<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	
	>
<channel>
	<title>
	Reacties op: KBB &#8211; verdere beperkingen per 1 januari 2019	</title>
	<atom:link href="https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://vbngb.eu</link>
	<description>Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland</description>
	<lastBuildDate>Tue, 25 Jul 2023 10:20:45 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	
	<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-12713</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 25 Jul 2023 10:20:45 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-12713</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2023:5027

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-07-2023 Datum publicatie 24-07-2023
Zaaknummer BRE 22/1663
Rechtsgebieden Belastingrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. De algehele weigering van de toepassing van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting voor onder andere inwoners van Zwitserland in de loonbelasting leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met het verbod op discriminatie naar woonplaats, aangezien de wetgever daarvoor een gegronde reden heeft en omdat het mogelijk is om deze delen van de heffingskorting via de inkomstenbelasting alsnog te verkrijgen indien aan de
voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 24-7-2023
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2023:5027</p>
<p>Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak 17-07-2023 Datum publicatie 24-07-2023<br />
Zaaknummer BRE 22/1663<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie<br />
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. De algehele weigering van de toepassing van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting voor onder andere inwoners van Zwitserland in de loonbelasting leidt niet tot het oordeel dat sprake is van strijd met het verbod op discriminatie naar woonplaats, aangezien de wetgever daarvoor een gegronde reden heeft en omdat het mogelijk is om deze delen van de heffingskorting via de inkomstenbelasting alsnog te verkrijgen indien aan de<br />
voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 24-7-2023<br />
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2023 in de zaak tussen<br />
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende<br />
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-11697</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 28 Dec 2022 11:04:05 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-11697</guid>

					<description><![CDATA[Commentaar jdv: Het lijkt er vanuit de context in 3.8. op dat de Rechtbank in feite met woonplaatsverklaring bedoelde te zeggen: inkomensverklaring, als genoemd in art. 7.8 WetIB2001, die mede een voorwaarde vormt voor het verkrijgen van de KBB status (op grond van het 90% inkomenskriterium). Een woonplaatsverklaring dient namelijk veelal als bewijsmiddel dat men in een bepaald ander land dan Nederland woont of daar de fiscale woonplaats geacht wordt te zijn, afgegeven door de woonlandautoriteiten. Dit punt was echter in het geheel niet geding in deze zaak: betrokkene woont in België.

Kennelijk aanvaardt de Rechtbank, afwijkend van veel eerdere arresten, dat de weigering van de woonland belastingdienst een inkomensverklaring af te geven niet wegneemt dat ook op andere gronden bewijs kan worden geleverd voor het voldoen aan het 90% kriterium. Deze houding is ook in overeenstemming met het leerstuk van de vrije bewijsleer, al wordt dat in deze zaak niet genoemd. Aangezien er nog steeds wel eens moeilijkheden zijn de bedoelde inkomensverklaring te verkrijgen van de belastingdienst in het woonland kunnen andere (potentiële) KBB &#039;ers met deze uitspraak hun voordeel doen.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Commentaar jdv: Het lijkt er vanuit de context in 3.8. op dat de Rechtbank in feite met woonplaatsverklaring bedoelde te zeggen: inkomensverklaring, als genoemd in art. 7.8 WetIB2001, die mede een voorwaarde vormt voor het verkrijgen van de KBB status (op grond van het 90% inkomenskriterium). Een woonplaatsverklaring dient namelijk veelal als bewijsmiddel dat men in een bepaald ander land dan Nederland woont of daar de fiscale woonplaats geacht wordt te zijn, afgegeven door de woonlandautoriteiten. Dit punt was echter in het geheel niet geding in deze zaak: betrokkene woont in België.</p>
<p>Kennelijk aanvaardt de Rechtbank, afwijkend van veel eerdere arresten, dat de weigering van de woonland belastingdienst een inkomensverklaring af te geven niet wegneemt dat ook op andere gronden bewijs kan worden geleverd voor het voldoen aan het 90% kriterium. Deze houding is ook in overeenstemming met het leerstuk van de vrije bewijsleer, al wordt dat in deze zaak niet genoemd. Aangezien er nog steeds wel eens moeilijkheden zijn de bedoelde inkomensverklaring te verkrijgen van de belastingdienst in het woonland kunnen andere (potentiële) KBB &#8216;ers met deze uitspraak hun voordeel doen.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-11690</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 27 Dec 2022 11:11:51 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-11690</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2022:7491
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak09-12-2022 Datum publicatie23-12-2022 Zaaknummer21/73
Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerkenEerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie Artikel 7.8 van de Wet IB 2001
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/73

