<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: Kamervragen over internationale uitwisseling gegevens voor belastingen	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/2021/04/02/kamervragen-over-internationale-uitwisseling-gegevens-voor-belastingen/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu/2021/04/02/kamervragen-over-internationale-uitwisseling-gegevens-voor-belastingen/</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Fri, 04 Jun 2021 12:21:46 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/2021/04/02/kamervragen-over-internationale-uitwisseling-gegevens-voor-belastingen/#comment-7025</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 04 Jun 2021 12:21:46 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?p=10278#comment-7025</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:PHR:2021:492
Instantie  Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 18-05-2021 Datum publicatie 04-06-2021 Zaaknummer 20/01369 Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken -
Inhoudsindicatie
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of de Inspecteur bij een informatieverzoek naar alle buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende, bekend moest maken dat hij al op de hoogte was van bepaalde verzwegen Belgische bankrekeningen, op straffe van vernietiging van de informatiebeschikking.

Het gaat om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 10 maart 2020, nr. BK-19/00517.

De FIOD heeft de Inspecteur intern geïnformeerd over het ontdekt zijn van bepaalde verzwegen Belgische bankrekeningen van belanghebbende. Daarop heeft de Inspecteur, zonder belanghebbende te informeren over deze bij hem bekend geworden bankrekeningen, bij brief van 23 juli 2015 in het algemeen gevraagd welke buitenlandse bankrekeningen belanghebbende heeft of had vanaf 1 januari 2003. Er is verzocht om toezending van rekeningafschriften. Ook is gevraagd wat de herkomst is van de stortingen op de buitenlandse bankrekeningen. En voorts wie anders mede beschikkingsmacht had over de rekeningen.

In antwoord heeft belanghebbende gewezen op bepaalde buitenlandse bankrekeningen, maar tot een volledige beantwoording is het niet gekomen. De Belgische bankrekeningen heeft belanghebbende niet genoemd. Daarop heeft de Inspecteur de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. Deze ziet op de vragen over de door belanghebbende aangehouden buitenlandse bankrekeningen van 1 januari 2003 tot en met 3 mei 2016, met het oog op de heffing van inkomstenbelasting en omzetbelasting.

Nadien heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat volgens bij hem bekende gegevens belanghebbende beschikt of heeft beschikt over Belgische bankrekeningen waarvan in de aangiften inkomstenbelasting nooit melding is gemaakt. In geschil is of de Inspecteur door middel van deze informatiebeschikking terecht heeft bepaald dat belanghebbende niet aan de haar ingevolge artikel 47 van de AWR opgelegde informatieverplichtingen heeft voldaan.

Volgens het Hof heeft de Inspecteur belanghebbende bij het vragen van informatie en het geven van de informatiebeschikking ten onrechte bewust in het ongewisse gelaten inzake de bij hem bekende informatie over de Belgische bankrekeningen en daarmee samenhangend belanghebbende onvoldoende duidelijk gemaakt welke informatie hij exact wenste te ontvangen. Deze werkwijze is naar het oordeel van het Hof niet te verenigen met het doel van de informatiebeschikking, zijnde het bieden van rechtsbescherming inzake zowel de legitimiteit van het informatieverzoek, als (het voorkomen van) de omkering van de bewijslast. Het had, aldus het Hof, op de weg van de Inspecteur gelegen om belanghebbende bij het vragen van informatie op de hoogte te brengen van de bij hem bekende informatie inzake de Belgische bankrekeningen (en de wijze waarop de Inspecteur deze informatie heeft verworven) en aan de hand hiervan bij belanghebbende nader te informeren naar gegevens omtrent deze rekeningen, waarbij de Inspecteur voorts in algemene zin had kunnen vragen of belanghebbende over andere buitenlandse bankrekeningen beschikt. Het Hof heeft de informatiebeschikking vernietigd.

Naar aanleiding van het beroep van de Staatssecretaris merkt de A-G om te beginnen op dat het hem, anders dan het Hof, volstrekt duidelijk lijkt welke informatie de Inspecteur wenste te ontvangen.

Met de benadering en beoordeling van het Hof is de A-G het niet eens om twee redenen. De eerste is dat het Hof hier zijns inziens niet goed omgaat met het uitgangspunt dat de meerdere rechtsbescherming die is ontstaan door de invoering van de informatiebeschikking van processuele aard is. De informatiebeschikking is ingevoerd om belastingplichtigen in de gelegenheid te stellen hun standpunt over de omvang van hun informatieplicht vrijelijk te kunnen voorleggen aan de rechter zonder dat onmiddellijk - in beroep na oplegging van een belastingaanslag - omkering van de bewijslast moest volgen als de rechter het daarover niet eens bleek te zijn met de belastingplichtige.

