<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Heffing over pensioenen van inwoner van België	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Sat, 20 Jan 2024 11:27:45 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Cees Vermeeren		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13557</link>

		<dc:creator><![CDATA[Cees Vermeeren]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 20 Jan 2024 11:27:45 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13557</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13555&quot;&gt;Cees Vermeeren&lt;/a&gt;.

Ter aanvulling, de volledige conclusie is te vinden op website: &lt;a href=&quot;https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:1210&#038;showbutton=true&#038;idx=11&quot; rel=&quot;nofollow ugc&quot;&gt;https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:1210&#038;showbutton=true&#038;idx=11&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13555">Cees Vermeeren</a>.</p>
<p>Ter aanvulling, de volledige conclusie is te vinden op website: <a href="https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:1210&amp;showbutton=true&amp;idx=11" rel="nofollow ugc">https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:1210&#038;showbutton=true&#038;idx=11</a></p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Bestuurslid</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Cees Vermeeren		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13555</link>

		<dc:creator><![CDATA[Cees Vermeeren]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 19 Jan 2024 16:51:52 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13555</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13378&quot;&gt;Jan de Voogd&lt;/a&gt;.

Zie de conclusie van Advocaat-generaal Ettema  die concludeert dat Nederland geen heffingsrecht heeft over in België deels progressief belast pensioen. 

&lt;a href=&quot;https://www.taxlive.nl/nl/documenten/vn-vandaag/volgens-a-g-heeft-nederland-geen-heffingsrecht-over-in-belgie-deels-progressief-belast-pensioen/&quot; rel=&quot;nofollow ugc&quot;&gt;https://www.taxlive.nl/nl/documenten/vn-vandaag/volgens-a-g-heeft-nederland-geen-heffingsrecht-over-in-belgie-deels-progressief-belast-pensioen/&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13378">Jan de Voogd</a>.</p>
<p>Zie de conclusie van Advocaat-generaal Ettema  die concludeert dat Nederland geen heffingsrecht heeft over in België deels progressief belast pensioen. </p>
<p><a href="https://www.taxlive.nl/nl/documenten/vn-vandaag/volgens-a-g-heeft-nederland-geen-heffingsrecht-over-in-belgie-deels-progressief-belast-pensioen/" rel="nofollow ugc">https://www.taxlive.nl/nl/documenten/vn-vandaag/volgens-a-g-heeft-nederland-geen-heffingsrecht-over-in-belgie-deels-progressief-belast-pensioen/</a></p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Bestuurslid</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13476</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 11 Dec 2023 13:13:15 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13476</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:8322
InstantieRechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak30-11-2023
Datum publicatie11-12-2023
ZaaknummerBRE 22/4765
Feiten:
2. Belanghebbende is op 5 maart 2003 geëmigreerd uit Nederland en sindsdien woonachtig in België.
2.1.
Belanghebbende is van 16 juni 1969 tot 1 juni 2004 (datum pensionering) in Nederland in dienstbetrekking werkzaam geweest bij TNO. Gedurende deze periode zijn pensioenrechten opgebouwd bij de Stichting Pensioenfonds TNO. Vanaf 1 juni 2004 ontvangt belanghebbende hieruit periodieke pensioenuitkeringen (de pensioenuitkeringen).
2.2.
In 2018 heeft belanghebbende pensioenuitkeringen van € 55.002 ontvangen waarop € 12.077 aan loonbelasting is ingehouden.

5.1.
Belanghebbende stelt dat zijn pensioenrechten naar Belgisch recht individueel en definitief verworven zijn en er daarom geen sprake is van een pensioen in de zin van artikel 18 van het belastingverdrag. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.2, tweede lid, van het belastingverdrag, het begrip pensioen op basis van de Nederlandse wetgeving uitgelegd dient te worden. Uit door de Stichting Pensioenfonds TNO gerenseigneerde gegevens volgt dat belanghebbende uitkeringen verkrijgt op basis van een voor de Nederlandse wetgeving kwalificerende pensioenregeling3. Dat hierbij aan belanghebbende een onvoorwaardelijk recht op pensioen is toegekend, maakt dit niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 18 van het belastingverdrag van toepassing is op de pensioenuitkeringen.

