<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Regeling Kwalificerende Buitenlandse Belastingplicht (KBB), de uitzonderingsbepaling	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Wed, 22 Nov 2023 10:07:03 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13431</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 22 Nov 2023 10:07:03 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13431</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:GHSHE:2023:2957 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch, 13-09-2023, 22/00904
Datum uitspraak: 3-09-2023
Datum publicatie: 15-11-2023
Formele relaties: Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:1220, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Belastingrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen:
Viditax (FutD), 15-11-2023, V-N Vandaag 2023/2698, FutD 2023-2954, Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
IB/PVV 2015. Artikel 7.8 Wet IB 2001 en negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning. Belanghebbende woont in België en heeft een woning in eigendom. Belanghebbende werkt in Nederland in loondienst en bezit aandelen in een Nederlandse BV. Belanghebbende kan de hypotheekrente niet in mindering brengen op zijn inkomen uit werk en woning. Van een “klassieke” Schumacker-situatie is geen sprake. Anders dan belanghebbende betoogt dient bij het bepalen van het wereldinkomen ook het inkomen van de partner in aanmerking te worden genomen. Dat belanghebbende en de partner in België niet als samenwonend worden beschouwd doet daaraan niet af. In België is tenminste 46% van het gezinsinkomen belastbaar. Dat belanghebbende zijn deel van de woonbonus niet in mindering heeft kunnen brengen op het gezamenlijk gezinsinkomen is het gevolg van een dispariteit tussen de belastingstelsels]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:GHSHE:2023:2957 Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch, 13-09-2023, 22/00904<br />
Datum uitspraak: 3-09-2023<br />
Datum publicatie: 15-11-2023<br />
Formele relaties: Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:1220, Bekrachtiging/bevestiging<br />
Rechtsgebieden: Bestuursrecht; Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen:<br />
Viditax (FutD), 15-11-2023, V-N Vandaag 2023/2698, FutD 2023-2954, Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
IB/PVV 2015. Artikel 7.8 Wet IB 2001 en negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning. Belanghebbende woont in België en heeft een woning in eigendom. Belanghebbende werkt in Nederland in loondienst en bezit aandelen in een Nederlandse BV. Belanghebbende kan de hypotheekrente niet in mindering brengen op zijn inkomen uit werk en woning. Van een “klassieke” Schumacker-situatie is geen sprake. Anders dan belanghebbende betoogt dient bij het bepalen van het wereldinkomen ook het inkomen van de partner in aanmerking te worden genomen. Dat belanghebbende en de partner in België niet als samenwonend worden beschouwd doet daaraan niet af. In België is tenminste 46% van het gezinsinkomen belastbaar. Dat belanghebbende zijn deel van de woonbonus niet in mindering heeft kunnen brengen op het gezamenlijk gezinsinkomen is het gevolg van een dispariteit tussen de belastingstelsels</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13430</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 21 Nov 2023 11:05:57 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13430</guid>

					<description><![CDATA[Noot jdv: 
Het is een belangrijke uitspraak omdat, naar ik kon vinden voor het eerst- de heffingskortingen worden beoordeeld voor een minstverdienende partner waarbij beide partners als Schumackergevallen zijn aan te merken onder het woonstaatkriterium, niet onder het inkomenscriterium. Het Stappenplan Hof Den Bosch dient daarbij als grondslag. Ik heb wel wat kritiek op de uitspraak:
1. deze is summier voor wat betreft het recht op en de hoogte van de heffingskortingen van minstverdienende partner. Kennelijk acht de  Rechtbank deze in elk geval begrensd door de gecombineerde inkomensheffing die de echtgenoot verschuldigd is aan Nederland. Niet onaannemelijk is dat het om de AHK gaat, maar ook kan voor de minstverdienende partner de ouderenkorting aan de orde zijn (hoewel er geen AOW is uitgekeerd aan haar/hem; andere heffingskortingen zouden ook nog mogelijk zijn). Verder moet worden aangenomen dat art. 8.9 van wetIB2001 aan de orde is dat de verhoging van de heffingskorting van de minstverdiende partner betreft en waarbij in art. 8.9 lid 1 die verhoging gemaximeerd wordt aan de gecombineerde inkomensheffing van de meestverdienende partner, zij het verminderd met diens heffingskortingen. Op dat laatste gaat de rechtbank in het geheel niet in.
2. de Rechtbank schuift in 5.6. wel heel gemakkelijk de verantwoordelijkheid voor de juiste berekeningswijze voor de (bijzondere) verhoging voor de minstverdienende partner naar de inspecteur. Ik vraag mij af of de Rechtbank niet ambtshalve die berekening, waarin   inderdaad diverse elementen van de belastingheffing van de meestverdienende partner evenals een fictieve premieheffing een rol spelen (art. 8.9.3 WetIB2001) zelf had dienen te maken (degenen die de aangifte deden hebben natuurlijk ook een eigen verantwoordelijkheid in dezen).
3. Naar mijn mening dient bij de berekening van de ruimte die de meestverdienende partner voor de verhoging van de heffingskorting van de minstverdienende niet uitgegaan te worden van de belasting die de meestverdienende verschuldigd is aan Nederlandd (verminderd met diens heffingskortingen), maar met de fictieve belasting die hij verschuldigd zou zijn over zijn wereldinkomen. Dit vloeit voort uit het Schumackerarrest zelf (punt 41) dat stelt dat alle fiscale voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie moeten worden toegekend als ware men ingezetene van Nederland (en dus binnenlands belastinplichtig) en hetzelfde inkomen zou geheel in Nederland verdiend worden. Dit beginsel heeft overigens nog meer gevolgen voor de toekenning van de (bijzondere) verhoging van de minstverdienende partner. Bijvoorbeeld dat art. 8.9 lid 2 dat heffingskorting doet verminderen met belastingverminderingen die voortkomen uit vermindering van dubbele belasting. buiten beschouwing dienen te blijven. Door de summiere berekening van de verhoging kwam de Rechtbank aan die aspecten evenmin toe.  