De A-G meent dat in casu volledig blijft voldaan aan die processuele rechtsbescherming, ongeacht of de Inspecteur al dan niet ten tijde van het geven van de informatiebeschikking aan belanghebbende heeft meegedeeld dat hij al op de hoogte was van de Belgische bankrekeningen. Dat betekent dat de Inspecteur jegens belanghebbende door het niet meteen melden van die rekeningen, niets heeft afgedaan aan die rechtsbescherming.

De tweede reden waarom de A-G zich niet kan verenigen met de beoordeling van het Hof is van materiële aard. De reikwijdte van artikel 47 AWR is aanzienlijk. Er is geen wettelijke regel die de inspecteur voorschrijft bij de afgifte van een informatiebeschikking alle relevante informatie bekend te maken waarover hij al beschikt. Dat neemt niet weg dat de inspecteur bij het afgeven van een informatiebeschikking moet blijven binnen de begrenzingen als gesteld door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In casu is daaraan volgens de A-G voldaan. Dat de Inspecteur op de hoogte was van de Belgische bankrekeningen behoefde belanghebbende niet te weten om te kunnen voldoen aan het informatieverzoek, zodat in zoverre geen enkel bezwaar of nadeel voor belanghebbende aanwijsbaar is. Het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play, acht de A-G niet geschonden. Er was voldoende aanleiding om te kunnen veronderstellen dat belanghebbende meer buitenlandse rekeningen verzwegen hand.

Een en ander betekent dat de A-G meent dat het onderhavige inlichtingenverzoek toelaatbaar is, zodat de gegeven informatiebeschikking in stand moet blijven.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Conclusie PROCUREUR-GENERAAL 
BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01369


Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Informatiebeschikking 2005 - 2007