5.2. De rechtbank beoordeelt of aan de voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag is voldaan.
Letter a
Belanghebbende stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan omdat gedurende de opbouwfase geen sprake is geweest van fiscale faciliëring in Nederland.
De rechtbank overweegt dat het een algemeen bekend feit is dat gedurende de opbouwfase de omkeerregeling van toepassing was (de pensioenpremies aftrekbaar, de latere pensioenuitkeringen belastbaar). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs te leveren dat er gedurende de opbouwfase geen fiscale faciliëring van toepassing was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen enkel concreet verifieerbaar stuk overgelegd om dit aannemelijk te maken.
Letter b
Uit de informatie die de inspecteur heeft verkregen van de Belgische belastingautoriteiten volgt dat de pensioenuitkeringen niet in de progressieve Belgische inkomstenbelasting zijn betrokken.
Aangezien de pensioenuitkeringen in 2018 tevens een bedrag van € 25.000 te boven gaan, is aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag voldaan. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen aan Nederland is toegewezen.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij niet kan oordelen over de inhouding van loonbelasting door de Stichting Pensioenfonds TNO over 2018 en daaropvolgende jaren omdat zij niet buiten de omvang van het geding kan treden6.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:8322<br />
InstantieRechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak30-11-2023<br />
Datum publicatie11-12-2023<br />
ZaaknummerBRE 22/4765<br />
Feiten:<br />
2. Belanghebbende is op 5 maart 2003 geëmigreerd uit Nederland en sindsdien woonachtig in België.<br />
2.1.<br />
Belanghebbende is van 16 juni 1969 tot 1 juni 2004 (datum pensionering) in Nederland in dienstbetrekking werkzaam geweest bij TNO. Gedurende deze periode zijn pensioenrechten opgebouwd bij de Stichting Pensioenfonds TNO. Vanaf 1 juni 2004 ontvangt belanghebbende hieruit periodieke pensioenuitkeringen (de pensioenuitkeringen).<br />
2.2.<br />
In 2018 heeft belanghebbende pensioenuitkeringen van € 55.002 ontvangen waarop € 12.077 aan loonbelasting is ingehouden.</p>
<p>5.1.<br />
Belanghebbende stelt dat zijn pensioenrechten naar Belgisch recht individueel en definitief verworven zijn en er daarom geen sprake is van een pensioen in de zin van artikel 18 van het belastingverdrag. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.2, tweede lid, van het belastingverdrag, het begrip pensioen op basis van de Nederlandse wetgeving uitgelegd dient te worden. Uit door de Stichting Pensioenfonds TNO gerenseigneerde gegevens volgt dat belanghebbende uitkeringen verkrijgt op basis van een voor de Nederlandse wetgeving kwalificerende pensioenregeling3. Dat hierbij aan belanghebbende een onvoorwaardelijk recht op pensioen is toegekend, maakt dit niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 18 van het belastingverdrag van toepassing is op de pensioenuitkeringen.</p>
<p>5.2. De rechtbank beoordeelt of aan de voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag is voldaan.<br />
Letter a<br />
Belanghebbende stelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan omdat gedurende de opbouwfase geen sprake is geweest van fiscale faciliëring in Nederland.<br />
De rechtbank overweegt dat het een algemeen bekend feit is dat gedurende de opbouwfase de omkeerregeling van toepassing was (de pensioenpremies aftrekbaar, de latere pensioenuitkeringen belastbaar). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs te leveren dat er gedurende de opbouwfase geen fiscale faciliëring van toepassing was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen enkel concreet verifieerbaar stuk overgelegd om dit aannemelijk te maken.<br />
Letter b<br />
Uit de informatie die de inspecteur heeft verkregen van de Belgische belastingautoriteiten volgt dat de pensioenuitkeringen niet in de progressieve Belgische inkomstenbelasting zijn betrokken.<br />
Aangezien de pensioenuitkeringen in 2018 tevens een bedrag van € 25.000 te boven gaan, is aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag voldaan. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen aan Nederland is toegewezen.<br />
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van proceskosten.<br />
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij niet kan oordelen over de inhouding van loonbelasting door de Stichting Pensioenfonds TNO over 2018 en daaropvolgende jaren omdat zij niet buiten de omvang van het geding kan treden6.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13405</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 07 Nov 2023 12:45:16 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13405</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:6860
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-10-2023
Datum publicatie 31-10-2023
Zaaknummer 22/3427, 22/3429 en 22/3430