4. De rechtbank past de pro-rata benadering van het Stappenplan Hof Den Bosch toe aan de hand van een pro-ratafactor door Nederland belast gezinsinkomen t.o.v. het wereldgezinsinkomen. Die benadering is nog voorwerp van beoordeling door de Hoge Raad.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Noot jdv:<br />
Het is een belangrijke uitspraak omdat, naar ik kon vinden voor het eerst- de heffingskortingen worden beoordeeld voor een minstverdienende partner waarbij beide partners als Schumackergevallen zijn aan te merken onder het woonstaatkriterium, niet onder het inkomenscriterium. Het Stappenplan Hof Den Bosch dient daarbij als grondslag. Ik heb wel wat kritiek op de uitspraak:<br />
1. deze is summier voor wat betreft het recht op en de hoogte van de heffingskortingen van minstverdienende partner. Kennelijk acht de  Rechtbank deze in elk geval begrensd door de gecombineerde inkomensheffing die de echtgenoot verschuldigd is aan Nederland. Niet onaannemelijk is dat het om de AHK gaat, maar ook kan voor de minstverdienende partner de ouderenkorting aan de orde zijn (hoewel er geen AOW is uitgekeerd aan haar/hem; andere heffingskortingen zouden ook nog mogelijk zijn). Verder moet worden aangenomen dat art. 8.9 van wetIB2001 aan de orde is dat de verhoging van de heffingskorting van de minstverdiende partner betreft en waarbij in art. 8.9 lid 1 die verhoging gemaximeerd wordt aan de gecombineerde inkomensheffing van de meestverdienende partner, zij het verminderd met diens heffingskortingen. Op dat laatste gaat de rechtbank in het geheel niet in.<br />
2. de Rechtbank schuift in 5.6. wel heel gemakkelijk de verantwoordelijkheid voor de juiste berekeningswijze voor de (bijzondere) verhoging voor de minstverdienende partner naar de inspecteur. Ik vraag mij af of de Rechtbank niet ambtshalve die berekening, waarin   inderdaad diverse elementen van de belastingheffing van de meestverdienende partner evenals een fictieve premieheffing een rol spelen (art. 8.9.3 WetIB2001) zelf had dienen te maken (degenen die de aangifte deden hebben natuurlijk ook een eigen verantwoordelijkheid in dezen).<br />
3. Naar mijn mening dient bij de berekening van de ruimte die de meestverdienende partner voor de verhoging van de heffingskorting van de minstverdienende niet uitgegaan te worden van de belasting die de meestverdienende verschuldigd is aan Nederlandd (verminderd met diens heffingskortingen), maar met de fictieve belasting die hij verschuldigd zou zijn over zijn wereldinkomen. Dit vloeit voort uit het Schumackerarrest zelf (punt 41) dat stelt dat alle fiscale voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie moeten worden toegekend als ware men ingezetene van Nederland (en dus binnenlands belastinplichtig) en hetzelfde inkomen zou geheel in Nederland verdiend worden. Dit beginsel heeft overigens nog meer gevolgen voor de toekenning van de (bijzondere) verhoging van de minstverdienende partner. Bijvoorbeeld dat art. 8.9 lid 2 dat heffingskorting doet verminderen met belastingverminderingen die voortkomen uit vermindering van dubbele belasting. buiten beschouwing dienen te blijven. Door de summiere berekening van de verhoging kwam de Rechtbank aan die aspecten evenmin toe.<br />
4. De rechtbank past de pro-rata benadering van het Stappenplan Hof Den Bosch toe aan de hand van een pro-ratafactor door Nederland belast gezinsinkomen t.o.v. het wereldgezinsinkomen. Die benadering is nog voorwerp van beoordeling door de Hoge Raad.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13429</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 21 Nov 2023 10:28:54 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13429</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:6917
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-10-2023
Datum publicatie 23-10-2023
Zaaknummer 22/117 en 22/118
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Unierecht; pro-rata deel heffingskortingen
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 23-10-2023 V-N Vandaag 2023/2535
FutD 2023-2797 NDFR Nieuws 2023/1529 NLF 2023/2481

Feiten
3. Erflater was in de jaren 2015 en 2016 gehuwd met [naam] (hierna: de echtgenoot). Erflater en de echtgenoot woonden in deze jaren in Kroatië.
3.1.
Erflater had in de jaren 2015 en 2016 geen eigen inkomen. De inkomsten van de echtgenoot bestonden in deze jaren uit een uitkering uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioenuitkering uit Nederland van (in totaal) respectievelijk € 21.082 (2015) en € 21.477 (2016). Tevens ontving de echtgenoot een pensioenuitkering uit Kroatië van € 2.429 (2015) en € 2.467 (2016).
3.2.
Erflater en de echtgenoot hebben in Nederland aangifte IB/PVV gedaan voor de jaren 2015 en 2016 (hierna: de aangiften). Hierin is aangegeven dat zij kwalificerende buitenlands belastingplichtigen waren. Tevens is aangegeven dat erflater voldeed aan de voorwaarden voor de uitbetaling van de heffingskortingen. Tot slot hebben zij aangegeven dat de echtgenoot een bedrag van € 1.625 en € 1.770 aan belasting verschuldigd is.
3.3.
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen afgeweken van de aangiften en heeft erflater en de echtgenoot aangemerkt als niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Tevens heeft de inspecteur de heffingskortingen gecorrigeerd. Tegen de aanslagen van de echtgenoot zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
3.4.
Van het gezinsinkomen was in 2015 89,67% in Nederland belastbaar. In 2016 was 89,70% van het gezinsinkomen in Nederland aan de belastingheffing onderworpen. In Kroatië is geen belasting geheven over de pensioeninkomsten.
3.5.
Tot de gedingstukken behoren inkomensverklaringen van erflater en de echtgenoot ter zake van de jaren 2015 en 2016. Hierin staat dat erflater geen inkomsten had in de onderhavige jaren. In de inkomensverklaringen van de echtgenoot zijn respectievelijk € 2.448 (2015) en € 2.466 (2016) aan niet in Nederland belastbare inkomsten vermeld.
(..)
5.1 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) is gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat.3 Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene te weinig (gezins)inkomen geniet in zijn woonstaat om met die situatie rekening te houden.
5.2.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij zijn uitspraak van 7 september 2022 een richtlijn gegeven voor de beantwoording van vragen naar aanleiding van de Schumacker-doctrine.4 In de bijlage bij deze uitspraak, waarin de richtlijnen worden weergegeven, is de onderstaande samenvatting opgenomen.
“1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten?
Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen.
Zo nee, dan volgen de volgende stappen.
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”
5.3.
Naar aanleiding van de in 5.2 genoemde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft Advocaat-Generaal Wattel op 31 maart 2023 een conclusie genomen5 waarin onder meer staat dat alleen stap 4 van het stappenplan relevant en vereist is.
Beoordeling
5.4.
De rechtbank acht aannemelijk dat in de woonstaat onvoldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater en de echtgenoot. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen: de absolute hoogte van de inkomens in Kroatië en Nederland en de verhouding daartussen, alsmede dat na schorsing van de zitting, de inspecteur in de gelegenheid is gesteld om aan belanghebbende vragen te stellen over de belastingheffing in Kroatië, waarvan de inspecteur kennelijk (gelet op de na de zitting van partijen ontvangen nadere stukken) geen gebruik heeft gemaakt.
5.5.
De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat ook voor de toepassing van het Unierecht vereist is dat de echtgenoot een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. De omstandigheid dat de aanslagen van de echtgenoot onherroepelijk vast staan zonder dat de echtgenoot daarin als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt of dat de echtgenoot en erflater voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet als fiscale partners kunnen kwalificeren, is voor de toepassing van het Unierecht niet relevant. De nationale kwalificaties en beperkingen staan aan de toepassing van het Unierecht niet in de weg.
5.6.