Nr. Gerechtshof BK-19/00517

Nr. Rechtbank SGR 19/1629

CONCLUSIE

R.L.H. IJzerman

in de zaak van de Staatssecretaris van Financiën tegen  [X]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:PHR:2021:492<br />
Instantie  Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 18-05-2021 Datum publicatie 04-06-2021 Zaaknummer 20/01369 Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken &#8211;<br />
Inhoudsindicatie<br />
A-G IJzerman heeft conclusie genomen over de vraag of de Inspecteur bij een informatieverzoek naar alle buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende, bekend moest maken dat hij al op de hoogte was van bepaalde verzwegen Belgische bankrekeningen, op straffe van vernietiging van de informatiebeschikking.</p>
<p>Het gaat om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 10 maart 2020, nr. BK-19/00517.</p>
<p>De FIOD heeft de Inspecteur intern geïnformeerd over het ontdekt zijn van bepaalde verzwegen Belgische bankrekeningen van belanghebbende. Daarop heeft de Inspecteur, zonder belanghebbende te informeren over deze bij hem bekend geworden bankrekeningen, bij brief van 23 juli 2015 in het algemeen gevraagd welke buitenlandse bankrekeningen belanghebbende heeft of had vanaf 1 januari 2003. Er is verzocht om toezending van rekeningafschriften. Ook is gevraagd wat de herkomst is van de stortingen op de buitenlandse bankrekeningen. En voorts wie anders mede beschikkingsmacht had over de rekeningen.</p>
<p>In antwoord heeft belanghebbende gewezen op bepaalde buitenlandse bankrekeningen, maar tot een volledige beantwoording is het niet gekomen. De Belgische bankrekeningen heeft belanghebbende niet genoemd. Daarop heeft de Inspecteur de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld. Deze ziet op de vragen over de door belanghebbende aangehouden buitenlandse bankrekeningen van 1 januari 2003 tot en met 3 mei 2016, met het oog op de heffing van inkomstenbelasting en omzetbelasting.</p>
<p>Nadien heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat volgens bij hem bekende gegevens belanghebbende beschikt of heeft beschikt over Belgische bankrekeningen waarvan in de aangiften inkomstenbelasting nooit melding is gemaakt. In geschil is of de Inspecteur door middel van deze informatiebeschikking terecht heeft bepaald dat belanghebbende niet aan de haar ingevolge artikel 47 van de AWR opgelegde informatieverplichtingen heeft voldaan.</p>
<p>Volgens het Hof heeft de Inspecteur belanghebbende bij het vragen van informatie en het geven van de informatiebeschikking ten onrechte bewust in het ongewisse gelaten inzake de bij hem bekende informatie over de Belgische bankrekeningen en daarmee samenhangend belanghebbende onvoldoende duidelijk gemaakt welke informatie hij exact wenste te ontvangen. Deze werkwijze is naar het oordeel van het Hof niet te verenigen met het doel van de informatiebeschikking, zijnde het bieden van rechtsbescherming inzake zowel de legitimiteit van het informatieverzoek, als (het voorkomen van) de omkering van de bewijslast. Het had, aldus het Hof, op de weg van de Inspecteur gelegen om belanghebbende bij het vragen van informatie op de hoogte te brengen van de bij hem bekende informatie inzake de Belgische bankrekeningen (en de wijze waarop de Inspecteur deze informatie heeft verworven) en aan de hand hiervan bij belanghebbende nader te informeren naar gegevens omtrent deze rekeningen, waarbij de Inspecteur voorts in algemene zin had kunnen vragen of belanghebbende over andere buitenlandse bankrekeningen beschikt. Het Hof heeft de informatiebeschikking vernietigd.</p>
<p>Naar aanleiding van het beroep van de Staatssecretaris merkt de A-G om te beginnen op dat het hem, anders dan het Hof, volstrekt duidelijk lijkt welke informatie de Inspecteur wenste te ontvangen.</p>
<p>Met de benadering en beoordeling van het Hof is de A-G het niet eens om twee redenen. De eerste is dat het Hof hier zijns inziens niet goed omgaat met het uitgangspunt dat de meerdere rechtsbescherming die is ontstaan door de invoering van de informatiebeschikking van processuele aard is. De informatiebeschikking is ingevoerd om belastingplichtigen in de gelegenheid te stellen hun standpunt over de omvang van hun informatieplicht vrijelijk te kunnen voorleggen aan de rechter zonder dat onmiddellijk &#8211; in beroep na oplegging van een belastingaanslag &#8211; omkering van de bewijslast moest volgen als de rechter het daarover niet eens bleek te zijn met de belastingplichtige.</p>
<p>De A-G meent dat in casu volledig blijft voldaan aan die processuele rechtsbescherming, ongeacht of de Inspecteur al dan niet ten tijde van het geven van de informatiebeschikking aan belanghebbende heeft meegedeeld dat hij al op de hoogte was van de Belgische bankrekeningen. Dat betekent dat de Inspecteur jegens belanghebbende door het niet meteen melden van die rekeningen, niets heeft afgedaan aan die rechtsbescherming.</p>
<p>De tweede reden waarom de A-G zich niet kan verenigen met de beoordeling van het Hof is van materiële aard. De reikwijdte van artikel 47 AWR is aanzienlijk. Er is geen wettelijke regel die de inspecteur voorschrijft bij de afgifte van een informatiebeschikking alle relevante informatie bekend te maken waarover hij al beschikt. Dat neemt niet weg dat de inspecteur bij het afgeven van een informatiebeschikking moet blijven binnen de begrenzingen als gesteld door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</p>
<p>In casu is daaraan volgens de A-G voldaan. Dat de Inspecteur op de hoogte was van de Belgische bankrekeningen behoefde belanghebbende niet te weten om te kunnen voldoen aan het informatieverzoek, zodat in zoverre geen enkel bezwaar of nadeel voor belanghebbende aanwijsbaar is. Het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van fair play, acht de A-G niet geschonden. Er was voldoende aanleiding om te kunnen veronderstellen dat belanghebbende meer buitenlandse rekeningen verzwegen hand.</p>
<p>Een en ander betekent dat de A-G meent dat het onderhavige inlichtingenverzoek toelaatbaar is, zodat de gegeven informatiebeschikking in stand moet blijven.</p>
<p>De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond dient te worden verklaard.</p>
<p>Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
Conclusie PROCUREUR-GENERAAL<br />
BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01369</p>
<p>Belastingkamer B</p>
<p>Onderwerp/tijdvak Informatiebeschikking 2005 &#8211; 2007</p>
<p>Nr. Gerechtshof BK-19/00517</p>
<p>Nr. Rechtbank SGR 19/1629</p>
<p>CONCLUSIE</p>
<p>R.L.H. IJzerman</p>
<p>in de zaak van de Staatssecretaris van Financiën tegen  [X]</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
