtigen zeer beperkt zijn hecht ik eraan uw Kamer hierover te informeren.
Forfaitaire rendementen Voor 2019 is het forfaitaire rendement op beleggen 0,01%-punt te hoog vastgesteld. Voor 2020 is het forfaitaire rendement op beleggen 0,05%-punt te hoog vastgesteld en het forfaitaire rendement op sparen 0,01%-punt te laag vastgesteld. 
Voor 2019 is het forfaitaire rendement op beleggen vastgesteld op 5,60% waar het 5,59% had moeten zijn. In 2020 is het forfaitaire rendement op beleggen op 5,33% vastgesteld waar het 5,28% had moet zijn. Het forfaitaire rendement op sparen is in 2019 goed vastgesteld, maar in 2020 op 0,06% waar het 0,07% had moeten zijn. 
 De forfaitaire rendementen over de jaren 2017 en 2018 zijn correct en blijven derhalve ongewijzigd. In de bijlage zijn voor de jaren 2019 en 2020 deze juiste rendementspercentages vermeld en is toegelicht hoe deze zijn berekend. 
 Herstel van de percentages voor de definitieve aanslag over 2019 en 2020 Voor zowel 2019 als 2020 zullen alsnog de juiste rendementspercentages in de Wet inkomstenbelasting 2001 worden opgenomen door middel van een ministeriële regeling.1 Deze regeling zal zo snel mogelijk worden vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant en zal deels terugwerken tot en met 1 januari 2019 en deels tot en met 1 januari 2020. De Belastingdienst zal de aangifteprogramma’s voor de aangiftes die nu worden gedaan voor het jaar 2019 op korte termijn aanpassen. Tot die tijd zullen mensen die aangifte doen in eerste instantie nog de onjuiste rendementspercentages zien. Bij de definitieve aanslag 2019 zullen de correcte percentages worden toegepast. Ook de definitieve aanslagen 2020 zullen op basis van de correcte rendementspercentages worden opgelegd.  
Verrekening van de correctie In vrijwel alle gevallen waarin de definitieve aanslag nog moet worden vastgesteld zal de correctie tot de juiste afrekening leiden. In een beperkt aantal gevallen waarin een belastingplichtige gedurende het belastingjaar al een voorlopige teruggaaf heeft ontvangen en een aanvullende teruggaaf uitsluitend het gevolg is van de correctie van de forfaitaire rendementen, is de teruggaafgrens van € 15 van toepassing. Onder dit bedrag wordt een teruggaaf niet uitbetaald. Dit gaat waarschijnlijk om slechts een klein aantal gevallen, omdat inkomens, aftrekposten, vermogen etc. bij de definitieve aanslag vaak net iets anders blijken dan vooraf ingeschat. Op dit moment wordt onderzocht om hoeveel gevallen het naar verwachting ongeveer zou gaan en om welke bedragen. Mede op basis hiervan wordt bekeken of teruggave hiervan operationeel uitvoerbaar is op een proportionele wijze. Ik zal u hierover informeren zodra deze informatie beschikbaar is.   Hoogachtend, 
 