Feiten
4. Belanghebbende woonde van 24 februari 2010 tot 21 juni 2018 in België. Vanaf 22 juni 2018 woont zij in Nederland.
4.1.
Belanghebbende ontving in de jaren 2016 tot en met 2018 uit Nederland de volgende inkomsten:
Jaar Sociale Verzekeringsbank (SVB) Pensioenfonds Slagersbedrijf Aegon
2016 € 15.068 € 128 € 67.206
2017 € 15.261 € 128 € 67.206
2018 € 15.412 € 128 € 67.206
4.2.
Belanghebbende is eigenaar van de in Nederland gelegen woning aan de [adres] te [plaats] (de woning). De woning staat haar ter beschikking voor eigen gebruik en wordt niet verhuurd.
(..)
2017
6.5.
De inspecteur heeft als nieuw feit aan de navorderingsaanslag IB 2017 ten grondslag gelegd dat hij er niet mee bekend was dat het heffingsrecht over de Aegon-uitkering niet was toegewezen aan België, omdat deze aldaar niet voor meer dan 90% in de heffing naar een progressief tarief werd betrokken. De inspecteur ziet het nieuwe feit in de in november 2020 verstrekte gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten en het nadere onderzoek wat daarna door hem is gepleegd in combinatie met de door belanghebbende op 21 juni 2021 aangeleverde Belgische aanslag- en aangiftedocumentatie over 2016 en 2017. De inspecteur bestrijdt dat uit de informatie ontvangen van de Belgische autoriteiten op 2 juli 2018, iets anders viel op te maken dan dat belanghebbende in België aangifte deed, wat volgens zijn gegevens ook logisch was. Niet viel op te maken dat de Aegon-uitkering in België kortgezegd zodanig laag belast werd dat het heffingsrecht aan Nederland was toegewezen.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het door de inspecteur gestelde feitencomplex inclusief de uit België verkregen informatie op 21 juni 2021 een nieuw feit dat in beginsel navordering rechtvaardigt. De rechtbank acht gelet op de gedingstukken namelijk aannemelijk dat de inspecteur vóór het opleggen van de aanslag IB 2017 – op 20 augustus 2019 - niet wist dat de Aegon-uitkering in België niet voor minimaal 90% in de belastingheffing werd betrokken en/of niet tegen het progressieve tarief belast werd. Uit de op 2 juni 2018 ontvangen informatie (zie 4.4) valt niet op te maken hoe de Aegon-uitkering in België werd belast en daaruit kan dus niet de conclusie worden getrokken dat de inspecteur toen al wist dat de Aegon-uitkering zodanig laag belast werd in België dat Nederland hierover heffingsbevoegd was.
De vraag is vervolgens of de inspecteur behoorde te weten dat (i) het pensioen in België zo laag belast werd, en dat (ii) ook aan de overige voorwaarden die het pensioenartikel aan toewijzing van de heffing van inkomstenbelasting over het pensioen aan Nederland stelt, was voldaan. Nu volgens de hoofdregel uit het Verdrag pensioen in de woonstaat (België) belast wordt en in aanmerking genomen dat uitsluitend in ‘onevenwichtige situaties’ onder strikte voorwaarden de heffing ook aan Nederland is toegewezen, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat de heffing over het pensioen aan België was toegewezen.7 Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd.
6.7.
Omdat sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit, behoeft hetgeen de inspecteur overigens heeft gesteld ten aanzien van zijn navorderingsbevoegdheid geen verdere behandeling.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:6860<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 05-10-2023<br />
Datum publicatie 31-10-2023<br />
Zaaknummer 22/3427, 22/3429 en 22/3430</p>
<p>Feiten<br />
4. Belanghebbende woonde van 24 februari 2010 tot 21 juni 2018 in België. Vanaf 22 juni 2018 woont zij in Nederland.<br />
4.1.<br />
Belanghebbende ontving in de jaren 2016 tot en met 2018 uit Nederland de volgende inkomsten:<br />
Jaar Sociale Verzekeringsbank (SVB) Pensioenfonds Slagersbedrijf Aegon<br />
2016 € 15.068 € 128 € 67.206<br />
2017 € 15.261 € 128 € 67.206<br />
2018 € 15.412 € 128 € 67.206<br />
4.2.<br />
Belanghebbende is eigenaar van de in Nederland gelegen woning aan de [adres] te [plaats] (de woning). De woning staat haar ter beschikking voor eigen gebruik en wordt niet verhuurd.<br />
(..)<br />
2017<br />
6.5.<br />
De inspecteur heeft als nieuw feit aan de navorderingsaanslag IB 2017 ten grondslag gelegd dat hij er niet mee bekend was dat het heffingsrecht over de Aegon-uitkering niet was toegewezen aan België, omdat deze aldaar niet voor meer dan 90% in de heffing naar een progressief tarief werd betrokken. De inspecteur ziet het nieuwe feit in de in november 2020 verstrekte gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten en het nadere onderzoek wat daarna door hem is gepleegd in combinatie met de door belanghebbende op 21 juni 2021 aangeleverde Belgische aanslag- en aangiftedocumentatie over 2016 en 2017. De inspecteur bestrijdt dat uit de informatie ontvangen van de Belgische autoriteiten op 2 juli 2018, iets anders viel op te maken dan dat belanghebbende in België aangifte deed, wat volgens zijn gegevens ook logisch was. Niet viel op te maken dat de Aegon-uitkering in België kortgezegd zodanig laag belast werd dat het heffingsrecht aan Nederland was toegewezen.<br />
6.6.<br />
Naar het oordeel van de rechtbank vormt het door de inspecteur gestelde feitencomplex inclusief de uit België verkregen informatie op 21 juni 2021 een nieuw feit dat in beginsel navordering rechtvaardigt. De rechtbank acht gelet op de gedingstukken namelijk aannemelijk dat de inspecteur vóór het opleggen van de aanslag IB 2017 – op 20 augustus 2019 &#8211; niet wist dat de Aegon-uitkering in België niet voor minimaal 90% in de belastingheffing werd betrokken en/of niet tegen het progressieve tarief belast werd. Uit de op 2 juni 2018 ontvangen informatie (zie 4.4) valt niet op te maken hoe de Aegon-uitkering in België werd belast en daaruit kan dus niet de conclusie worden getrokken dat de inspecteur toen al wist dat de Aegon-uitkering zodanig laag belast werd in België dat Nederland hierover heffingsbevoegd was.<br />
De vraag is vervolgens of de inspecteur behoorde te weten dat (i) het pensioen in België zo laag belast werd, en dat (ii) ook aan de overige voorwaarden die het pensioenartikel aan toewijzing van de heffing van inkomstenbelasting over het pensioen aan Nederland stelt, was voldaan. Nu volgens de hoofdregel uit het Verdrag pensioen in de woonstaat (België) belast wordt en in aanmerking genomen dat uitsluitend in ‘onevenwichtige situaties’ onder strikte voorwaarden de heffing ook aan Nederland is toegewezen, mocht de inspecteur ervan uitgaan dat de heffing over het pensioen aan België was toegewezen.7 Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd.<br />
6.7.<br />
Omdat sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit, behoeft hetgeen de inspecteur overigens heeft gesteld ten aanzien van zijn navorderingsbevoegdheid geen verdere behandeling.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13378</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 01 Nov 2023 21:38:24 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13378</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:7351
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-10-2023
Datum publicatie 01-11-2023
Zaaknummer BRE 22/3913
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie-
VindplaatsenRechtspraak.nl