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2022 in de zaak tussen 
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

 Daaruit:

 3.5.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door de inspecteur vermelde bedrag van de inkomsten die belanghebbende heeft genoten voor werkzaamheden voor [bedrijf 2], nu die gegevens afkomstig zijn uit de Belgische aangifte van belanghebbende. Uit het in 2.7 vermelde overzicht kan redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat belanghebbende ook de werkzaamheden voor [bedrijf 2] zowel in België als in Nederland heeft verricht. De inspecteur heeft dat belanghebbende ook voorgehouden in een brief van 16 juli 2021 en belanghebbende heeft niets aangevoerd wat tot een andere conclusie kan leiden. Dat betekent dus ook dat 217/233e deel van de € 19.568 inkomsten [bedrijf 2] in Nederland belastbaar is, dus € 18.244.
3.6.
De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de inkomsten uit pensioen/pgb in België belastbaar zijn. De rechtbank heeft geen reden anders te oordelen.
3.7.
Uit het bovenoverwogene volgt dat wat betreft het in 2017 genoten inkomen van belanghebbende Nederland mag heffen over € 49.174 + € 18.244 = € 67.418. Dat is meer dan 90% van het totale inkomen van € 52.800 + € 19.568 + € 748 of € 73.116. Belanghebbende voldoet dus aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 7.8, zesde lid, letter a, van de Wet IB 2001 (het zogenoemde 90%-criterium).
3.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op behandeling als binnenlands belastingplichtige.1 Dat belanghebbende geen woonplaatsverklaring kan overleggen doet daar in dit geval niet aan af, omdat de inspecteur kennelijk over alle fiscale gegevens over belanghebbende uit België beschikt en belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de Belgische autoriteiten afgifte van zo’n verklaring weigeren omdat zij zich op het standpunt stellen dat alle inkomsten belastbaar zijn in België. Onder deze omstandigheden is vasthouden aan de eis van een woonplaatsverklaring onredelijk bezwarend voor belanghebbende en leidt deze tot een onacceptabele belemmering van het vrij verkeer van personen.
3.8.
De inspecteur heeft de juistheid van de hoogte van de door belanghebbende in de aangifte vermelde negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning niet weersproken. De rechtbank zal de aanslag verminderen tot een naar een belastbaar inkomen van € 67.418 min € 21.888 of € 45.530.
3.9.
De rechtbank realiseert zich dat het voor belanghebbende niet acceptabel is dat hij zowel in Nederland als in België belasting moet betalen over het grootste deel van de inkomsten. Dat kan de Nederlandse rechter niet oplossen. Zoals partijen ter zitting hebben verklaard loopt er een onderling overlegprocedure op grond van artikel 28 van het Verdrag.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2022:7491<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant<br />
Datum uitspraak09-12-2022 Datum publicatie23-12-2022 Zaaknummer21/73<br />
Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerkenEerste aanleg &#8211; enkelvoudig<br />
Inhoudsindicatie Artikel 7.8 van de Wet IB 2001<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/73</p>
<p>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2022 in de zaak tussen<br />
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.</p>
<p> Daaruit:</p>
<p> 3.5.<br />
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door de inspecteur vermelde bedrag van de inkomsten die belanghebbende heeft genoten voor werkzaamheden voor [bedrijf 2], nu die gegevens afkomstig zijn uit de Belgische aangifte van belanghebbende. Uit het in 2.7 vermelde overzicht kan redelijkerwijs niet anders worden afgeleid dan dat belanghebbende ook de werkzaamheden voor [bedrijf 2] zowel in België als in Nederland heeft verricht. De inspecteur heeft dat belanghebbende ook voorgehouden in een brief van 16 juli 2021 en belanghebbende heeft niets aangevoerd wat tot een andere conclusie kan leiden. Dat betekent dus ook dat 217/233e deel van de € 19.568 inkomsten [bedrijf 2] in Nederland belastbaar is, dus € 18.244.<br />
3.6.<br />
De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de inkomsten uit pensioen/pgb in België belastbaar zijn. De rechtbank heeft geen reden anders te oordelen.<br />
3.7.<br />
Uit het bovenoverwogene volgt dat wat betreft het in 2017 genoten inkomen van belanghebbende Nederland mag heffen over € 49.174 + € 18.244 = € 67.418. Dat is meer dan 90% van het totale inkomen van € 52.800 + € 19.568 + € 748 of € 73.116. Belanghebbende voldoet dus aan de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 7.8, zesde lid, letter a, van de Wet IB 2001 (het zogenoemde 90%-criterium).<br />
3.8.<br />
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende recht op behandeling als binnenlands belastingplichtige.1 Dat belanghebbende geen woonplaatsverklaring kan overleggen doet daar in dit geval niet aan af, omdat de inspecteur kennelijk over alle fiscale gegevens over belanghebbende uit België beschikt en belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de Belgische autoriteiten afgifte van zo’n verklaring weigeren omdat zij zich op het standpunt stellen dat alle inkomsten belastbaar zijn in België. Onder deze omstandigheden is vasthouden aan de eis van een woonplaatsverklaring onredelijk bezwarend voor belanghebbende en leidt deze tot een onacceptabele belemmering van het vrij verkeer van personen.<br />
3.8.<br />
De inspecteur heeft de juistheid van de hoogte van de door belanghebbende in de aangifte vermelde negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning niet weersproken. De rechtbank zal de aanslag verminderen tot een naar een belastbaar inkomen van € 67.418 min € 21.888 of € 45.530.<br />
3.9.<br />
De rechtbank realiseert zich dat het voor belanghebbende niet acceptabel is dat hij zowel in Nederland als in België belasting moet betalen over het grootste deel van de inkomsten. Dat kan de Nederlandse rechter niet oplossen. Zoals partijen ter zitting hebben verklaard loopt er een onderling overlegprocedure op grond van artikel 28 van het Verdrag.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-11437</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 22 Nov 2022 10:48:56 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-11437</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2022:6546