de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst,  A. Vijlbrief]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal<br />
Geachte voorzitter, </p>
<p>Medio vorige week is een fout ontdekt in de berekening van de forfaitaire rendementen van box 3 zoals die zijn vastgesteld door het Ministerie van Financiën. Deze ontdekking is gedaan mede naar aanleiding van een mediavraag. Door deze fout zijn de forfaitaire rendementen voor sparen en beleggen voor de jaren 2019 en 2020 onjuist in de wet opgenomen. De Belastingdienst heeft de percentages gebruikt bij de berekening van de voorlopige aanslagen 2019 en 2020 en in de systemen voor het opleggen van de aanslagen 2019. Hoewel de gevolgen van de onjuiste forfaitaire rendementen voor belastingplichtigen zeer beperkt zijn hecht ik eraan uw Kamer hierover te informeren.<br />
Forfaitaire rendementen Voor 2019 is het forfaitaire rendement op beleggen 0,01%-punt te hoog vastgesteld. Voor 2020 is het forfaitaire rendement op beleggen 0,05%-punt te hoog vastgesteld en het forfaitaire rendement op sparen 0,01%-punt te laag vastgesteld.<br />
Voor 2019 is het forfaitaire rendement op beleggen vastgesteld op 5,60% waar het 5,59% had moeten zijn. In 2020 is het forfaitaire rendement op beleggen op 5,33% vastgesteld waar het 5,28% had moet zijn. Het forfaitaire rendement op sparen is in 2019 goed vastgesteld, maar in 2020 op 0,06% waar het 0,07% had moeten zijn.<br />
 De forfaitaire rendementen over de jaren 2017 en 2018 zijn correct en blijven derhalve ongewijzigd. In de bijlage zijn voor de jaren 2019 en 2020 deze juiste rendementspercentages vermeld en is toegelicht hoe deze zijn berekend.<br />
 Herstel van de percentages voor de definitieve aanslag over 2019 en 2020 Voor zowel 2019 als 2020 zullen alsnog de juiste rendementspercentages in de Wet inkomstenbelasting 2001 worden opgenomen door middel van een ministeriële regeling.1 Deze regeling zal zo snel mogelijk worden vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant en zal deels terugwerken tot en met 1 januari 2019 en deels tot en met 1 januari 2020. De Belastingdienst zal de aangifteprogramma’s voor de aangiftes die nu worden gedaan voor het jaar 2019 op korte termijn aanpassen. Tot die tijd zullen mensen die aangifte doen in eerste instantie nog de onjuiste rendementspercentages zien. Bij de definitieve aanslag 2019 zullen de correcte percentages worden toegepast. Ook de definitieve aanslagen 2020 zullen op basis van de correcte rendementspercentages worden opgelegd.<br />
Verrekening van de correctie In vrijwel alle gevallen waarin de definitieve aanslag nog moet worden vastgesteld zal de correctie tot de juiste afrekening leiden. In een beperkt aantal gevallen waarin een belastingplichtige gedurende het belastingjaar al een voorlopige teruggaaf heeft ontvangen en een aanvullende teruggaaf uitsluitend het gevolg is van de correctie van de forfaitaire rendementen, is de teruggaafgrens van € 15 van toepassing. Onder dit bedrag wordt een teruggaaf niet uitbetaald. Dit gaat waarschijnlijk om slechts een klein aantal gevallen, omdat inkomens, aftrekposten, vermogen etc. bij de definitieve aanslag vaak net iets anders blijken dan vooraf ingeschat. Op dit moment wordt onderzocht om hoeveel gevallen het naar verwachting ongeveer zou gaan en om welke bedragen. Mede op basis hiervan wordt bekeken of teruggave hiervan operationeel uitvoerbaar is op een proportionele wijze. Ik zal u hierover informeren zodra deze informatie beschikbaar is.   Hoogachtend, </p>
<p>de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst,  A. Vijlbrief</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3620</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 01 Mar 2020 06:25:48 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3620</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:PHR:2020:186 
Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 27-02-2020 Datum publicatie 28-02-2020  Zaaknummer 19/03944 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of de vermogensrendementsheffing in strijd is met het recht op eigendom (art. 1 EP EVRM). Het Hof had in deze zaak al rekening gehouden met de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019. Wat zijn de gevolgen van die arresten? Belanghebbende betwist de visie van de Hoge Raad. 
Aan belanghebbende is aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.803. Belanghebbende is hiertegen tevergeefs in bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen. Belanghebbende stelde daarna beroep in cassatie in. Belanghebbende betoogt dat het Hof ten onrechte geen rechtsherstel heeft geboden door de vermogensrendementsheffing als zodanig in strijd met artikel 1 EP EVRM te verklaren en de box 3-aanslag te verminderen naar nihil. Voorts meent belanghebbende dat het Hof bij de beoordeling of in belanghebbendes geval sprake is van een individuele en buitensporige last ten onrechte belanghebbendes gehele financiële situatie in ogenschouw heeft genomen. 
De A-G betoogt dat belanghebbendes klacht dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM faalt, gelet op de arresten van 14 juni 2019. Ter zake van belanghebbendes klacht omtrent de individuele en buitensporige last, merkt de A-G op dat zijns inziens twee aspecten van bijzonder belang zijn. Allereerst gaat hij in op de vraag of de rechter bij de beoordeling of sprake is van de individuele en buitensporige last ook het box 1 en box 2 inkomen in zijn afweging moet betrekken. Volgens de A-G moet deze eerste vraag ontkennend worden beantwoord. De A-G wijst erop dat de wetgever in wettelijke regels heeft bepaald hoe zwaar box 1 en box 2 inkomen dient te worden belast. Als de vermogensrendementsheffing moet worden betaald uit box 1 of box 2-inkomen omdat het rendement op het vermogen tekort schiet, worden deze regels niet in acht genomen. Voorts betoogt de A-G dat deze gang van zaken kan leiden tot ongelijke behandeling van vermogensbezitters. Het tweede aspect waar de A-G op ingaat, betreft de vraag of de omstandigheid dat een belanghebbende verlies uit vermogen lijdt, zou moeten leiden tot het oordeel dat belanghebbende wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Naar het de A-G voorkomt vormt het lijden van verlies op vermogen een individuele en buitensporige last ingeval wordt vastgesteld dat een belastingplichtige in het desbetreffende jaar niet erop kan rekenen gedurende een reeks van jaren met risicomijdende beleggingen het wettelijk forfaitaire rendement te halen. De tweede klacht slaagt. 
Volgt conclusie tot vernietiging en verwijzing. 
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 28-02-2020 
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:PHR:2020:186<br />
Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 27-02-2020 Datum publicatie 28-02-2020  Zaaknummer 19/03944 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken &#8211; Inhoudsindicatie<br />
A-G Niessen heeft conclusie genomen over de vraag of de vermogensrendementsheffing in strijd is met het recht op eigendom (art. 1 EP EVRM). Het Hof had in deze zaak al rekening gehouden met de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019. Wat zijn de gevolgen van die arresten? Belanghebbende betwist de visie van de Hoge Raad.<br />
Aan belanghebbende is aanslag IB/PVV 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.803. Belanghebbende is hiertegen tevergeefs in bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen. Belanghebbende stelde daarna beroep in cassatie in. Belanghebbende betoogt dat het Hof ten onrechte geen rechtsherstel heeft geboden door de vermogensrendementsheffing als zodanig in strijd met artikel 1 EP EVRM te verklaren en de box 3-aanslag te verminderen naar nihil. Voorts meent belanghebbende dat het Hof bij de beoordeling of in belanghebbendes geval sprake is van een individuele en buitensporige last ten onrechte belanghebbendes gehele financiële situatie in ogenschouw heeft genomen.<br />
De A-G betoogt dat belanghebbendes klacht dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM faalt, gelet op de arresten van 14 juni 2019. Ter zake van belanghebbendes klacht omtrent de individuele en buitensporige last, merkt de A-G op dat zijns inziens twee aspecten van bijzonder belang zijn. Allereerst gaat hij in op de vraag of de rechter bij de beoordeling of sprake is van de individuele en buitensporige last ook het box 1 en box 2 inkomen in zijn afweging moet betrekken. Volgens de A-G moet deze eerste vraag ontkennend worden beantwoord. De A-G wijst erop dat de wetgever in wettelijke regels heeft bepaald hoe zwaar box 1 en box 2 inkomen dient te worden belast. Als de vermogensrendementsheffing moet worden betaald uit box 1 of box 2-inkomen omdat het rendement op het vermogen tekort schiet, worden deze regels niet in acht genomen. Voorts betoogt de A-G dat deze gang van zaken kan leiden tot ongelijke behandeling van vermogensbezitters. Het tweede aspect waar de A-G op ingaat, betreft de vraag of de omstandigheid dat een belanghebbende verlies uit vermogen lijdt, zou moeten leiden tot het oordeel dat belanghebbende wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Naar het de A-G voorkomt vormt het lijden van verlies op vermogen een individuele en buitensporige last ingeval wordt vastgesteld dat een belastingplichtige in het desbetreffende jaar niet erop kan rekenen gedurende een reeks van jaren met risicomijdende beleggingen het wettelijk forfaitaire rendement te halen. De tweede klacht slaagt.<br />
Volgt conclusie tot vernietiging en verwijzing.<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 28-02-2020<br />
Conclusie<br />
PROCUREUR-GENERAAL<br />
BIJ DE<br />
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3499</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 25 Jan 2020 13:47:54 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3499</guid>