(..)


Feiten
3. Belanghebbende is in 2018 inwoner van België.
3.1.
Belanghebbende heeft in 2018 (reguliere) pensioeninkomsten uit Nederland ontvangen ten bedrage van € 23.817.
3.2.
Daarnaast heeft belanghebbende in 2018 uit Nederland een eenmalige uitkering ter grootte van € 7.371 ontvangen als gevolg van de afkoop van een niet-ingegane lijfrentepolis.
3.3.
Belanghebbende heeft in België aangifte gedaan van zijn in Nederland verworven inkomsten. In België is vrijstelling van belasting verleend ter zake van de pensioeninkomsten.
3.4.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning verantwoord van € 7.371.
3.5.
De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft de aanslag IB 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.188 (€ 23.817 + € 7.371).


4.10.
Bij de beantwoording van de vraag of de afkoopsom ter zake van de niet-ingegane lijfrente voor de in artikel 18 paragraaf 2 van het Verdrag genoemde grens van € 25.000 in aanmerking moet worden genomen (standpunt inspecteur) of dat deze afkoopsom voor deze beoordeling buiten beschouwing blijft (standpunt belanghebbende) stelt de rechtbank het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat pensioenen uitsluitend ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat, in dit geval dus aan België. Dit uitgangspunt is als hoofdregel verankerd in artikel 18, paragraaf 1 van het Verdrag. De tweede paragraaf van artikel 18 van het Verdrag, dat onder omstandigheden de bronstaat ook heffingsrechten verleent, vormt op die hoofdregel een uitzondering. Naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijke uitzondering beperkt, dat wil zeggen slechts indien over de toepasbaarheid in redelijkheid geen discussie kan bestaan, te worden toegepast.
4.11.
De rechtbank acht in dit geval de toepasbaarheid van de uitzonderingsbepaling wel discutabel. Indien uitsluitend naar de tekst van artikel 18, paragraaf 2 van het Verdrag wordt gekeken, dan behoort de afkoopsom van de lijfrente-uitkering tot de daar genoemde inkomensbestanddelen. De tekst van artikel 18, paragraaf 2 van het Verdrag suggereert immers dat de grens van € 25.000, alle in paragraaf 1 genoemde uitkeringen, dus ook afkoopsommen van niet-ingegane lijfrenten, omvat. Indien de rechtbank echter naast de tweede paragraaf van artikel 18 ook de derde paragraaf in ogenschouw neemt, dan ontstaat er twijfel. Op grond van de derde paragraaf is sprake van een expliciete bronstaatheffing over afkoopsommen van niet-ingegane pensioenen en lijfrenten. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat artikel 18, paragraaf 2 slechts ziet op ingegane pensioenen en lijfrenten. De twijfel wordt sterker als bij beantwoording van de vraag de gezamenlijke toelichting bij het Verdrag en de parlementaire geschiedenis worden betrokken. Daar staat in verschillende passages (zie 4.8 en 4.9) expliciet vermeld dat de tweede paragraaf van artikel 18 uitsluitend ziet op ingegane pensioenen en lijfrenten. Op basis daarvan zou aangenomen moeten worden dat de afkoopsom van de niet-ingegane lijfrente niet tot de inkomensbestanddelen behoort die op grond van het tweede lid van artikel 18 voor bronstaatheffing in aanmerking komen. De omstandigheid dat het onderscheid tussen ingegane en niet-ingegane pensioenen en lijfrenten niet wordt gemaakt op andere plaatsen in de parlementaire geschiedenis maakt dat niet anders.
4.12.
Gelet op de verhouding tussen de hoofdregel van de eerste paragraaf van artikel 18 en de uitzonderingsbepaling van de tweede paragraaf en, gegeven de hiervoor geschetste onzekerheid over de uitleg van die tweede paragraaf, is de rechtbank van oordeel dat de afkoopsom van de lijfrente niet behoort tot de inkomensbestanddelen die op grond van de tweede paragraaf van artikel 18 belastbaar zijn. Voor een andersluidend oordeel op basis van de, na totstandkoming van het Verdrag, gesloten overeenkomst van 28 maart 20189 is om dezelfde reden geen plaats. Gelet hierop komt de rechtbank tot de slotsom dat het heffingsrecht over de reguliere pensioeninkomsten ten bedrage van € 23.817, nu dit bedrag lager is dan de grens van € 25.000, is toegewezen aan België.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:7351<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 23-10-2023<br />
Datum publicatie 01-11-2023<br />
Zaaknummer BRE 22/3913<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie-<br />
VindplaatsenRechtspraak.nl</p>
<p>(..)</p>
<p>Feiten<br />