Met toepassing van voornoemd stappenplan van het Hof dient naar het oordeel van de rechtbank aan erflater een pro-rata deel van de heffingskortingen te worden toegekend. Dit brengt mee dat de heffingskortingen voor het jaar 2015 vastgesteld moeten worden op € 1.457 (89,67% maal € 1.625) en voor het jaar 2016 op afgerond € 1.583 (89,70% maal € 1.770). De inspecteur heeft in het nader stuk op zichzelf genomen terecht gesteld dat voor het bepalen van de hoogte van de verhoging en bijzondere verhoging van de heffingskorting rekening moet worden gehouden met de verschuldigdheid van inkomstenbelasting en (fictieve) premie volksverzekeringen van de echtgenoot. Omdat deze stelling niet cijfermatig is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze stelling voorbijgaan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:6917<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 06-10-2023<br />
Datum publicatie 23-10-2023<br />
Zaaknummer 22/117 en 22/118<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie<br />
Unierecht; pro-rata deel heffingskortingen<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 23-10-2023 V-N Vandaag 2023/2535<br />
FutD 2023-2797 NDFR Nieuws 2023/1529 NLF 2023/2481</p>
<p>Feiten<br />
3. Erflater was in de jaren 2015 en 2016 gehuwd met [naam] (hierna: de echtgenoot). Erflater en de echtgenoot woonden in deze jaren in Kroatië.<br />
3.1.<br />
Erflater had in de jaren 2015 en 2016 geen eigen inkomen. De inkomsten van de echtgenoot bestonden in deze jaren uit een uitkering uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioenuitkering uit Nederland van (in totaal) respectievelijk € 21.082 (2015) en € 21.477 (2016). Tevens ontving de echtgenoot een pensioenuitkering uit Kroatië van € 2.429 (2015) en € 2.467 (2016).<br />
3.2.<br />
Erflater en de echtgenoot hebben in Nederland aangifte IB/PVV gedaan voor de jaren 2015 en 2016 (hierna: de aangiften). Hierin is aangegeven dat zij kwalificerende buitenlands belastingplichtigen waren. Tevens is aangegeven dat erflater voldeed aan de voorwaarden voor de uitbetaling van de heffingskortingen. Tot slot hebben zij aangegeven dat de echtgenoot een bedrag van € 1.625 en € 1.770 aan belasting verschuldigd is.<br />
3.3.<br />
De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen afgeweken van de aangiften en heeft erflater en de echtgenoot aangemerkt als niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Tevens heeft de inspecteur de heffingskortingen gecorrigeerd. Tegen de aanslagen van de echtgenoot zijn geen rechtsmiddelen aangewend.<br />
3.4.<br />
Van het gezinsinkomen was in 2015 89,67% in Nederland belastbaar. In 2016 was 89,70% van het gezinsinkomen in Nederland aan de belastingheffing onderworpen. In Kroatië is geen belasting geheven over de pensioeninkomsten.<br />
3.5.<br />
Tot de gedingstukken behoren inkomensverklaringen van erflater en de echtgenoot ter zake van de jaren 2015 en 2016. Hierin staat dat erflater geen inkomsten had in de onderhavige jaren. In de inkomensverklaringen van de echtgenoot zijn respectievelijk € 2.448 (2015) en € 2.466 (2016) aan niet in Nederland belastbare inkomsten vermeld.<br />
(..)<br />
5.1 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) is gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat.3 Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene te weinig (gezins)inkomen geniet in zijn woonstaat om met die situatie rekening te houden.<br />
5.2.<br />
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij zijn uitspraak van 7 september 2022 een richtlijn gegeven voor de beantwoording van vragen naar aanleiding van de Schumacker-doctrine.4 In de bijlage bij deze uitspraak, waarin de richtlijnen worden weergegeven, is de onderstaande samenvatting opgenomen.<br />
“1) Geniet de belastingplichtige 90% of meer van zijn wereldinkomen, bepaald naar de maatstaven van de woonlidstaat, buiten de woonlidstaat en wordt in de woonlidstaat geen inkomen van betekenis genoten?<br />
Zo ja, dan worden in de werklidstaat de volledige tegemoetkomingen in aanmerking genomen.<br />
Zo nee, dan volgen de volgende stappen.<br />
2) Kan de woonlidstaat in voldoende mate rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie? Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van de woonlidstaat effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop de belastingplichtige recht heeft volgens de wetgeving van de woonlidstaat. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeft de werklidstaat geen rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie.<br />
3) Indien vraag 2) ontkennend wordt beantwoord, dient de werklidstaat de volgens de wetgeving van de werklidstaat geldende tegemoetkomingen deels te verlenen. Dit wordt bepaald door de breuk: belast inkomen in de werklidstaat / wereldinkomen.<br />
4) De door de werklidstaat te verlenen tegemoetkoming wordt begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in de werklidstaat verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als de niet-ingezetene.”<br />
5.3.<br />
Naar aanleiding van de in 5.2 genoemde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft Advocaat-Generaal Wattel op 31 maart 2023 een conclusie genomen5 waarin onder meer staat dat alleen stap 4 van het stappenplan relevant en vereist is.<br />
Beoordeling<br />
5.4.<br />
De rechtbank acht aannemelijk dat in de woonstaat onvoldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater en de echtgenoot. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen: de absolute hoogte van de inkomens in Kroatië en Nederland en de verhouding daartussen, alsmede dat na schorsing van de zitting, de inspecteur in de gelegenheid is gesteld om aan belanghebbende vragen te stellen over de belastingheffing in Kroatië, waarvan de inspecteur kennelijk (gelet op de na de zitting van partijen ontvangen nadere stukken) geen gebruik heeft gemaakt.<br />
5.5.<br />
De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat ook voor de toepassing van het Unierecht vereist is dat de echtgenoot een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. De omstandigheid dat de aanslagen van de echtgenoot onherroepelijk vast staan zonder dat de echtgenoot daarin als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt of dat de echtgenoot en erflater voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet als fiscale partners kunnen kwalificeren, is voor de toepassing van het Unierecht niet relevant. De nationale kwalificaties en beperkingen staan aan de toepassing van het Unierecht niet in de weg.<br />
5.6.<br />
Met toepassing van voornoemd stappenplan van het Hof dient naar het oordeel van de rechtbank aan erflater een pro-rata deel van de heffingskortingen te worden toegekend. Dit brengt mee dat de heffingskortingen voor het jaar 2015 vastgesteld moeten worden op € 1.457 (89,67% maal € 1.625) en voor het jaar 2016 op afgerond € 1.583 (89,70% maal € 1.770). De inspecteur heeft in het nader stuk op zichzelf genomen terecht gesteld dat voor het bepalen van de hoogte van de verhoging en bijzondere verhoging van de heffingskorting rekening moet worden gehouden met de verschuldigdheid van inkomstenbelasting en (fictieve) premie volksverzekeringen van de echtgenoot. Omdat deze stelling niet cijfermatig is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze stelling voorbijgaan.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13403</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 06 Nov 2023 20:04:07 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13403</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:4125
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-06-2023
Datum publicatie 21-06-2023
Zaaknummer22/2681 tot en met 22/2684
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
 		Inhoudsindicatie
niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met overheidspensioen geen recht op persoonlijke tegemoetkoming volgens Unierecht
VindplaatsenRechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-6-2023
V-N Vandaag 2023/1386
NLF 2023/1459
FutD 2023-1692 met annotatie van Fiscaal up to Date
FutD 2023-2158 met annotatie van Fiscaal up to Date
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/2681 tot en met 22/2684

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst,


6.12.