					<description><![CDATA[Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA  Den Haag
Pagina 1 van 2
Datum 23 januari 2020 Betreft Vermogensrendementsheffing in box 3 (2019Z25634/2019D52996)
 
Geachte voorzitter, 
In vervolg op de brief van voormalig staatssecretaris Snel van 11 november 20191 informeer ik uw Kamer over het advies dat ik heb gevraagd over de gevolgen van de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 over de vermogensrendementsheffing in box 3 (de arresten)2. Daarnaast ga ik in op het onderzoek naar het zonder (veel) risico gemiddeld haalbare rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016. Met deze brief voldoe ik aan uw verzoek van 19 december 2019 naar de stand van zaken van de twee toezeggingen van voormalig staatssecretaris Snel met betrekking tot de vermogensrendementsheffing in box 3. 
 
Drie onafhankelijke juridische deskundigen op het gebied van de toepassing van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zullen mij een gezamenlijk advies uitbrengen, te weten de heren:   prof. mr. T. Barkhuysen, advocaat en partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden;   mr. P. J. van Amersfoort, oud-belastingadviseur bij PwC en oud-raadsheer in de Hoge Raad en   prof. mr. R. Happé, emeritus-hoogleraar belastingrecht, Tilburg University. 
De deskundigen zullen een gezamenlijk oordeel over de gevolgen van de arresten geven en een reflectie op de conclusie van de parlementaire advocaat van 14 oktober 2019. Het gevraagde advies beperkt zich tot de eerste onderzoeksvraag waarover de parlementaire advocaat uw Kamer heeft geadviseerd3 en tot het box 3-stelsel van de jaren 2013 tot en met 2016.
Daarnaast heb ik naar aanleiding van de toezegging van voormalig staatssecretaris Snel in het plenaire debat van 13 november 2019 over het pakket Belastingplan 2020, het CPB gevraagd om, met ondersteuning van DNB, te onderzoeken wat het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016 is.  
 
Het deskundigenadvies en de resultaten van het onderzoek van het CPB zullen voor vrijdag 21 februari 2020 worden uitgebracht. Na ontvangst hiervan ontvangt u nog dit voorjaar het advies en de resultaten met de kabinetsreactie over de gevolgen van de arresten. 
Hoogachtend, 
de minister van Financiën, W.B. Hoekstra]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA  Den Haag<br />
Pagina 1 van 2<br />
Datum 23 januari 2020 Betreft Vermogensrendementsheffing in box 3 (2019Z25634/2019D52996)</p>
<p>Geachte voorzitter,<br />
In vervolg op de brief van voormalig staatssecretaris Snel van 11 november 20191 informeer ik uw Kamer over het advies dat ik heb gevraagd over de gevolgen van de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 over de vermogensrendementsheffing in box 3 (de arresten)2. Daarnaast ga ik in op het onderzoek naar het zonder (veel) risico gemiddeld haalbare rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016. Met deze brief voldoe ik aan uw verzoek van 19 december 2019 naar de stand van zaken van de twee toezeggingen van voormalig staatssecretaris Snel met betrekking tot de vermogensrendementsheffing in box 3. </p>
<p>Drie onafhankelijke juridische deskundigen op het gebied van de toepassing van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zullen mij een gezamenlijk advies uitbrengen, te weten de heren:   prof. mr. T. Barkhuysen, advocaat en partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden;   mr. P. J. van Amersfoort, oud-belastingadviseur bij PwC en oud-raadsheer in de Hoge Raad en   prof. mr. R. Happé, emeritus-hoogleraar belastingrecht, Tilburg University.<br />
De deskundigen zullen een gezamenlijk oordeel over de gevolgen van de arresten geven en een reflectie op de conclusie van de parlementaire advocaat van 14 oktober 2019. Het gevraagde advies beperkt zich tot de eerste onderzoeksvraag waarover de parlementaire advocaat uw Kamer heeft geadviseerd3 en tot het box 3-stelsel van de jaren 2013 tot en met 2016.<br />
Daarnaast heb ik naar aanleiding van de toezegging van voormalig staatssecretaris Snel in het plenaire debat van 13 november 2019 over het pakket Belastingplan 2020, het CPB gevraagd om, met ondersteuning van DNB, te onderzoeken wat het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in box 3 in de jaren 2013 tot en met 2016 is.  </p>
<p>Het deskundigenadvies en de resultaten van het onderzoek van het CPB zullen voor vrijdag 21 februari 2020 worden uitgebracht. Na ontvangst hiervan ontvangt u nog dit voorjaar het advies en de resultaten met de kabinetsreactie over de gevolgen van de arresten.<br />
Hoogachtend,<br />
de minister van Financiën, W.B. Hoekstra</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3291</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 09 Dec 2019 09:27:25 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3291</guid>