3. Belanghebbende is in 2018 inwoner van België.<br />
3.1.<br />
Belanghebbende heeft in 2018 (reguliere) pensioeninkomsten uit Nederland ontvangen ten bedrage van € 23.817.<br />
3.2.<br />
Daarnaast heeft belanghebbende in 2018 uit Nederland een eenmalige uitkering ter grootte van € 7.371 ontvangen als gevolg van de afkoop van een niet-ingegane lijfrentepolis.<br />
3.3.<br />
Belanghebbende heeft in België aangifte gedaan van zijn in Nederland verworven inkomsten. In België is vrijstelling van belasting verleend ter zake van de pensioeninkomsten.<br />
3.4.<br />
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning verantwoord van € 7.371.<br />
3.5.<br />
De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft de aanslag IB 2018 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.188 (€ 23.817 + € 7.371).</p>
<p>4.10.<br />
Bij de beantwoording van de vraag of de afkoopsom ter zake van de niet-ingegane lijfrente voor de in artikel 18 paragraaf 2 van het Verdrag genoemde grens van € 25.000 in aanmerking moet worden genomen (standpunt inspecteur) of dat deze afkoopsom voor deze beoordeling buiten beschouwing blijft (standpunt belanghebbende) stelt de rechtbank het volgende voorop. Als uitgangspunt geldt dat pensioenen uitsluitend ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat, in dit geval dus aan België. Dit uitgangspunt is als hoofdregel verankerd in artikel 18, paragraaf 1 van het Verdrag. De tweede paragraaf van artikel 18 van het Verdrag, dat onder omstandigheden de bronstaat ook heffingsrechten verleent, vormt op die hoofdregel een uitzondering. Naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijke uitzondering beperkt, dat wil zeggen slechts indien over de toepasbaarheid in redelijkheid geen discussie kan bestaan, te worden toegepast.<br />
4.11.<br />
De rechtbank acht in dit geval de toepasbaarheid van de uitzonderingsbepaling wel discutabel. Indien uitsluitend naar de tekst van artikel 18, paragraaf 2 van het Verdrag wordt gekeken, dan behoort de afkoopsom van de lijfrente-uitkering tot de daar genoemde inkomensbestanddelen. De tekst van artikel 18, paragraaf 2 van het Verdrag suggereert immers dat de grens van € 25.000, alle in paragraaf 1 genoemde uitkeringen, dus ook afkoopsommen van niet-ingegane lijfrenten, omvat. Indien de rechtbank echter naast de tweede paragraaf van artikel 18 ook de derde paragraaf in ogenschouw neemt, dan ontstaat er twijfel. Op grond van de derde paragraaf is sprake van een expliciete bronstaatheffing over afkoopsommen van niet-ingegane pensioenen en lijfrenten. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat artikel 18, paragraaf 2 slechts ziet op ingegane pensioenen en lijfrenten. De twijfel wordt sterker als bij beantwoording van de vraag de gezamenlijke toelichting bij het Verdrag en de parlementaire geschiedenis worden betrokken. Daar staat in verschillende passages (zie 4.8 en 4.9) expliciet vermeld dat de tweede paragraaf van artikel 18 uitsluitend ziet op ingegane pensioenen en lijfrenten. Op basis daarvan zou aangenomen moeten worden dat de afkoopsom van de niet-ingegane lijfrente niet tot de inkomensbestanddelen behoort die op grond van het tweede lid van artikel 18 voor bronstaatheffing in aanmerking komen. De omstandigheid dat het onderscheid tussen ingegane en niet-ingegane pensioenen en lijfrenten niet wordt gemaakt op andere plaatsen in de parlementaire geschiedenis maakt dat niet anders.<br />
4.12.<br />
Gelet op de verhouding tussen de hoofdregel van de eerste paragraaf van artikel 18 en de uitzonderingsbepaling van de tweede paragraaf en, gegeven de hiervoor geschetste onzekerheid over de uitleg van die tweede paragraaf, is de rechtbank van oordeel dat de afkoopsom van de lijfrente niet behoort tot de inkomensbestanddelen die op grond van de tweede paragraaf van artikel 18 belastbaar zijn. Voor een andersluidend oordeel op basis van de, na totstandkoming van het Verdrag, gesloten overeenkomst van 28 maart 20189 is om dezelfde reden geen plaats. Gelet hierop komt de rechtbank tot de slotsom dat het heffingsrecht over de reguliere pensioeninkomsten ten bedrage van € 23.817, nu dit bedrag lager is dan de grens van € 25.000, is toegewezen aan België.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13361</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 31 Oct 2023 22:43:27 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13361</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:6860