Op basis van die rechtspraak van het HvJ moet worden beoordeeld of belanghebbende in zijn woonland Duitsland voldoende inkomen geniet om daar zijn persoonlijke aftrekposten geldend te kunnen maken. In Duitsland geldt (net zoals in Nederland) dat de inwoner van Duitsland daar onbeperkt belastingplichtig is, dus ook voor het inkomen dat hij verkrijgt vanuit het buitenland en dat voor de belastingheffing aan dat buitenland is toegewezen. Voor dergelijke inkomsten wordt wel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend, maar met toepassing van een progressievoorbehoud. Dat wil zeggen dat in Duitsland over het aan dat land ter heffing toegewezen inkomen meer belasting wordt geheven naarmate het wereldinkomen hoger is. Die te heffen belasting wordt vervolgens verlaagd door persoonlijke aftrekposten. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank het wereldinkomen bepalend voor de vraag of belanghebbende in Duitsland zijn persoonlijke aftrekposten te gelde kan maken.
6.13.
Aan hetgeen is overwogen in 6.12 doet niet af dat – zoals belanghebbende heeft gesteld – de Duitse belastingdienst jegens belanghebbende heeft verklaard geen belasting te heffen over de AOW-uitkering. Bij de vraag of Duitsland rekening kan houden met de persoonlijke aftrekposten van belanghebbende gaat het immers om de vraag of Duitsland dat kan doen, uitgaande van het daar geldend belastingsysteem, niet of Duitsland dat feitelijk ook doet.
6.14.
Op basis van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende in Nederland niet in aanmerking komt voor aftrek van persoonlijke aftrekposten, zoals de aftrek voor de eigen woning en specifieke zorgkosten. Het gezinsinkomen bedraagt in die jaren respectievelijk € 55.328, € 55.601, € 56.214 en € 56.759, waarvan € 36.984 (het [pensioen]-pensioen van belanghebbende) in Nederland belastbaar is. Dat is respectievelijk 66,84%, 66,52%, 65,79 en 65,16% van het gezinsinkomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland feitelijk geen belasting behoort te betalen en dat Duitsland de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende niet in aanmerking zou kunnen nemen.

commentaar jdv: hieruit blijkt dat men aannemelijk moet maken dat de woonstaat niet in staat was de voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie te effectueren. Ik herhaal hierbij dat het dus wenselijk is dat men beschikt over voldoende gespecificeerde aangifte ib en aanslag ib van de woonstaat, en uiteraard ook de inkomensverklaring. Een mededeling van de Belastingdienst van de woonstaat dat er geen belasting geheven zal worden is kennelijk niet voldoende in de ogen van de Rechtbank. Overigens  zou betrokkene er goed aangedaan hebben in hoger beroep te zijn gegaan, aangezien het vrij zeker is dat Duitsland inderdaad geen belasting heft over de AOW-uitkering, ondanks het progressievoorbehoud. En belangrijker: dat Duitsland ook niet in staat is de Duitse fiscale subjectgebonden voordelen (volledig) toe te kennen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:4125<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 14-06-2023<br />
Datum publicatie 21-06-2023<br />
Zaaknummer22/2681 tot en met 22/2684<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
 		Inhoudsindicatie<br />
niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met overheidspensioen geen recht op persoonlijke tegemoetkoming volgens Unierecht<br />
VindplaatsenRechtspraak.nl<br />
Viditax (FutD), 21-6-2023<br />
V-N Vandaag 2023/1386<br />
NLF 2023/1459<br />
FutD 2023-1692 met annotatie van Fiscaal up to Date<br />
FutD 2023-2158 met annotatie van Fiscaal up to Date<br />
Uitspraak<br />
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT<br />
Zittingsplaats Breda<br />
Belastingrecht<br />
zaaknummers: BRE 22/2681 tot en met 22/2684</p>
<p>Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2023 in de zaak tussen</p>
<p>[belanghebbende], uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende<br />
en<br />
de inspecteur van de belastingdienst,</p>
<p>6.12.<br />
Op basis van die rechtspraak van het HvJ moet worden beoordeeld of belanghebbende in zijn woonland Duitsland voldoende inkomen geniet om daar zijn persoonlijke aftrekposten geldend te kunnen maken. In Duitsland geldt (net zoals in Nederland) dat de inwoner van Duitsland daar onbeperkt belastingplichtig is, dus ook voor het inkomen dat hij verkrijgt vanuit het buitenland en dat voor de belastingheffing aan dat buitenland is toegewezen. Voor dergelijke inkomsten wordt wel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend, maar met toepassing van een progressievoorbehoud. Dat wil zeggen dat in Duitsland over het aan dat land ter heffing toegewezen inkomen meer belasting wordt geheven naarmate het wereldinkomen hoger is. Die te heffen belasting wordt vervolgens verlaagd door persoonlijke aftrekposten. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank het wereldinkomen bepalend voor de vraag of belanghebbende in Duitsland zijn persoonlijke aftrekposten te gelde kan maken.<br />
6.13.<br />
Aan hetgeen is overwogen in 6.12 doet niet af dat – zoals belanghebbende heeft gesteld – de Duitse belastingdienst jegens belanghebbende heeft verklaard geen belasting te heffen over de AOW-uitkering. Bij de vraag of Duitsland rekening kan houden met de persoonlijke aftrekposten van belanghebbende gaat het immers om de vraag of Duitsland dat kan doen, uitgaande van het daar geldend belastingsysteem, niet of Duitsland dat feitelijk ook doet.<br />
6.14.<br />
Op basis van de hiervoor uiteengezette uitgangspunten komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende in Nederland niet in aanmerking komt voor aftrek van persoonlijke aftrekposten, zoals de aftrek voor de eigen woning en specifieke zorgkosten. Het gezinsinkomen bedraagt in die jaren respectievelijk € 55.328, € 55.601, € 56.214 en € 56.759, waarvan € 36.984 (het [pensioen]-pensioen van belanghebbende) in Nederland belastbaar is. Dat is respectievelijk 66,84%, 66,52%, 65,79 en 65,16% van het gezinsinkomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Duitsland feitelijk geen belasting behoort te betalen en dat Duitsland de draagkracht en de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende niet in aanmerking zou kunnen nemen.</p>
<p>commentaar jdv: hieruit blijkt dat men aannemelijk moet maken dat de woonstaat niet in staat was de voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie te effectueren. Ik herhaal hierbij dat het dus wenselijk is dat men beschikt over voldoende gespecificeerde aangifte ib en aanslag ib van de woonstaat, en uiteraard ook de inkomensverklaring. Een mededeling van de Belastingdienst van de woonstaat dat er geen belasting geheven zal worden is kennelijk niet voldoende in de ogen van de Rechtbank. Overigens  zou betrokkene er goed aangedaan hebben in hoger beroep te zijn gegaan, aangezien het vrij zeker is dat Duitsland inderdaad geen belasting heft over de AOW-uitkering, ondanks het progressievoorbehoud. En belangrijker: dat Duitsland ook niet in staat is de Duitse fiscale subjectgebonden voordelen (volledig) toe te kennen.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13401</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 06 Nov 2023 16:11:35 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13401</guid>

					<description><![CDATA[Commentaar jdv
Indien aftrekposten bij gebrek aan KBB status niet in de ib sfeer geëffectueerd kunnen worden, kunnen ze dus wel bij de ninbi aangifte aangegeven worden. In dat geval worden ze toegerekend aan het Niet in Nederland Belast Inkomen op de Ninbi beschikking. Voor een verdragsgerechtigde is dit van secundair belang. Wat hij moet weten is: a) het ZVW bijdrageinkom en b) het pseudoWLZinkomen. Beide zijn wereldinkomens. Hoe ze verdeeld zijn in wel of niet (bij de inkomstenbelasting) in Nederland belast inkomen is weinig belangrijk.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Commentaar jdv<br />
Indien aftrekposten bij gebrek aan KBB status niet in de ib sfeer geëffectueerd kunnen worden, kunnen ze dus wel bij de ninbi aangifte aangegeven worden. In dat geval worden ze toegerekend aan het Niet in Nederland Belast Inkomen op de Ninbi beschikking. Voor een verdragsgerechtigde is dit van secundair belang. Wat hij moet weten is: a) het ZVW bijdrageinkom en b) het pseudoWLZinkomen. Beide zijn wereldinkomens. Hoe ze verdeeld zijn in wel of niet (bij de inkomstenbelasting) in Nederland belast inkomen is weinig belangrijk.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13400</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 06 Nov 2023 16:04:00 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13400</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:7457

InstantieRechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-10-2023
Datum publicatie 06-11-2023
Zaaknummer23/1817
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie NiNbi-beschikking
Daaruit:
 De feiten
4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten:
4.1.