					<description><![CDATA[35 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020) 
 Nota naar aanleiding van het verslag
Daaruit:

2.2. Box 3 De leden van de fractie van het CDA verzoeken het kabinet om een reactie op het voorstel van de redactie van VakstudieNieuws (V-N 2019/57.7) om de toezegging te doen dat, mocht een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het kader van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP EVRM) in relatie tot de vermogensrendementsheffing in box 3 op regelniveau (box 3-heffing) tot succes leiden voor de betreffende belastingplichtige, de uitkomst van die procedure ook zal gelden voor anderen, zonder dat deze anderen zelf de weg naar het EHRM hoeven te volgen. Er worden door de Bond voor Belastingbetalers in vervolg op de massaalbezwaarprocedures waarin de Hoge Raad op 14 juni 2019 een arrest heeft gewezen namens een aantal betrokken belastingplichtigen individuele procedures gevoerd bij het EHRM inzake schending 1 van artikel 1 EP EVRM als gevolg van de box 3-heffing in de jaren 2013 en 2014. Een uitspraak van het EHRM is bindend voor de staat ten aanzien van het voorgelegde geval. Een bestuursorgaan of rechter zal in vergelijkbare openstaande en nieuwe zaken bij het nemen van een beslissing rekening moeten houden met de uitspraak van het EHRM. De Hoge Raad heeft in zijn arresten niet geoordeeld dat sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM voor de jaren 2013 en 2014. De belastingplichtigen die tot aan de Hoge Raad hebben geprocedeerd hebben nu de mogelijkheid om de rechtsvraag of in de jaren 2013 en 2014 op regelniveau sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM met betrekking tot de box 3-heffing aan het EHRM voor te leggen. De overige belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen en de klachtenprocedure bij het EHRM willen doorlopen, zouden daartoe (uiteindelijk) ieder ook een individueel verzoekschrift bij het EHRM moeten indienen. Dit vind ik net als de leden van de fractie van het CDA ongewenst. Daarom zeg ik hierbij toe dat indien het EHRM in deze procedures over de jaren 2013 en 2014 op regelniveau een schending van artikel 1 EP EVRM vaststelt en in die procedures een financiële genoegdoening voor de jaren 2013 en 2014 toekent aan de indieners van de klacht, deze overeenkomstig wordt toegekend aan de belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure uit de aanwijzing vallen2, ervan uitgaande dat het EHRM voor hen eveneens een dergelijke schending zou hebben vastgesteld en aan hen een financiële genoegdoening zou hebben toegekend.  
 Zie: &lt;a href=&quot;https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/06/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag-belastingplan-2020&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/06/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag-belastingplan-2020&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>35 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020)<br />
 Nota naar aanleiding van het verslag<br />
Daaruit:</p>
<p>2.2. Box 3 De leden van de fractie van het CDA verzoeken het kabinet om een reactie op het voorstel van de redactie van VakstudieNieuws (V-N 2019/57.7) om de toezegging te doen dat, mocht een procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het kader van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP EVRM) in relatie tot de vermogensrendementsheffing in box 3 op regelniveau (box 3-heffing) tot succes leiden voor de betreffende belastingplichtige, de uitkomst van die procedure ook zal gelden voor anderen, zonder dat deze anderen zelf de weg naar het EHRM hoeven te volgen. Er worden door de Bond voor Belastingbetalers in vervolg op de massaalbezwaarprocedures waarin de Hoge Raad op 14 juni 2019 een arrest heeft gewezen namens een aantal betrokken belastingplichtigen individuele procedures gevoerd bij het EHRM inzake schending 1 van artikel 1 EP EVRM als gevolg van de box 3-heffing in de jaren 2013 en 2014. Een uitspraak van het EHRM is bindend voor de staat ten aanzien van het voorgelegde geval. Een bestuursorgaan of rechter zal in vergelijkbare openstaande en nieuwe zaken bij het nemen van een beslissing rekening moeten houden met de uitspraak van het EHRM. De Hoge Raad heeft in zijn arresten niet geoordeeld dat sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM voor de jaren 2013 en 2014. De belastingplichtigen die tot aan de Hoge Raad hebben geprocedeerd hebben nu de mogelijkheid om de rechtsvraag of in de jaren 2013 en 2014 op regelniveau sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM met betrekking tot de box 3-heffing aan het EHRM voor te leggen. De overige belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen en de klachtenprocedure bij het EHRM willen doorlopen, zouden daartoe (uiteindelijk) ieder ook een individueel verzoekschrift bij het EHRM moeten indienen. Dit vind ik net als de leden van de fractie van het CDA ongewenst. Daarom zeg ik hierbij toe dat indien het EHRM in deze procedures over de jaren 2013 en 2014 op regelniveau een schending van artikel 1 EP EVRM vaststelt en in die procedures een financiële genoegdoening voor de jaren 2013 en 2014 toekent aan de indieners van de klacht, deze overeenkomstig wordt toegekend aan de belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure uit de aanwijzing vallen2, ervan uitgaande dat het EHRM voor hen eveneens een dergelijke schending zou hebben vastgesteld en aan hen een financiële genoegdoening zou hebben toegekend.<br />
 Zie: <a href="https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/06/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag-belastingplan-2020" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/06/nota-naar-aanleiding-van-het-verslag-belastingplan-2020</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3044</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 28 Oct 2019 12:30:24 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3044</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-2993&quot;&gt;Jan de Voogd&lt;/a&gt;.