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 07-11-2022 Datum publicatie 21-11-2022 Zaaknummer 21/3830 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie Geen recht op IB-deel heffingskortingen. Geen sprake van verboden ongelijke behandeling. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 21-11-2022
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/3830 
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen 
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: J.A. Klaver),
en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Daaruit:
 3.3.
De Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) maakt onderscheid tussen de berekening van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting1 en voor de premieheffing2. Alleen belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte daarvan binnenlands belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn, hebben recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting.3
3.4.
Belanghebbende woonde in 2019 in de Verenigde Staten respectievelijk Brazilië. Vaststaat dat belanghebbende niet binnenlandse maar buitenlandse belastingplichtige is. Zij heeft dan alleen recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting als zij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is.
Een van de voorwaarden om aangemerkt te kunnen worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is dat de belastingplichtige woonachtig is in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden.4 Aan deze voorwaarde voldoet belanghebbende niet. Zij kan dus niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Gelet hierop heeft belanghebbende, op basis van de Nederlandse wet, geen recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting.
3.5.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een discriminatoire behandeling ten opzichte van in Nederland wonende belastingplichtigen die wel recht hebben op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarmee betoogt dat sprake is van een bij artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden ongelijke behandeling.
3.6.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.5 Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is.6
3.7.
Nederland maakt bij de heffing van inkomstenbelasting onderscheid tussen binnenlands en buitenlands belastingplichtigen. Bij die laatste groep wordt in Nederland geen belasting geheven over het wereldinkomen maar slechts over bepaalde inkomsten die aan Nederland te relateren zijn. Daarmee is ook in overeenstemming dat binnenlands en buitenlands belastingplichtigen voor aftrekposten zoals de heffingskorting verschillend worden behandeld. De wetgever is er bij de regeling voor de heffingskorting vanuit gegaan dat binnenlands belastingplichtigen en buitenlands belastingplichtigen geen gelijke gevallen zijn. Daarmee is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank gebleven binnen de hiervoor in 3.6 bedoelde ruime beoordelingsmarge.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2022:6546<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 07-11-2022 Datum publicatie 21-11-2022 Zaaknummer 21/3830 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie Geen recht op IB-deel heffingskortingen. Geen sprake van verboden ongelijke behandeling. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 21-11-2022<br />
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht<br />
zaaknummer: BRE 21/3830<br />
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen<br />
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: J.A. Klaver),<br />
en de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.<br />
Daaruit:<br />
 3.3.<br />
De Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) maakt onderscheid tussen de berekening van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting1 en voor de premieheffing2. Alleen belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte daarvan binnenlands belastingplichtige of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige zijn, hebben recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting.3<br />
3.4.<br />
Belanghebbende woonde in 2019 in de Verenigde Staten respectievelijk Brazilië. Vaststaat dat belanghebbende niet binnenlandse maar buitenlandse belastingplichtige is. Zij heeft dan alleen recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting als zij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is.<br />
Een van de voorwaarden om aangemerkt te kunnen worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is dat de belastingplichtige woonachtig is in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden.4 Aan deze voorwaarde voldoet belanghebbende niet. Zij kan dus niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Gelet hierop heeft belanghebbende, op basis van de Nederlandse wet, geen recht op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting.<br />
3.5.<br />
Belanghebbende stelt dat sprake is van een discriminatoire behandeling ten opzichte van in Nederland wonende belastingplichtigen die wel recht hebben op het inkomstenbelastingdeel van de heffingskortingen. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarmee betoogt dat sprake is van een bij artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verboden ongelijke behandeling.<br />
3.6.<br />
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.5 Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is.6<br />
3.7.<br />
Nederland maakt bij de heffing van inkomstenbelasting onderscheid tussen binnenlands en buitenlands belastingplichtigen. Bij die laatste groep wordt in Nederland geen belasting geheven over het wereldinkomen maar slechts over bepaalde inkomsten die aan Nederland te relateren zijn. Daarmee is ook in overeenstemming dat binnenlands en buitenlands belastingplichtigen voor aftrekposten zoals de heffingskorting verschillend worden behandeld. De wetgever is er bij de regeling voor de heffingskorting vanuit gegaan dat binnenlands belastingplichtigen en buitenlands belastingplichtigen geen gelijke gevallen zijn. Daarmee is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank gebleven binnen de hiervoor in 3.6 bedoelde ruime beoordelingsmarge.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-11208</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 17 Oct 2022 09:57:51 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-11208</guid>