Daaruit:
Is de Aegon-uitkering voor de jaren 2017 en 2018 terecht in de navordering betrokken?
9. Belanghebbende stelt dat de Aegon-uitkering niet in de Nederlandse heffingsgrondslag mag worden betrokken, omdat deze op grond van het Verdrag aan België is toegewezen. Zij voert hiertoe aan dat de premie niet in Nederland in aftrek is gebracht, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 18, tweede lid, onder a van het Verdrag. Voor het geval de heffing niet aan België is toegewezen, heeft de gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard dat dan niet in geschil is dat de inspecteur de lijfrente uitkering op grond van de nationale regeling in de heffing mag betrekken.
9.1.
De rechtbank overweegt dat op belanghebbende, als meest gerede partij, de last rust om tegenover de betwisting van de inspecteur aannemelijk te maken dat, zoals zij stelt, de premies in het verleden niet ten laste zijn gebracht van het Nederlands inkomen. De enkele stelling dat de lijfrente in 1986 is aangekocht vanuit een overlijdensrisicopolis van haar (wijlen) echtgenoot is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de betaalde premies voor de Aegon-uitkering niet eerder in aftrek zijn gebracht. Omdat niet is betwist dat de Aegon-uitkering voor minder dan 90% in de heffing in België is betrokken en omdat de uitkering het bedrag van € 25.000 overstijgt, heeft de inspecteur de Aegon-uitkering terecht in de navordering betrokken.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:6860</p>
<p>Daaruit:<br />
Is de Aegon-uitkering voor de jaren 2017 en 2018 terecht in de navordering betrokken?<br />
9. Belanghebbende stelt dat de Aegon-uitkering niet in de Nederlandse heffingsgrondslag mag worden betrokken, omdat deze op grond van het Verdrag aan België is toegewezen. Zij voert hiertoe aan dat de premie niet in Nederland in aftrek is gebracht, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 18, tweede lid, onder a van het Verdrag. Voor het geval de heffing niet aan België is toegewezen, heeft de gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard dat dan niet in geschil is dat de inspecteur de lijfrente uitkering op grond van de nationale regeling in de heffing mag betrekken.<br />
9.1.<br />
De rechtbank overweegt dat op belanghebbende, als meest gerede partij, de last rust om tegenover de betwisting van de inspecteur aannemelijk te maken dat, zoals zij stelt, de premies in het verleden niet ten laste zijn gebracht van het Nederlands inkomen. De enkele stelling dat de lijfrente in 1986 is aangekocht vanuit een overlijdensrisicopolis van haar (wijlen) echtgenoot is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de betaalde premies voor de Aegon-uitkering niet eerder in aftrek zijn gebracht. Omdat niet is betwist dat de Aegon-uitkering voor minder dan 90% in de heffing in België is betrokken en omdat de uitkering het bedrag van € 25.000 overstijgt, heeft de inspecteur de Aegon-uitkering terecht in de navordering betrokken.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Cees Vermeeren		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13289</link>