Zie: &lt;a href=&quot;https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/nob-commentaar_-_aanpassing_box_3.pdf&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/nob-commentaar_-_aanpassing_box_3.pdf&lt;/a&gt;

 De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen
 
Aan de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 
 Amsterdam, 25 oktober 2019 
 
Betreft: NOB-commentaar n.a.v. antwoorden op de vragen gesteld in het kader van een schriftelijk overleg over de brieven van 12 juli 2019 met de reactie op de motie van de leden Leijten en Lodders over letselschadevergoedingen (Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 55) (herziene brief) en van 6 september 2019 over aanpassing box 3 (Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 74) 
 
3. Conclusie 
De staatssecretaris heeft aangegeven dat het belangrijkste obstakel voor het snel invoeren van een aanpassing van de box 3-regelgeving wordt veroorzaakt door de aanpassingen die moeten worden gedaan aan de IT-systemen die de VA’s verzorgen. De Orde heeft een aantal pragmatische ‘work arounds’ aangedragen, waardoor deze problemen kunnen worden opgelost. Daardoor zou het mogelijk moeten zijn om al met ingang van 2020 voor met name spaarders in box 3 aanzienlijke verbeteringen door te voeren die veel van de thans ervaren onrechtvaardigheid beëindigt. Dit kan worden gezien als een eerste stap op weg naar de langetermijnoplossing waar het kabinet naar toewerkt. De quick fix die de staatssecretaris op 6 september 2019 heeft gepresenteerd, wordt daarmee de tweede stap op weg naar deze langetermijnoplossing. Deze eerste stap kan er mogelijk ook toe leiden dat de tweede stap niet langer nodig is, indien deze stap voldoende effectief is om de thans bestaande onrechtvaardigheid te elimineren. Het opgeven van budgetneutraliteit als randvoorwaarde, kan hierbij in belangrijke mate helpen. Hiervoor valt zeker wat te zeggen, gelet op het feit dat de overheid van veel belastingplichtigen gedurende een reeks van jaren ruim te veel box 3-belasting heeft geheven. Het is echter aan het kabinet en uw Kamer om hier een politiek besluit over te nemen.  
 Uiteraard is de Orde graag bereid het bovenstaande nader toe te lichten. Een afschrift van deze brief is heden verzonden aan de staatssecretaris van Financiën. 
 Hoogachtend, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-2993">Jan de Voogd</a>.</p>
<p>Zie: <a href="https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/nob-commentaar_-_aanpassing_box_3.pdf" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/nob-commentaar_-_aanpassing_box_3.pdf</a></p>
<p> De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen</p>
<p>Aan de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal<br />
 Amsterdam, 25 oktober 2019 </p>
<p>Betreft: NOB-commentaar n.a.v. antwoorden op de vragen gesteld in het kader van een schriftelijk overleg over de brieven van 12 juli 2019 met de reactie op de motie van de leden Leijten en Lodders over letselschadevergoedingen (Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 55) (herziene brief) en van 6 september 2019 over aanpassing box 3 (Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 74) </p>
<p>3. Conclusie<br />
De staatssecretaris heeft aangegeven dat het belangrijkste obstakel voor het snel invoeren van een aanpassing van de box 3-regelgeving wordt veroorzaakt door de aanpassingen die moeten worden gedaan aan de IT-systemen die de VA’s verzorgen. De Orde heeft een aantal pragmatische ‘work arounds’ aangedragen, waardoor deze problemen kunnen worden opgelost. Daardoor zou het mogelijk moeten zijn om al met ingang van 2020 voor met name spaarders in box 3 aanzienlijke verbeteringen door te voeren die veel van de thans ervaren onrechtvaardigheid beëindigt. Dit kan worden gezien als een eerste stap op weg naar de langetermijnoplossing waar het kabinet naar toewerkt. De quick fix die de staatssecretaris op 6 september 2019 heeft gepresenteerd, wordt daarmee de tweede stap op weg naar deze langetermijnoplossing. Deze eerste stap kan er mogelijk ook toe leiden dat de tweede stap niet langer nodig is, indien deze stap voldoende effectief is om de thans bestaande onrechtvaardigheid te elimineren. Het opgeven van budgetneutraliteit als randvoorwaarde, kan hierbij in belangrijke mate helpen. Hiervoor valt zeker wat te zeggen, gelet op het feit dat de overheid van veel belastingplichtigen gedurende een reeks van jaren ruim te veel box 3-belasting heeft geheven. Het is echter aan het kabinet en uw Kamer om hier een politiek besluit over te nemen.<br />
 Uiteraard is de Orde graag bereid het bovenstaande nader toe te lichten. Een afschrift van deze brief is heden verzonden aan de staatssecretaris van Financiën.<br />
 Hoogachtend, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Hans Carstens		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-3003</link>

		<dc:creator><![CDATA[Hans Carstens]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 22 Oct 2019 13:53:17 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-3003</guid>

					<description><![CDATA[Het is een blijft een vreemd spel, Box 3.
1. Wanneer men al IB/LH betaalt over inkomsten geeft het geen pas die opnieuw te belasten, in welke vorm dan ook. 
(fameus bodje op en haringkar : 
  &quot;Wilt U S.V.P. De Afgehapte Haring Niet Ten Tweede Male In Den Uien Deponeren.&quot;).
2. Wanneer er van nieuwe inkomsten uit arbeid sprake is die NIET voorheen zijn belast, dan geeft het  dus wel pas die te belasten.
3. Wanneer vermogenswinsten kunnen worden belast, moet het (wederzijdse Fair Play) ook mogelijk zijn vermogensverliezen eveneens, dus negatief, te belasten.
Dat kan met een sluitende boekhouding worden aangetoond.
  