					<description><![CDATA[zie ook deze algemene opmerkingen in de uitspraak:

 Vooraf en ambtshalve
Namens belanghebbende is ter zitting verzocht om aanhouding van de onderhavige zaak totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de cassatieprocedure gericht tegen een uitspraak van het hof waarbij de (eveneens bij deze uitspraak gevoegde) bijlage, waarin het hof lijnen heeft uitgezet voor de beantwoording van diverse vragen die bij toepassing van de Schumackerjurisprudentie opkomen, is geïntroduceerd. Ter zitting is gebleken dat beide partijen het op uiteenlopende punten niet eens zijn met de keuzes die in de bijlage zijn gemaakt en dit ter beoordeling aan de Hoge Raad hebben voorgelegd. De ter zitting overgelegde pleitnota’s verstrekken inzicht in de argumenten die partijen in de cassatieprocedure hebben aangevoerd.
Zoals het hof ter zitting ook reeds heeft medegedeeld, wijst het hof het aanhoudingsverzoek af. Het hof heeft in de door partijen aangevoerde stellingen geen aanleiding gezien om af te wijken van de uitgangspunten zoals opgenomen in de bijlage. Alhoewel, zoals ook uit de in de bijlage geschetste keuzemogelijkheden blijkt, niet uit de sluiten valt dat de Hoge Raad (op een aantal punten) andere keuzes zal maken dan het hof, acht het hof aanhouding van de onderhavige zaak onwenselijk gelet op de vertraging die een dergelijke handelwijze met zich mee zou brengen. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de niet te verwaarlozen kans dat de Hoge Raad aanleiding zal zien om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De door belanghebbende
aangevoerd argumenten zijn onvoldoende zwaarwegend om tot een andersluidende
belangenafweging te komen.

Commentaar jdv: Indien het Hof de kans niet verwaarloosbaar acht dat de Hoge Raad prejudiciële vragen in dergelijke zaken aan het EHvJ gaat stellen doemt de vraag op waarom het Hof dat zelf niet gedaan heeft. Immers als het niet om een &quot;acte claire&quot; gaat zou het Hof zich verplicht moeten voelen het zelf te doen.