Belanghebbende ontving in 2019 vanuit Nederland een ouderdomspensioen van het ABP (het pensioen) van € 36.984 en een AOW-uitkering van € 9.401.
4.2.
Belanghebbende heeft voor 2019 een opgaaf wereldinkomen gedaan van € 38.332 (vóór verrekening van persoonsgebonden aftrek), bestaande uit de AOW-uitkering van € 9.401, het pensioen van € 36.984 en een aftrek voor de eigen woning van € 8.053. Daarnaast heeft belanghebbende een aftrek zorgkosten van € 5.759 opgegeven.
4.3.
Bij de vaststelling van de aanslag IB 2019 heeft de inspecteur belanghebbende als een kwalificerende buitenlands belastingplichtige aangemerkt (artikel 7.8 Wet IB 2001) en het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, op € 32.573 vastgesteld (€ 38.332 min € 5.759 zorgkosten).
4.4.
Vervolgens heeft de inspecteur aan belanghebbende over 2019 een navorderingsaanslag IB opgelegd omdat belanghebbende volgens de inspecteur niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt omdat de AOW-uitkering niet in Nederland maar in Duitsland belastbaar is, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om te kwalificeren als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001. Gevolg daarvan was dat belanghebbende geen recht heeft op de heffingskortingen, aftrek voor de kosten eigen woning en specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, vastgesteld op € 36.984, gelijk aan het pensioen. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juni 2023 het beroep van belanghebbende betreffende deze navorderingsaanslag ongegrond verklaard.2
4.5.
Met dagtekening 25 februari 2022 heeft de inspecteur de NiNbi-beschikking gegeven, waarbij het NiNbi is vastgesteld op negatief € 4.411 (de AOW-uitkering van € 9.401 min aftrek eigen woning ad € 8.053 min aftrek zorgkosten ad € 5.759) en het in Nederland belastbaar inkomen op € 36.984.
De beoordeling
4.6.
Belanghebbende heeft in 2019 een pensioen en een WAO-uitkering (bedoeld: AOW-uitkering, jdv) uit Nederland genoten. In het Belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is bepaald dat Duitsland belasting mag heffen over de AOW-uitkering3. De AOW-uitkering is daarom terecht meegerekend als niet in Nederland belastbaar inkomen. Omdat de AOW-uitkering belastbaar is in Duitsland, is belanghebbende geen kwalificerende belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001 en kan hij de aftrekposten voor de eigen woning en de zorgkosten niet in mindering brengen op zijn in Nederland belastbare inkomen. Daarom zijn ook die aftrekposten terecht meegenomen bij de bepaling van het NiNbi. Dit betekent dat het NiNbi juist is vastgesteld.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:7457</p>
<p>InstantieRechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 25-10-2023<br />
Datum publicatie 06-11-2023<br />
Zaaknummer23/1817<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie NiNbi-beschikking<br />
Daaruit:<br />
 De feiten<br />
4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten:<br />
4.1.<br />
Belanghebbende ontving in 2019 vanuit Nederland een ouderdomspensioen van het ABP (het pensioen) van € 36.984 en een AOW-uitkering van € 9.401.<br />
4.2.<br />
Belanghebbende heeft voor 2019 een opgaaf wereldinkomen gedaan van € 38.332 (vóór verrekening van persoonsgebonden aftrek), bestaande uit de AOW-uitkering van € 9.401, het pensioen van € 36.984 en een aftrek voor de eigen woning van € 8.053. Daarnaast heeft belanghebbende een aftrek zorgkosten van € 5.759 opgegeven.<br />
4.3.<br />
Bij de vaststelling van de aanslag IB 2019 heeft de inspecteur belanghebbende als een kwalificerende buitenlands belastingplichtige aangemerkt (artikel 7.8 Wet IB 2001) en het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, op € 32.573 vastgesteld (€ 38.332 min € 5.759 zorgkosten).<br />
4.4.<br />
Vervolgens heeft de inspecteur aan belanghebbende over 2019 een navorderingsaanslag IB opgelegd omdat belanghebbende volgens de inspecteur niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt omdat de AOW-uitkering niet in Nederland maar in Duitsland belastbaar is, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om te kwalificeren als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001. Gevolg daarvan was dat belanghebbende geen recht heeft op de heffingskortingen, aftrek voor de kosten eigen woning en specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, vastgesteld op € 36.984, gelijk aan het pensioen. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juni 2023 het beroep van belanghebbende betreffende deze navorderingsaanslag ongegrond verklaard.2<br />
4.5.<br />
Met dagtekening 25 februari 2022 heeft de inspecteur de NiNbi-beschikking gegeven, waarbij het NiNbi is vastgesteld op negatief € 4.411 (de AOW-uitkering van € 9.401 min aftrek eigen woning ad € 8.053 min aftrek zorgkosten ad € 5.759) en het in Nederland belastbaar inkomen op € 36.984.<br />
De beoordeling<br />
4.6.<br />
Belanghebbende heeft in 2019 een pensioen en een WAO-uitkering (bedoeld: AOW-uitkering, jdv) uit Nederland genoten. In het Belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is bepaald dat Duitsland belasting mag heffen over de AOW-uitkering3. De AOW-uitkering is daarom terecht meegerekend als niet in Nederland belastbaar inkomen. Omdat de AOW-uitkering belastbaar is in Duitsland, is belanghebbende geen kwalificerende belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 Wet IB 2001 en kan hij de aftrekposten voor de eigen woning en de zorgkosten niet in mindering brengen op zijn in Nederland belastbare inkomen. Daarom zijn ook die aftrekposten terecht meegenomen bij de bepaling van het NiNbi. Dit betekent dat het NiNbi juist is vastgesteld.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13260</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 23 Oct 2023 11:32:39 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13260</guid>

					<description><![CDATA[De bijzonderheid in het oordeel van de Rechtbank zit wat mij betreft in de toedeling van de berekening van de (bijzondere) verhoging aan de inspecteur en niet aan de belastingplichtigen. Nu de inspecteur geen berekeningen heeft gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met voorwaarden uit de desbetreffende bepalingen (art. 8.9. en 8.9.a. WetIB2001) gaat de Rechtbank daaraan voorbij (en gaat ook niet ambtshalve zelf een berekening maken). Het is zeer wel mogelijk dat dit echtpaar daardoor in totaal meer heffingskorting ontvangt (op grond van Unierecht (niet: KBB) in samenhang met de genoemde artikelen dan bij een berekening het geval zou zijn.