Dat de M.v.Fin. geen risico wil lopen (2008 Lehmann Brothers crash), maar in deze alleen naar zichzelf toe rekent, moge duidelijk zijn. 
Vandaar de uitvinding van heffingen via/in Box-3 om via deze weg alleen maar de voor en vanuit diens positie geziene, aanslaanbare gelden te belasten, de positieve inkomsten. D.w.z. zonder enige vorm van compensatie van vermogensverliezen.
Dat is dus een eenrichtingsverkeer situatie, geen wederzijds Fair Play.  
  
Analoog aan de jaarlijkse belastingaanslag op de geschatte waarde van een woonhuis.
Die gaat wel razendsnel omhoog, maar zelden omlaag (aardbevingen etc.).]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het is een blijft een vreemd spel, Box 3.<br />
1. Wanneer men al IB/LH betaalt over inkomsten geeft het geen pas die opnieuw te belasten, in welke vorm dan ook.<br />
(fameus bodje op en haringkar :<br />
  &#8220;Wilt U S.V.P. De Afgehapte Haring Niet Ten Tweede Male In Den Uien Deponeren.&#8221;).<br />
2. Wanneer er van nieuwe inkomsten uit arbeid sprake is die NIET voorheen zijn belast, dan geeft het  dus wel pas die te belasten.<br />
3. Wanneer vermogenswinsten kunnen worden belast, moet het (wederzijdse Fair Play) ook mogelijk zijn vermogensverliezen eveneens, dus negatief, te belasten.<br />
Dat kan met een sluitende boekhouding worden aangetoond.</p>
<p>Dat de M.v.Fin. geen risico wil lopen (2008 Lehmann Brothers crash), maar in deze alleen naar zichzelf toe rekent, moge duidelijk zijn.<br />
Vandaar de uitvinding van heffingen via/in Box-3 om via deze weg alleen maar de voor en vanuit diens positie geziene, aanslaanbare gelden te belasten, de positieve inkomsten. D.w.z. zonder enige vorm van compensatie van vermogensverliezen.<br />
Dat is dus een eenrichtingsverkeer situatie, geen wederzijds Fair Play.  </p>
<p>Analoog aan de jaarlijkse belastingaanslag op de geschatte waarde van een woonhuis.<br />
Die gaat wel razendsnel omhoog, maar zelden omlaag (aardbevingen etc.).</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-2993</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 21 Oct 2019 09:51:02 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-2993</guid>

					<description><![CDATA[zie dit commentaar van de NOB op de plannen:
 &lt;a href=&quot;https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/190927_-_nob-commentaar_-_kamerbrief_aanpassing_box_3ev_plus_aanpassingen_cov.pdf&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/190927_-_nob-commentaar_-_kamerbrief_aanpassing_box_3ev_plus_aanpassingen_cov.pdf&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>zie dit commentaar van de NOB op de plannen:<br />
 <a href="https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/190927_-_nob-commentaar_-_kamerbrief_aanpassing_box_3ev_plus_aanpassingen_cov.pdf" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.nob.net/sites/default/files/content/article/uploads/190927_-_nob-commentaar_-_kamerbrief_aanpassing_box_3ev_plus_aanpassingen_cov.pdf</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2019/09/09/voorstel-voor-andere-heffing-op-box-3-inkomen-door-nederlands-kabinet/#comment-2991</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 21 Oct 2019 09:34:15 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=7124#comment-2991</guid>

					<description><![CDATA[Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66 
 
De leden van de fractie van D66 vragen om een overzicht van de gevolgen van dit voorstel voor een aantal voorbeeldhuishoudens voor wie de effecten het grootst kunnen zijn, waaronder belastingplichtigen die nu nog net onder het heffingvrije vermogen vallen en hun vermogen enkel hebben belegd of in de vorm van contant geld of staatsobligaties aanhouden. Tevens vragen zij naar een inschatting hoe groot deze groepen zijn. In de hierna opgenomen tabel 4 is voor een aantal voorbeeldhuishoudens een vergelijking gemaakt van de huidige situatie en het voorgestelde stelsel. Voor de rendementspercentages is het jaar 2020 gebruikt (forfaitair sparen 0,09%, forfaitair beleggen 5,33%). Voor schulden is het in de brief genoemde forfaitaire percentage van de hypotheekrente gebruikt van 3,03%. Voor het huidige stelsel is gerekend met de schijfgrensovergangen van 2016 bij een vermogen van € 100.000 en € 1 miljoen en een heffingvrij vermogen van € 30.000. 11 Voor het voorgestelde stelsel is per fiscale partner de drempel voor de bezittingen gesteld op € 30.000 en het heffingvrije inkomen op € 400. Voor het belastingtarief in het nieuwe stelsel is uitgegaan van 33%. Bij deze parameters is naar de huidige inzichten de opbrengst van het nieuwe stelsel ex post, dus inclusief gedragseffecten, ongeveer gelijk aan de huidige opbrengst. In tabel 4 wordt onderscheid gemaakt naar belastingplichtigen die volgens het nieuwe stelsel geen box 3-heffing meer verschuldigd zijn (groep 1), belastingplichtigen die nog wel belasting verschuldigd zijn, maar geen schulden in hun grondslag hebben (groep 2), belastingplichtigen die nu box 3-heffing betalen en ook schulden opgeven (groep 3) en belastingplichtigen met schulden die nu geen box 3heffing betalen en in het nieuwe stelsel ook niet (groep 4) respectievelijk wel gaan betalen (groep 5).  De tabel bevat telkens een belastingplichtige met een vermogen van € 60.000. Dit vermogen is ongeveer de mediaan van belastingplichtigen in de eerste vermogensschijf. In de tabel worden verschillende combinaties van de verdeling van het vermogen over sparen, beleggen en schulden weergegeven. De meest voorkomende groep is de groep met (vrijwel) uitsluitend spaargeld. Daarnaast zijn verschillende combinaties van sparen en beleggen opgenomen voor een belastingplichtige met een vermogen van € 1 miljoen. Afgezien van de tariefsverhoging wordt bij dat vermogen voor belastingplichtigen zonder schulden het maximale nadeel bereikt van ruim € 4.000 (€ 5.675 inclusief de tariefsverhoging). Dit is het geval als de belastingplichtige uitsluitend belegt. Een belastingplichtige met uitsluitend € 1 miljoen spaargeld heeft een voordeel van € 11.616. Er zijn circa 43.000 belastingplichtigen met een box 3-vermogen van meer dan € 1 miljoen, waarvan circa 700 met uitsluitend spaargeld. 
 