De VBNGB zal ook in deze zaak cassatie instellen, in het bijzonder omdat hier een partnervoordeel in het geding is (verhoging heffingskorting voor minstverdienende partner).]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>zie ook deze algemene opmerkingen in de uitspraak:</p>
<p> Vooraf en ambtshalve<br />
Namens belanghebbende is ter zitting verzocht om aanhouding van de onderhavige zaak totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de cassatieprocedure gericht tegen een uitspraak van het hof waarbij de (eveneens bij deze uitspraak gevoegde) bijlage, waarin het hof lijnen heeft uitgezet voor de beantwoording van diverse vragen die bij toepassing van de Schumackerjurisprudentie opkomen, is geïntroduceerd. Ter zitting is gebleken dat beide partijen het op uiteenlopende punten niet eens zijn met de keuzes die in de bijlage zijn gemaakt en dit ter beoordeling aan de Hoge Raad hebben voorgelegd. De ter zitting overgelegde pleitnota’s verstrekken inzicht in de argumenten die partijen in de cassatieprocedure hebben aangevoerd.<br />
Zoals het hof ter zitting ook reeds heeft medegedeeld, wijst het hof het aanhoudingsverzoek af. Het hof heeft in de door partijen aangevoerde stellingen geen aanleiding gezien om af te wijken van de uitgangspunten zoals opgenomen in de bijlage. Alhoewel, zoals ook uit de in de bijlage geschetste keuzemogelijkheden blijkt, niet uit de sluiten valt dat de Hoge Raad (op een aantal punten) andere keuzes zal maken dan het hof, acht het hof aanhouding van de onderhavige zaak onwenselijk gelet op de vertraging die een dergelijke handelwijze met zich mee zou brengen. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de niet te verwaarlozen kans dat de Hoge Raad aanleiding zal zien om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De door belanghebbende<br />
aangevoerd argumenten zijn onvoldoende zwaarwegend om tot een andersluidende<br />
belangenafweging te komen.</p>
<p>Commentaar jdv: Indien het Hof de kans niet verwaarloosbaar acht dat de Hoge Raad prejudiciële vragen in dergelijke zaken aan het EHvJ gaat stellen doemt de vraag op waarom het Hof dat zelf niet gedaan heeft. Immers als het niet om een &#8220;acte claire&#8221; gaat zou het Hof zich verplicht moeten voelen het zelf te doen.</p>
<p>De VBNGB zal ook in deze zaak cassatie instellen, in het bijzonder omdat hier een partnervoordeel in het geding is (verhoging heffingskorting voor minstverdienende partner).</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-11207</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 17 Oct 2022 09:27:49 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-11207</guid>

					<description><![CDATA[Deze zaak wordt ondersteund door de VBNGB:

 ECLI:NL:GHSHE:2022:3102 Gerechtshof &#039;s-Hertogenbosch, 07-09-2022, 21/00519 en 21/00520
Datum uitspraak: 07-09-2022
Datum publicatie: 13-10-2022
Rechtsgebieden: Belastingrecht
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
Vindplaatsen:
Viditax (FutD), 14-10-2022 Rechtspraak.nl
Inhoudsindicatie:
Procedure van een gepensioneerd, in Duitsland wonend, echtpaar over Schumacker-problematiek. De man wenst aanspraak te maken op aftrek in verband met negatieve inkomsten uit eigen woning, het inkomensbelastingdeel van de algemene heffingskorting en het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting. De vrouw wenst aanspraak te maken op uitbetaling van het inkomensbelastingdeel van de algemene heffingskorting. Belanghebbenden voldoen niet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen in de zin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 juncto artikel 21bis UBIB 2001 aangemerkt te worden. Het Unierecht leidt ook niet tot het verlenen van de geclaimde persoonlijke tegemoetkomingen. De uitspraak is gebaseerd op de bij de uitspraak gevoegde bijlage waarin het hof richtlijnen heeft gegeven voor de beantwoording van vragen die opgeroepen worden door de Schumacker-rechtspraak.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Deze zaak wordt ondersteund door de VBNGB:</p>
<p> ECLI:NL:GHSHE:2022:3102 Gerechtshof &#8216;s-Hertogenbosch, 07-09-2022, 21/00519 en 21/00520<br />
Datum uitspraak: 07-09-2022<br />
Datum publicatie: 13-10-2022<br />
Rechtsgebieden: Belastingrecht<br />
Bijzondere kenmerken: Hoger beroep<br />
Vindplaatsen:<br />
Viditax (FutD), 14-10-2022 Rechtspraak.nl<br />
Inhoudsindicatie:<br />
Procedure van een gepensioneerd, in Duitsland wonend, echtpaar over Schumacker-problematiek. De man wenst aanspraak te maken op aftrek in verband met negatieve inkomsten uit eigen woning, het inkomensbelastingdeel van de algemene heffingskorting en het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting. De vrouw wenst aanspraak te maken op uitbetaling van het inkomensbelastingdeel van de algemene heffingskorting. Belanghebbenden voldoen niet aan de voorwaarden om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen in de zin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 juncto artikel 21bis UBIB 2001 aangemerkt te worden. Het Unierecht leidt ook niet tot het verlenen van de geclaimde persoonlijke tegemoetkomingen. De uitspraak is gebaseerd op de bij de uitspraak gevoegde bijlage waarin het hof richtlijnen heeft gegeven voor de beantwoording van vragen die opgeroepen worden door de Schumacker-rechtspraak.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10899</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 04 Aug 2022 12:55:29 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-10899</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2022:4206
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 28-07-2022 Datum publicatie 04-08-2022 Zaaknummer 21/4787 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt. 
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/4787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2022 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] ( [land] ), belanghebbende (gemachtigde: P.L.G. Jurg ),
En De inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).
 Daaruit:

Unierecht
3.7. De rechtbank dient te beantwoorden of op grond van het Unierecht in de bronstaat (in dit geval: Nederland) recht bestaat op een aftrek die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 18 mei 2022 een uitspraak gedaan7 waarin een stappenplan is opgenomen om deze vraag te beantwoorden.
3.8. De rechtbank zal in dit geval de vraag of belanghebbende op grond van het Unierecht en de Schumacker-rechtspraak in Nederland recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen hierna beantwoorden met als uitgangspunt het door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 18 mei 2022 beschreven stappenplan.
3.9. De rechtbank stelt in het kader van de eerste stap vast dat belanghebbende niet voldoet aan het zogenoemde 90%-criterium (zie 3.4).
3.10. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of belanghebbende in [land] inkomsten van betekenis geniet en of het aldaar in aanmerking te nemen inkomen voldoende is om alle in [land] geldende tegemoetkomingen die verband houden met haar persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. Belanghebbendes enkele stelling dat haar inkomen te laag is om daarover in [land] belasting te heffen en dat [land] haar aldus geen persoonlijke tegemoetkomingen kan verlenen, is daarvoor onvoldoende gezien de gemotiveerde betwisting door de inspecteur ten aanzien van inkomen van Stichting pensioenfonds Zorg en Welzijn.
Het ligt als uitgangspunt op de weg van belanghebbende om de in dit verband relevante gegevens aan te leveren. Belanghebbende heeft dat niet gedaan, ook niet nadat de inspecteur in zijn verweerschrift had gemeld dat op basis van de huidige gegevens niet kon worden vastgesteld of [land] rekening kon houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. De door belanghebbende overgelegde inkomensverklaring 2019 en voornoemd Tax Assessment (zie 3.6) acht de rechtbank ook in dit verband onvoldoende, omdat niet duidelijk is in hoeverre de [land] Belastingautoriteiten bij de ondertekening van deze documenten volledig op de hoogte waren van belanghebbendes daarvoor van belang zijnde inkomsten(belastingpositie).
Belanghebbende heeft per brief van 15 april 2022 wel nog op het verweerschrift gereageerd, maar is daarbij niet ingegaan op het door de inspecteur gestelde gebrek aan informatie. Zij heeft in deze brief vooral gewezen op de moeite die zij heeft gedaan en de extra kosten die zij heeft gemaakt om de door de inspecteur verzochte ondertekende inkomensverklaring 2019 te overleggen en geeft aan dat het voor haar een brug te ver is om verplicht te worden voor het jaar 2019 in [land] aangifte inkomstenbelasting te doen. Belanghebbende gaat daarmee voorbij aan wat in juridisch opzicht relevant is. Het gebrek aan gegevens komt voor rekening van belanghebbende. Gelet op het voorgaande leidt het Unierecht in dit geval dan ook niet tot de conclusie dat Nederland toch rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.
4Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor overwogen is, is het beroep ongegrond.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2022:4206<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 28-07-2022 Datum publicatie 04-08-2022 Zaaknummer 21/4787 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie<br />
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.<br />
Vindplaatsen Rechtspraak.nl<br />
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 21/4787</p>
<p>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2022 in de zaak tussen</p>