 Merk verder op dat de Rechtbank (opnieuw) het Stappenplan Hof den Bosch volgt, maar  met zo veel woorden zelfs verder gaat door ook A-G Wattel die in zijn Conclusie (Bijlage) van 31-03-2023 bij soortgelijke zaken te volgen die de eerste drie stappen uit het Stappenplan van Hof Den Bosch overbodig noemde. Dat de Rechtbank dit doet is opmerkelijk aangezien de Hoge Raad zih over die Bijlage nog niet heeft uitgesproken.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>De bijzonderheid in het oordeel van de Rechtbank zit wat mij betreft in de toedeling van de berekening van de (bijzondere) verhoging aan de inspecteur en niet aan de belastingplichtigen. Nu de inspecteur geen berekeningen heeft gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met voorwaarden uit de desbetreffende bepalingen (art. 8.9. en 8.9.a. WetIB2001) gaat de Rechtbank daaraan voorbij (en gaat ook niet ambtshalve zelf een berekening maken). Het is zeer wel mogelijk dat dit echtpaar daardoor in totaal meer heffingskorting ontvangt (op grond van Unierecht (niet: KBB) in samenhang met de genoemde artikelen dan bij een berekening het geval zou zijn.<br />
 Merk verder op dat de Rechtbank (opnieuw) het Stappenplan Hof den Bosch volgt, maar  met zo veel woorden zelfs verder gaat door ook A-G Wattel die in zijn Conclusie (Bijlage) van 31-03-2023 bij soortgelijke zaken te volgen die de eerste drie stappen uit het Stappenplan van Hof Den Bosch overbodig noemde. Dat de Rechtbank dit doet is opmerkelijk aangezien de Hoge Raad zih over die Bijlage nog niet heeft uitgesproken.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-13259</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 23 Oct 2023 10:40:39 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-13259</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:6917
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-10-2023 Datum publicatie23-10-2023
Zaaknummer22/117 en 22/118 Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie- 
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaak tussen

[belanghebbenden], belanghebbenden (gemachtigde: mr. T. Bezmalinovic),
En de inspecteur van de belastingdienst
 Daaruit:
3.4.
Van het gezinsinkomen was in 2015 89,67% in Nederland belastbaar. In 2016 was 89,70% van het gezinsinkomen in Nederland aan de belastingheffing onderworpen. In Kroatië is geen belasting geheven over de pensioeninkomsten.
3.5.
Tot de gedingstukken behoren inkomensverklaringen van erflater en de echtgenoot ter zake van de jaren 2015 en 2016. Hierin staat dat erflater geen inkomsten had in de onderhavige jaren. In de inkomensverklaringen van de echtgenoot zijn respectievelijk € 2.448 (2015) en € 2.466 (2016) aan niet in Nederland belastbare inkomsten vermeld.
(..)
Beoordeling
5.4.
De rechtbank acht aannemelijk dat in de woonstaat onvoldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater en de echtgenoot. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen: de absolute hoogte van de inkomens in Kroatië en Nederland en de verhouding daartussen, alsmede dat na schorsing van de zitting, de inspecteur in de gelegenheid is gesteld om aan belanghebbende vragen te stellen over de belastingheffing in Kroatië, waarvan de inspecteur kennelijk (gelet op de na de zitting van partijen ontvangen nadere stukken) geen gebruik heeft gemaakt.
5.5.
De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat ook voor de toepassing van het Unierecht vereist is dat de echtgenoot een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. De omstandigheid dat de aanslagen van de echtgenoot onherroepelijk vast staan zonder dat de echtgenoot daarin als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt of dat de echtgenoot en erflater voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet als fiscale partners kunnen kwalificeren, is voor de toepassing van het Unierecht niet relevant. De nationale kwalificaties en beperkingen staan aan de toepassing van het Unierecht niet in de weg.
5.6.