Groep 1: Deze groep bestaat uit circa 1,35 miljoen belastingplichtigen die geen box 3-heffing meer zijn verschuldigd. Het betreft met name belastingplichtigen met alleen spaargeld of overwegend spaargeld. Uit de tabel blijkt dat belastingplichtigen met alleen spaargeld tot een spaarsaldo van € 440.000 geen belasting meer zijn verschuldigd. Als een belastingplichtige een hoog vermogen heeft dat alleen uit spaargeld bestaat loopt het voordeel ook sterk op, omdat in vergelijking met het huidige stelsel het effect dat een deel van het vermogen aan beleggingen wordt toegeschreven wegvalt. Bij een spaarsaldo van € 1 miljoen is het voordeel in het nieuwe stelsel opgelopen tot € 11.616. 
 
Groep 2: Dit is de groep met een combinatie van spaargeld en beleggingen, maar geen schulden, en omvat circa 1,1 miljoen belastingplichtigen. In tabel 4 wordt een paar voorbeelden gegeven van telkens een gelijk vermogen, maar met een verschillende mix tussen sparen en beleggen. Uit de tabel blijkt dat bij een overwegend spaardeel er een voordeel optreedt en dat naarmate het beleggingsdeel toeneemt dit voordeel afneemt en uiteindelijk omslaat in een nadeel. 
 
Groep 3: De groep die naast spaargeld en beleggingen ook schulden heeft, gaat meer betalen. De reden is dat bij de belastingplichtigen in deze groep met een relatief laag vermogen, een hoger inkomen in aanmerking wordt genomen doordat er een hoger forfaitair rendement voor overige bezittingen geldt dan de debetrente op schulden. Voor het merendeel van deze groep van circa 400.000 belastingplichtigen blijft het nadeel beperkt. Uit de tabel blijkt dat bij een vermogen van € 60.000 waarin begrepen is een belegging van € 150.000 met een schuld daartegenover van € 100.000 die belastingplichtige € 1348 meer belasting zal betalen.  Voor een klein deel van deze groep, belastingplichtigen met (zeer) hoge bezittingen in combinatie met (zeer) hoge schulden, kan het nadeel van het nieuwe stelsel echter fors oplopen. Circa 6000 belastingplichtigen van deze groep hebben een box 3-vermogen van meer dan € 1 miljoen. Hun vermogen is gemiddeld € 1,8 miljoen en bestaat uit gemiddeld € 225.000 spaargeld, € 4,5 miljoen beleggingen en € 2,9 miljoen schuld. Zij gaan gemiddeld circa € 25.000 meer box 3-heffing betalen. 
 
Groep 4: Doordat de voorgestelde drempel alleen op de bezittingen ziet, vallen belastingplichtigen die nu als gevolg van schulden onder het huidige heffingvrije vermogen vallen in het nieuwe stelsel wel onder de box 3-heffing. Een groep van circa 100.000 belastingplichtigen heeft wel meer dan € 30.000 bezittingen maar blijft onder het heffingvrije inkomen van € 400 en betaalt ook in de nieuwe situatie geen box 3-heffing. 
 