<p>[belanghebbende] , uit [woonplaats] ( [land] ), belanghebbende (gemachtigde: P.L.G. Jurg ),<br />
En De inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).<br />
 Daaruit:</p>
<p>Unierecht<br />
3.7. De rechtbank dient te beantwoorden of op grond van het Unierecht in de bronstaat (in dit geval: Nederland) recht bestaat op een aftrek die verband houdt met de persoonlijke en gezinssituatie. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 18 mei 2022 een uitspraak gedaan7 waarin een stappenplan is opgenomen om deze vraag te beantwoorden.<br />
3.8. De rechtbank zal in dit geval de vraag of belanghebbende op grond van het Unierecht en de Schumacker-rechtspraak in Nederland recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen hierna beantwoorden met als uitgangspunt het door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 18 mei 2022 beschreven stappenplan.<br />
3.9. De rechtbank stelt in het kader van de eerste stap vast dat belanghebbende niet voldoet aan het zogenoemde 90%-criterium (zie 3.4).<br />
3.10. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of belanghebbende in [land] inkomsten van betekenis geniet en of het aldaar in aanmerking te nemen inkomen voldoende is om alle in [land] geldende tegemoetkomingen die verband houden met haar persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen. Belanghebbendes enkele stelling dat haar inkomen te laag is om daarover in [land] belasting te heffen en dat [land] haar aldus geen persoonlijke tegemoetkomingen kan verlenen, is daarvoor onvoldoende gezien de gemotiveerde betwisting door de inspecteur ten aanzien van inkomen van Stichting pensioenfonds Zorg en Welzijn.<br />
Het ligt als uitgangspunt op de weg van belanghebbende om de in dit verband relevante gegevens aan te leveren. Belanghebbende heeft dat niet gedaan, ook niet nadat de inspecteur in zijn verweerschrift had gemeld dat op basis van de huidige gegevens niet kon worden vastgesteld of [land] rekening kon houden met belanghebbendes persoonlijke en gezinssituatie. De door belanghebbende overgelegde inkomensverklaring 2019 en voornoemd Tax Assessment (zie 3.6) acht de rechtbank ook in dit verband onvoldoende, omdat niet duidelijk is in hoeverre de [land] Belastingautoriteiten bij de ondertekening van deze documenten volledig op de hoogte waren van belanghebbendes daarvoor van belang zijnde inkomsten(belastingpositie).<br />
Belanghebbende heeft per brief van 15 april 2022 wel nog op het verweerschrift gereageerd, maar is daarbij niet ingegaan op het door de inspecteur gestelde gebrek aan informatie. Zij heeft in deze brief vooral gewezen op de moeite die zij heeft gedaan en de extra kosten die zij heeft gemaakt om de door de inspecteur verzochte ondertekende inkomensverklaring 2019 te overleggen en geeft aan dat het voor haar een brug te ver is om verplicht te worden voor het jaar 2019 in [land] aangifte inkomstenbelasting te doen. Belanghebbende gaat daarmee voorbij aan wat in juridisch opzicht relevant is. Het gebrek aan gegevens komt voor rekening van belanghebbende. Gelet op het voorgaande leidt het Unierecht in dit geval dan ook niet tot de conclusie dat Nederland toch rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende.<br />
4Conclusie en gevolgen<br />
Gelet op wat hiervoor overwogen is, is het beroep ongegrond.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10607</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 09 Jun 2022 08:30:28 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-10607</guid>