		<dc:creator><![CDATA[Cees Vermeeren]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 25 Oct 2023 18:15:55 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13289</guid>

					<description><![CDATA[Zie hierboven Jan de Voogd op 2 maart 2023 om 17:15
ECLI:NL:GHSHE:2023:466
Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak 01-02-2023 Datum publicatie 01-03-2023 Zaaknummer 21/00618 tot en met 21/00621 
De belastingdienst heeft hiertegen cassatie beroep ingesteld.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Zie hierboven Jan de Voogd op 2 maart 2023 om 17:15<br />
ECLI:NL:GHSHE:2023:466<br />
Instantie Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch Datum uitspraak 01-02-2023 Datum publicatie 01-03-2023 Zaaknummer 21/00618 tot en met 21/00621<br />
De belastingdienst heeft hiertegen cassatie beroep ingesteld.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Landencoördinator</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13279</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 25 Oct 2023 11:03:53 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13279</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13278&quot;&gt;Cees Vermeeren&lt;/a&gt;.

Denk je Cees? Waarom staat die kwalificatie over niet progressief belast zijn dan in de uitspraak?]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13278">Cees Vermeeren</a>.</p>
<p>Denk je Cees? Waarom staat die kwalificatie over niet progressief belast zijn dan in de uitspraak?</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Cees Vermeeren		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13278</link>

		<dc:creator><![CDATA[Cees Vermeeren]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 25 Oct 2023 10:47:52 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13278</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13275&quot;&gt;Jan de Voogd&lt;/a&gt;.

Jan, dat alle pp het eens zijn dat meer dan 25.000€ niet progressief is belast in B wil nog niet zeggen dat ze het eens zijn of en in hoeverre dit relevant is voor het heffingsrecht van NL als dit bedrag minder dan 25.000€ is.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13275">Jan de Voogd</a>.</p>
<p>Jan, dat alle pp het eens zijn dat meer dan 25.000€ niet progressief is belast in B wil nog niet zeggen dat ze het eens zijn of en in hoeverre dit relevant is voor het heffingsrecht van NL als dit bedrag minder dan 25.000€ is.</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Landencoördinator</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/03/17/heffing-over-pensioenen-van-inwoner-van-belgie/#comment-13275</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 25 Oct 2023 09:17:52 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10123#comment-13275</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:6377
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-09-2023
Datum publicatie 20-10-2023
Zaaknummer22/3001 t/m 22/3003 en 23/1328
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Artikel 18 Verdrag NL-BEL, belastingrente
VindplaatsenRechtspraak.nl