Groep 5: Er is een groep van circa 112.000 belastingplichtigen die nieuw in de heffing komen doordat hun bezittingen boven € 30.000 liggen maar waarvan het vermogen daaronder lag. Voor het overgrote deel van deze groep is de heffing relatief beperkt. Circa 110.000 belastingplichtigen zullen gemiddeld ruim € 500 belasting verschuldigd zijn. Maar er zijn circa 2000 belastingplichtigen die meer dan € 5.000 gaan betalen. Zij hebben gemiddeld een negatief vermogen van € 500.000, dat bestaat uit circa € 100.000 spaargeld, € 2,9 miljoen beleggingen en € 3,4 miljoen schuld. Zij gaan gemiddeld circa € 15.000 belasting betalen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66 </p>
<p>De leden van de fractie van D66 vragen om een overzicht van de gevolgen van dit voorstel voor een aantal voorbeeldhuishoudens voor wie de effecten het grootst kunnen zijn, waaronder belastingplichtigen die nu nog net onder het heffingvrije vermogen vallen en hun vermogen enkel hebben belegd of in de vorm van contant geld of staatsobligaties aanhouden. Tevens vragen zij naar een inschatting hoe groot deze groepen zijn. In de hierna opgenomen tabel 4 is voor een aantal voorbeeldhuishoudens een vergelijking gemaakt van de huidige situatie en het voorgestelde stelsel. Voor de rendementspercentages is het jaar 2020 gebruikt (forfaitair sparen 0,09%, forfaitair beleggen 5,33%). Voor schulden is het in de brief genoemde forfaitaire percentage van de hypotheekrente gebruikt van 3,03%. Voor het huidige stelsel is gerekend met de schijfgrensovergangen van 2016 bij een vermogen van € 100.000 en € 1 miljoen en een heffingvrij vermogen van € 30.000. 11 Voor het voorgestelde stelsel is per fiscale partner de drempel voor de bezittingen gesteld op € 30.000 en het heffingvrije inkomen op € 400. Voor het belastingtarief in het nieuwe stelsel is uitgegaan van 33%. Bij deze parameters is naar de huidige inzichten de opbrengst van het nieuwe stelsel ex post, dus inclusief gedragseffecten, ongeveer gelijk aan de huidige opbrengst. In tabel 4 wordt onderscheid gemaakt naar belastingplichtigen die volgens het nieuwe stelsel geen box 3-heffing meer verschuldigd zijn (groep 1), belastingplichtigen die nog wel belasting verschuldigd zijn, maar geen schulden in hun grondslag hebben (groep 2), belastingplichtigen die nu box 3-heffing betalen en ook schulden opgeven (groep 3) en belastingplichtigen met schulden die nu geen box 3heffing betalen en in het nieuwe stelsel ook niet (groep 4) respectievelijk wel gaan betalen (groep 5).  De tabel bevat telkens een belastingplichtige met een vermogen van € 60.000. Dit vermogen is ongeveer de mediaan van belastingplichtigen in de eerste vermogensschijf. In de tabel worden verschillende combinaties van de verdeling van het vermogen over sparen, beleggen en schulden weergegeven. De meest voorkomende groep is de groep met (vrijwel) uitsluitend spaargeld. Daarnaast zijn verschillende combinaties van sparen en beleggen opgenomen voor een belastingplichtige met een vermogen van € 1 miljoen. Afgezien van de tariefsverhoging wordt bij dat vermogen voor belastingplichtigen zonder schulden het maximale nadeel bereikt van ruim € 4.000 (€ 5.675 inclusief de tariefsverhoging). Dit is het geval als de belastingplichtige uitsluitend belegt. Een belastingplichtige met uitsluitend € 1 miljoen spaargeld heeft een voordeel van € 11.616. Er zijn circa 43.000 belastingplichtigen met een box 3-vermogen van meer dan € 1 miljoen, waarvan circa 700 met uitsluitend spaargeld. </p>
<p>Groep 1: Deze groep bestaat uit circa 1,35 miljoen belastingplichtigen die geen box 3-heffing meer zijn verschuldigd. Het betreft met name belastingplichtigen met alleen spaargeld of overwegend spaargeld. Uit de tabel blijkt dat belastingplichtigen met alleen spaargeld tot een spaarsaldo van € 440.000 geen belasting meer zijn verschuldigd. Als een belastingplichtige een hoog vermogen heeft dat alleen uit spaargeld bestaat loopt het voordeel ook sterk op, omdat in vergelijking met het huidige stelsel het effect dat een deel van het vermogen aan beleggingen wordt toegeschreven wegvalt. Bij een spaarsaldo van € 1 miljoen is het voordeel in het nieuwe stelsel opgelopen tot € 11.616. </p>
<p>Groep 2: Dit is de groep met een combinatie van spaargeld en beleggingen, maar geen schulden, en omvat circa 1,1 miljoen belastingplichtigen. In tabel 4 wordt een paar voorbeelden gegeven van telkens een gelijk vermogen, maar met een verschillende mix tussen sparen en beleggen. Uit de tabel blijkt dat bij een overwegend spaardeel er een voordeel optreedt en dat naarmate het beleggingsdeel toeneemt dit voordeel afneemt en uiteindelijk omslaat in een nadeel. </p>
<p>Groep 3: De groep die naast spaargeld en beleggingen ook schulden heeft, gaat meer betalen. De reden is dat bij de belastingplichtigen in deze groep met een relatief laag vermogen, een hoger inkomen in aanmerking wordt genomen doordat er een hoger forfaitair rendement voor overige bezittingen geldt dan de debetrente op schulden. Voor het merendeel van deze groep van circa 400.000 belastingplichtigen blijft het nadeel beperkt. Uit de tabel blijkt dat bij een vermogen van € 60.000 waarin begrepen is een belegging van € 150.000 met een schuld daartegenover van € 100.000 die belastingplichtige € 1348 meer belasting zal betalen.  Voor een klein deel van deze groep, belastingplichtigen met (zeer) hoge bezittingen in combinatie met (zeer) hoge schulden, kan het nadeel van het nieuwe stelsel echter fors oplopen. Circa 6000 belastingplichtigen van deze groep hebben een box 3-vermogen van meer dan € 1 miljoen. Hun vermogen is gemiddeld € 1,8 miljoen en bestaat uit gemiddeld € 225.000 spaargeld, € 4,5 miljoen beleggingen en € 2,9 miljoen schuld. Zij gaan gemiddeld circa € 25.000 meer box 3-heffing betalen. </p>
<p>Groep 4: Doordat de voorgestelde drempel alleen op de bezittingen ziet, vallen belastingplichtigen die nu als gevolg van schulden onder het huidige heffingvrije vermogen vallen in het nieuwe stelsel wel onder de box 3-heffing. Een groep van circa 100.000 belastingplichtigen heeft wel meer dan € 30.000 bezittingen maar blijft onder het heffingvrije inkomen van € 400 en betaalt ook in de nieuwe situatie geen box 3-heffing. </p>
<p>Groep 5: Er is een groep van circa 112.000 belastingplichtigen die nieuw in de heffing komen doordat hun bezittingen boven € 30.000 liggen maar waarvan het vermogen daaronder lag. Voor het overgrote deel van deze groep is de heffing relatief beperkt. Circa 110.000 belastingplichtigen zullen gemiddeld ruim € 500 belasting verschuldigd zijn. Maar er zijn circa 2000 belastingplichtigen die meer dan € 5.000 gaan betalen. Zij hebben gemiddeld een negatief vermogen van € 500.000, dat bestaat uit circa € 100.000 spaargeld, € 2,9 miljoen beleggingen en € 3,4 miljoen schuld. Zij gaan gemiddeld circa € 15.000 belasting betalen.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