Met toepassing van voornoemd stappenplan van het Hof dient naar het oordeel van de rechtbank aan erflater een pro-rata deel van de heffingskortingen te worden toegekend. Dit brengt mee dat de heffingskortingen voor het jaar 2015 vastgesteld moeten worden op € 1.457 (89,67% maal € 1.625) en voor het jaar 2016 op afgerond € 1.583 (89,70% maal € 1.770). De inspecteur heeft in het nader stuk op zichzelf genomen terecht gesteld dat voor het bepalen van de hoogte van de verhoging en bijzondere verhoging van de heffingskorting rekening moet worden gehouden met de verschuldigdheid van inkomstenbelasting en (fictieve) premie volksverzekeringen van de echtgenoot. Omdat deze stelling niet cijfermatig is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze stelling voorbijgaan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:6917<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 06-10-2023 Datum publicatie23-10-2023<br />
Zaaknummer22/117 en 22/118 Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie-<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaak tussen</p>
<p>[belanghebbenden], belanghebbenden (gemachtigde: mr. T. Bezmalinovic),<br />
En de inspecteur van de belastingdienst<br />
 Daaruit:<br />
3.4.<br />
Van het gezinsinkomen was in 2015 89,67% in Nederland belastbaar. In 2016 was 89,70% van het gezinsinkomen in Nederland aan de belastingheffing onderworpen. In Kroatië is geen belasting geheven over de pensioeninkomsten.<br />
3.5.<br />
Tot de gedingstukken behoren inkomensverklaringen van erflater en de echtgenoot ter zake van de jaren 2015 en 2016. Hierin staat dat erflater geen inkomsten had in de onderhavige jaren. In de inkomensverklaringen van de echtgenoot zijn respectievelijk € 2.448 (2015) en € 2.466 (2016) aan niet in Nederland belastbare inkomsten vermeld.<br />
(..)<br />
Beoordeling<br />
5.4.<br />
De rechtbank acht aannemelijk dat in de woonstaat onvoldoende rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van erflater en de echtgenoot. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen: de absolute hoogte van de inkomens in Kroatië en Nederland en de verhouding daartussen, alsmede dat na schorsing van de zitting, de inspecteur in de gelegenheid is gesteld om aan belanghebbende vragen te stellen over de belastingheffing in Kroatië, waarvan de inspecteur kennelijk (gelet op de na de zitting van partijen ontvangen nadere stukken) geen gebruik heeft gemaakt.<br />
5.5.<br />
De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat ook voor de toepassing van het Unierecht vereist is dat de echtgenoot een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. De omstandigheid dat de aanslagen van de echtgenoot onherroepelijk vast staan zonder dat de echtgenoot daarin als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt of dat de echtgenoot en erflater voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet als fiscale partners kunnen kwalificeren, is voor de toepassing van het Unierecht niet relevant. De nationale kwalificaties en beperkingen staan aan de toepassing van het Unierecht niet in de weg.<br />
5.6.<br />
Met toepassing van voornoemd stappenplan van het Hof dient naar het oordeel van de rechtbank aan erflater een pro-rata deel van de heffingskortingen te worden toegekend. Dit brengt mee dat de heffingskortingen voor het jaar 2015 vastgesteld moeten worden op € 1.457 (89,67% maal € 1.625) en voor het jaar 2016 op afgerond € 1.583 (89,70% maal € 1.770). De inspecteur heeft in het nader stuk op zichzelf genomen terecht gesteld dat voor het bepalen van de hoogte van de verhoging en bijzondere verhoging van de heffingskorting rekening moet worden gehouden met de verschuldigdheid van inkomstenbelasting en (fictieve) premie volksverzekeringen van de echtgenoot. Omdat deze stelling niet cijfermatig is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze stelling voorbijgaan.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-12962</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 13 Sep 2023 11:20:14 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-12962</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:GHSHE:2023:1099
Instantie Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch
Datum uitspraak 05-04-2023
Datum publicatie 24-08-2023
Zaaknummer 21/00883
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Procedure van een gepensioneerde, in Duitsland wonende, Nederlander over Schumacker-problematiek. Belanghebbende wenst aanspraak te maken op aftrek in verband met negatieve inkomsten uit eigen woning en op heffingskortingen. Hij voldoet niet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt te worden. Het Unierecht leidt niet tot het gedeeltelijk verlenen van deze aftrek. De uitspraak is gebaseerd op de bijgevoegde bijlage waarin het hof richtlijnen geeft waarlangs vragen die worden opgeroepen door de Schumacker-rechtspraak worden beantwoord.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 24-8-2023 V-N Vandaag 2023/1934
FutD 2023-2267 NLF 2023/1967 V-N 2023/40.28.4
Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Duitsland),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2021, nummer BRE 19/5695 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,

Daaruit:
4.5.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of Duitsland in voldoende mate rekening kan houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende. Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van Duitsland effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop belanghebbende recht heeft volgens de wetgeving van Duitsland (tweede stap).
4.6.
Het hof stelt vast dat belanghebbende in Duitsland geen belasting is verschuldigd (zie 2.5).
4.7.
Belanghebbende stelt dat in Duitsland de aldaar belaste pensioenen van € 29.667 voor een bedrag van € 7.151 in de belastingheffing worden betrokken. Dit stemt overeen met de Duitse belastingaanslag (zie 2.5).
4.8.
De inspecteur stelt dat bij de beantwoording van de in 4.5 bedoelde vraag uitgegaan moet worden van de bruto pensioenuitkeringen, ongeacht de wijze waarop Duitsland het inkomen in aanmerking neemt, dus zonder rekening te houden met het Ertragsanteil. Het hof verwerpt dit standpunt onder verwijzing naar onderdeel 10 van de bijlage. Gekeken moet worden naar de in Duitsland te belasten pensioenuitkeringen volgens de regels van Duitsland. Voor dat geval stelt de inspecteur dat het Ertragsanteil een voordeel is dat verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen. Het hof verwerpt ook dit standpunt. Het Ertragsanteil is naar het oordeel van het hof een in Duitsland toegepaste forfaitaire berekeningsmethode voor het in aanmerking nemen van het rentebestanddeel in de pensioen- en lijfrente-uitkeringen.
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het Grundfreibetrag in 2015 € 8.472 bedraagt, dat dit bedrag een belastingvrije som is en dat het kwalificeert als een voordeel in verband met de persoonlijke situatie. Het hof volgt partijen daarin. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat het in Duitsland in aanmerking genomen belastbare inkomen (€ 7.151) onvoldoende is om alle in Duitsland geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende in aanmerking te nemen.
4.10.
Gelet op het vorenstaande moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat/wereldinkomen. In het onderhavige geval kan deze breuk worden bepaald op € 18.304/€ 47.971 x 100% = 38,16%. De aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning zou dan voor 38,16% van € 728, zijnde € 278, in aanmerking moeten worden genomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan € 18.026, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 4461, wat resulteert in een verschuldigd bedrag aan IB van € 1.0592 (derde stap).
4.11.
De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Daarbij moet gekeken worden naar de heffing van belanghebbende indien hij in Nederland binnenlands belastingplichtige zou zijn. Voor belanghebbende zou moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.2433, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 6234. De daarover verschuldigde belasting zou zijn € 8.672.5 Dat is meer dan de hiervoor berekende € 1.059. Aangezien de verschuldigde IB in de aanslag IB 2015 is vastgesteld op € 1.373, is deze aanslag niet te hoog vastgesteld.
4.12.
Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaren]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:GHSHE:2023:1099<br />
Instantie Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch<br />
Datum uitspraak 05-04-2023<br />
Datum publicatie 24-08-2023<br />
Zaaknummer 21/00883<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Hoger beroep<br />
Inhoudsindicatie<br />
Procedure van een gepensioneerde, in Duitsland wonende, Nederlander over Schumacker-problematiek. Belanghebbende wenst aanspraak te maken op aftrek in verband met negatieve inkomsten uit eigen woning en op heffingskortingen. Hij voldoet niet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt te worden. Het Unierecht leidt niet tot het gedeeltelijk verlenen van deze aftrek. De uitspraak is gebaseerd op de bijgevoegde bijlage waarin het hof richtlijnen geeft waarlangs vragen die worden opgeroepen door de Schumacker-rechtspraak worden beantwoord.<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 24-8-2023 V-N Vandaag 2023/1934<br />
FutD 2023-2267 NLF 2023/1967 V-N 2023/40.28.4<br />
Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Duitsland),<br />
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2021, nummer BRE 19/5695 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,</p>
<p>Daaruit:<br />
4.5.<br />
Het geschil spitst zich toe op de vraag of Duitsland in voldoende mate rekening kan houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende. Hierbij wordt gekeken naar het inkomen dat volgens de wetgeving van Duitsland effectief in de belastingheffing wordt betrokken en naar de tegemoetkomingen waarop belanghebbende recht heeft volgens de wetgeving van Duitsland (tweede stap).<br />
4.6.<br />
Het hof stelt vast dat belanghebbende in Duitsland geen belasting is verschuldigd (zie 2.5).<br />
4.7.<br />
Belanghebbende stelt dat in Duitsland de aldaar belaste pensioenen van € 29.667 voor een bedrag van € 7.151 in de belastingheffing worden betrokken. Dit stemt overeen met de Duitse belastingaanslag (zie 2.5).<br />
4.8.<br />
De inspecteur stelt dat bij de beantwoording van de in 4.5 bedoelde vraag uitgegaan moet worden van de bruto pensioenuitkeringen, ongeacht de wijze waarop Duitsland het inkomen in aanmerking neemt, dus zonder rekening te houden met het Ertragsanteil. Het hof verwerpt dit standpunt onder verwijzing naar onderdeel 10 van de bijlage. Gekeken moet worden naar de in Duitsland te belasten pensioenuitkeringen volgens de regels van Duitsland. Voor dat geval stelt de inspecteur dat het Ertragsanteil een voordeel is dat verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie van belastingplichtigen. Het hof verwerpt ook dit standpunt. Het Ertragsanteil is naar het oordeel van het hof een in Duitsland toegepaste forfaitaire berekeningsmethode voor het in aanmerking nemen van het rentebestanddeel in de pensioen- en lijfrente-uitkeringen.<br />
4.9.<br />
Tussen partijen is niet in geschil dat het Grundfreibetrag in 2015 € 8.472 bedraagt, dat dit bedrag een belastingvrije som is en dat het kwalificeert als een voordeel in verband met de persoonlijke situatie. Het hof volgt partijen daarin. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat het in Duitsland in aanmerking genomen belastbare inkomen (€ 7.151) onvoldoende is om alle in Duitsland geldende tegemoetkomingen die verband houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende in aanmerking te nemen.<br />
4.10.<br />
Gelet op het vorenstaande moet Nederland als werklidstaat de volgens zijn wetgeving geldende tegemoetkomingen deels verlenen aan de hand van de breuk: belast inkomen in de werklidstaat/wereldinkomen. In het onderhavige geval kan deze breuk worden bepaald op € 18.304/€ 47.971 x 100% = 38,16%. De aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning zou dan voor 38,16% van € 728, zijnde € 278, in aanmerking moeten worden genomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan € 18.026, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 4461, wat resulteert in een verschuldigd bedrag aan IB van € 1.0592 (derde stap).<br />
4.11.<br />
De tegemoetkoming wordt echter begrensd door de belastingheffing die een ingezetene in Nederland verschuldigd zou zijn in overigens vergelijkbare omstandigheden als belanghebbende (vierde stap). Daarbij moet gekeken worden naar de heffing van belanghebbende indien hij in Nederland binnenlands belastingplichtige zou zijn. Voor belanghebbende zou moeten worden uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.2433, waarbij rekening wordt gehouden met een bedrag aan heffingskortingen ten bedrage van € 6234. De daarover verschuldigde belasting zou zijn € 8.672.5 Dat is meer dan de hiervoor berekende € 1.059. Aangezien de verschuldigde IB in de aanslag IB 2015 is vastgesteld op € 1.373, is deze aanslag niet te hoog vastgesteld.<br />
4.12.<br />
Gelet op het vorenstaande zal het hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaren</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2020/10/12/regeling-kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-kbb-de-uitzonderingsbepaling/#comment-12783</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 10 Aug 2023 14:37:07 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=9089#comment-12783</guid>

					<description><![CDATA[Commentaar jdv: controversieel lijkt mij in de uitspraak van het Hof dat bij de uitleg van de Schumackerdoctrine per se uitgegaan moet worden van de vraag of het gezinsinkomen toereikend is om de fiscale voordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de woonstaat (in casu Zweden) volledig te kunnen benutten. In dit geval was over de belastingheffing van de partner van de klager niets bekend, en dus concludeerde het Hof dat niet aannemelijk gemaakt was dat op gezinsniveau de bedoelde fiscale voordelen niet konden worden verleend (de bewijslast wordt uitdrukkelijk bij de belastingplichtige gelegd, zoals ook in de bijalage - Stappenplan- die het Hof hanteerde). Het lijkt me wenselijk dat nog eens uitdrukkelijk getoetst wordt hoe de Schumackerdoctrine dient te worden uitgelegd indien slechts een van de partners de fiscale voordelenn van het woonland niet (volledig) kan benutten, maar de ander wel. Merk daarbij op dat bij toetsing of de KBB status geldt op basis van art. 7.8. lid 6 WetIB2001  (het 90% inkomenscriterium dus) wel degelijk de mogelijkheid bestaat om slechts bij één partner die toets toe te passen (zie het OF-onderscheid in art. 7.8. lid 6 a en b). Niet valt in te zien dat de Schumackerdoctrine zodanig wordt uitgelegd dat in geval van aanleg van het inkomenscriterium wel de mogelijkheid geboden wordt op het inkomen van slechts één partner te toetsen en dat bij het woonstaatcriterium (en dus waarschijnlijk ook bij art. 7.8. lid 8 van  WetIB2001) die mogelijkheid ter zijde geschoven wordt.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Commentaar jdv: controversieel lijkt mij in de uitspraak van het Hof dat bij de uitleg van de Schumackerdoctrine per se uitgegaan moet worden van de vraag of het gezinsinkomen toereikend is om de fiscale voordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie van de woonstaat (in casu Zweden) volledig te kunnen benutten. In dit geval was over de belastingheffing van de partner van de klager niets bekend, en dus concludeerde het Hof dat niet aannemelijk gemaakt was dat op gezinsniveau de bedoelde fiscale voordelen niet konden worden verleend (de bewijslast wordt uitdrukkelijk bij de belastingplichtige gelegd, zoals ook in de bijalage &#8211; Stappenplan- die het Hof hanteerde). Het lijkt me wenselijk dat nog eens uitdrukkelijk getoetst wordt hoe de Schumackerdoctrine dient te worden uitgelegd indien slechts een van de partners de fiscale voordelenn van het woonland niet (volledig) kan benutten, maar de ander wel. Merk daarbij op dat bij toetsing of de KBB status geldt op basis van art. 7.8. lid 6 WetIB2001  (het 90% inkomenscriterium dus) wel degelijk de mogelijkheid bestaat om slechts bij één partner die toets toe te passen (zie het OF-onderscheid in art. 7.8. lid 6 a en b). Niet valt in te zien dat de Schumackerdoctrine zodanig wordt uitgelegd dat in geval van aanleg van het inkomenscriterium wel de mogelijkheid geboden wordt op het inkomen van slechts één partner te toetsen en dat bij het woonstaatcriterium (en dus waarschijnlijk ook bij art. 7.8. lid 8 van  WetIB2001) die mogelijkheid ter zijde geschoven wordt.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