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende,
En de inspecteur van de belastingdienst
 Daaruit:
5.1.
Dat België de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden voor minder dan 90% in de heffing betrekt en het totale bedrag van de pensioenuitkeringen dat in België niet progressief belast wordt een bedrag van € 25.000 te boven gaat, is tussen partijen niet in geschil.
5.2.
Belanghebbende stelt dat het heffingsrecht over zijn pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden aan België is toegewezen op grond van de hoofdregel van artikel 18, eerste lid, letter a, van het Verdrag en dat de uitzondering op grond van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag niet van toepassing is.
5.3.
De inspecteur voert aan dat de uitzondering op basis van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag, resulterende in de toewijzing van het heffingsrecht aan Nederland, van toepassing is. Hiertoe voert de inspecteur aan dat ingeval van uitkeringen uit een Nederlandse ouderdomspensioenregeling, het uitgangspunt is dat daarop in de opbouwfase de omkeerregeling van toepassing is geweest. Dit betekent dat de ingelegde premies aftrekbaar waren en de latere uitkeringen volledig belast zijn. Dit is volgens de inspecteur een algemeen bekend feit. De rechtbank acht aannemelijk dat de omkeerregeling van toepassing was gedurende de opbouwperiode. De inspecteur heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de uitzondering op grond van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag van toepassing is.
5.4.
Belanghebbende stelt dat hij de pensioenpremies gedurende de opbouwperiode niet op zijn belastbare inkomens in aftrek heeft gebracht. Aangezien belanghebbende zich beroept op de rechtsgevolgen van het niet in aftrek brengen van de pensioenpremies en het de wijze van verwerken in zijn aangiften betreft, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs hiervoor te leveren.
5.5.
Belanghebbende heeft geen bewijsmiddelen aangedragen die zijn stelling dat de pensioenpremies gedurende de opbouwperiode niet in aftrek zijn gebracht onderbouwen. Met betrekking tot zijn standpunt dat er onvoldoende belastbaar inkomen zou zijn geweest in de jaren 1984 t/m 1990 om de premies betaald aan Nationale-Nederlanden in aftrek te kunnen brengen, zijn door belanghebbende onvoldoende concreet verifieerbare stukken overgelegd om dit aannemelijk te maken.
5.6.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aan zijn bewijslast heeft voldaan.
De rechtbank begrijpt dat dit, gezien het feit dat de premies meer dan 30 jaar geleden zijn betaald, moeilijk is maar dit risico komt voor rekening van belanghebbende.
5.7.
Aangezien aan de voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag is voldaan, komt het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden over de jaren 2016 tot en met 2019 aan Nederland toe.
 Commentaar jdv: van belang lijkt me vooral deze uitleg uit 5.1. van alle drie de partijen, ook de Rechhtbank, wat betreft de 25000 euro grens: “..het totale bedrag van de pensioenuitkeringen dat in België niet progressief belast wordt een bedrag van € 25.000 te boven gaat”]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:6377<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 08-09-2023<br />
Datum publicatie 20-10-2023<br />
Zaaknummer22/3001 t/m 22/3003 en 23/1328<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie<br />
Artikel 18 Verdrag NL-BEL, belastingrente<br />
VindplaatsenRechtspraak.nl</p>
<p>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2023 in de zaak tussen</p>
<p>[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende,<br />
En de inspecteur van de belastingdienst<br />
 Daaruit:<br />
5.1.<br />
Dat België de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden voor minder dan 90% in de heffing betrekt en het totale bedrag van de pensioenuitkeringen dat in België niet progressief belast wordt een bedrag van € 25.000 te boven gaat, is tussen partijen niet in geschil.<br />
5.2.<br />
Belanghebbende stelt dat het heffingsrecht over zijn pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden aan België is toegewezen op grond van de hoofdregel van artikel 18, eerste lid, letter a, van het Verdrag en dat de uitzondering op grond van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag niet van toepassing is.<br />
5.3.<br />
De inspecteur voert aan dat de uitzondering op basis van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag, resulterende in de toewijzing van het heffingsrecht aan Nederland, van toepassing is. Hiertoe voert de inspecteur aan dat ingeval van uitkeringen uit een Nederlandse ouderdomspensioenregeling, het uitgangspunt is dat daarop in de opbouwfase de omkeerregeling van toepassing is geweest. Dit betekent dat de ingelegde premies aftrekbaar waren en de latere uitkeringen volledig belast zijn. Dit is volgens de inspecteur een algemeen bekend feit. De rechtbank acht aannemelijk dat de omkeerregeling van toepassing was gedurende de opbouwperiode. De inspecteur heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de uitzondering op grond van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag van toepassing is.<br />
5.4.<br />
Belanghebbende stelt dat hij de pensioenpremies gedurende de opbouwperiode niet op zijn belastbare inkomens in aftrek heeft gebracht. Aangezien belanghebbende zich beroept op de rechtsgevolgen van het niet in aftrek brengen van de pensioenpremies en het de wijze van verwerken in zijn aangiften betreft, is de rechtbank van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs hiervoor te leveren.<br />
5.5.<br />
Belanghebbende heeft geen bewijsmiddelen aangedragen die zijn stelling dat de pensioenpremies gedurende de opbouwperiode niet in aftrek zijn gebracht onderbouwen. Met betrekking tot zijn standpunt dat er onvoldoende belastbaar inkomen zou zijn geweest in de jaren 1984 t/m 1990 om de premies betaald aan Nationale-Nederlanden in aftrek te kunnen brengen, zijn door belanghebbende onvoldoende concreet verifieerbare stukken overgelegd om dit aannemelijk te maken.<br />
5.6.<br />
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet aan zijn bewijslast heeft voldaan.<br />
De rechtbank begrijpt dat dit, gezien het feit dat de premies meer dan 30 jaar geleden zijn betaald, moeilijk is maar dit risico komt voor rekening van belanghebbende.<br />
5.7.<br />
Aangezien aan de voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het Verdrag is voldaan, komt het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen van Nationale-Nederlanden over de jaren 2016 tot en met 2019 aan Nederland toe.<br />
 Commentaar jdv: van belang lijkt me vooral deze uitleg uit 5.1. van alle drie de partijen, ook de Rechhtbank, wat betreft de 25000 euro grens: “..het totale bedrag van de pensioenuitkeringen dat in België niet progressief belast wordt een bedrag van € 25.000 te boven gaat”</p>
<ul class="wpcomment-ul"><li class="wpcomment-li"><strong>Hoedanigheid:</strong> - Adviseur</li></ul>]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