					<description><![CDATA[Vanaf 1 januari 2019 hebben alleen inwoners van Nederland recht op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Dit leidt in de praktijk tot veel vragen. Forum Salaris heeft een uitleg en een overzicht van de wijzigingen gepubliceerd.

&lt;a href=&quot;https://www.taxence.nl/nieuws/handreiking-loonheffingskorting-niet-inwoners/&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.taxence.nl/nieuws/handreiking-loonheffingskorting-niet-inwoners/&lt;/a&gt;]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Vanaf 1 januari 2019 hebben alleen inwoners van Nederland recht op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Dit leidt in de praktijk tot veel vragen. Forum Salaris heeft een uitleg en een overzicht van de wijzigingen gepubliceerd.</p>
<p><a href="https://www.taxence.nl/nieuws/handreiking-loonheffingskorting-niet-inwoners/" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.taxence.nl/nieuws/handreiking-loonheffingskorting-niet-inwoners/</a></p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10473</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 09 May 2022 12:24:36 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-10473</guid>

					<description><![CDATA[In antwoord op &lt;a href=&quot;https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10428&quot;&gt;Jan de Voogd&lt;/a&gt;.

Voor een heldere samenvatting van dit arrest:

 &lt;a href=&quot;https://www.taxence.nl/eigen-woning/correcte-buitenlandse-aangifte-nodig-voor-kwalificatie/&quot; target=&quot;_blank&quot; rel=&quot;noopener nofollow&quot;&gt;https://www.taxence.nl/eigen-woning/correcte-buitenlandse-aangifte-nodig-voor-kwalificatie/&lt;/a&gt;
Daaruit:
Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige
Rechtbank Zeeland-West-Brabant concludeert dat de man met een juiste aangifte wel in Frankrijk aanspraak had kunnen maken op een tegemoetkoming vanwege persoonlijke omstandigheden bij een correcte aangifte. Frankrijk was als woonstaat immers bevoegd te heffen over het wereldinkomen inclusief het ABP-pensioen. De rechtbank is daarom niet overtuigd dat het uitblijven van de Franse tegemoetkoming het gevolg was van een te laag inkomen van de man. Hij was daarom geen kbb en Nederland hoefde geen aftrek met betrekking tot de eigen woning toe te staan.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In antwoord op <a href="https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10428">Jan de Voogd</a>.</p>
<p>Voor een heldere samenvatting van dit arrest:</p>
<p> <a href="https://www.taxence.nl/eigen-woning/correcte-buitenlandse-aangifte-nodig-voor-kwalificatie/" target="_blank" rel="noopener nofollow">https://www.taxence.nl/eigen-woning/correcte-buitenlandse-aangifte-nodig-voor-kwalificatie/</a><br />
Daaruit:<br />
Geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige<br />
Rechtbank Zeeland-West-Brabant concludeert dat de man met een juiste aangifte wel in Frankrijk aanspraak had kunnen maken op een tegemoetkoming vanwege persoonlijke omstandigheden bij een correcte aangifte. Frankrijk was als woonstaat immers bevoegd te heffen over het wereldinkomen inclusief het ABP-pensioen. De rechtbank is daarom niet overtuigd dat het uitblijven van de Franse tegemoetkoming het gevolg was van een te laag inkomen van de man. Hij was daarom geen kbb en Nederland hoefde geen aftrek met betrekking tot de eigen woning toe te staan.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
		<item>
		<title>
		Door: Jan de Voogd		</title>
		<link>https://vbngb.eu/algemene-dossiers/belastingen/kwalificerende-buitenlandse-belastingplicht-vanaf-2015-algemeen/kbb-verdere-beperkingen-per-1-januari-2019/#comment-10428</link>

		<dc:creator><![CDATA[Jan de Voogd]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 05 May 2022 08:46:40 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">https://vbngb.eu/?page_id=5236#comment-10428</guid>

					<description><![CDATA[ECLI:NL:RBZWB:2022:2138
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 21-04-2022 Datum publicatie 04-05-2022 Zaaknummer BRE - 19 _ 183 Rechtsgebieden
Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is neit van een samenvatting voorzien Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda Zaaknummer BRE 19/183
uitspraak van 21 april 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur, en
de Minister van Justitie en Veiligheid,
de Minister. De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 4 december 2018 op het bezwaar van [naam 1] tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 39.810 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.56.01).
1Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500;
veroordeelt de Minister in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 33,70;
gelast dat de Minister aan belanghebbenden vergoedt het door hen betaalde griffierecht van € 47.

2Gronden
Daaruit:
2.1.
[naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ) woonde in het jaar 2015 in Frankrijk en had geen fiscale partner. Hij is overleden op 14 augustus 2021. Zijn erven hebben de procedure voortgezet.
2.2.
In zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2015 (hierna: de aangifte), heeft de heer [naam 1] aangegeven dat hij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In de aangifte heeft hij zijn inkomsten aangegeven, bestaande uit een ABP-pensioen van € 39.810 en een AOW-uitkering van € 11.683 waarop het saldo van de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 7.072, gelegen in Frankrijk, in mindering is gebracht.
2.3.
De heer [naam 1] was in Nederland niet premieplichtig.
2.4.
De inspecteur heeft, in afwijking van de aangifte, de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld waarbij de heer [naam 1] niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt. Het gevolg hiervan was dat de aftrekpost eigen woning niet in aanmerking is genomen. Tevens is geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de toepasselijke heffingskortingen.
2.5.
Tot het dossier behoort een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van het woonland Frankrijk van de heer [naam 1] als bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB. Daarop staat alleen het AOW-inkomen van de heer [naam 1] vermeld. De verklaring is voorzien van een stempel van “Service Des Impôts Particuliers”. Verder heeft de gemachtigde in de beroepsfase een afschrift overgelegd van een in de Franse taal gestelde berekening van de in Frankrijk verschuldigde inkomstenbelasting. In deze berekening staat vermeld dat voor het jaar 2015 sprake is van een belastbaar inkomen (Revenu imposable) van nihil, een referentie-inkomen voor bepaalde tegemoetkomingen (Revenu fiscal de référence) van € 33.653 en een verschuldigd belastingbedrag (Montant de votre impôt) van nihil. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat in Frankrijk niet op juiste wijze aangifte is gedaan. Daarbij heeft de gemachtigde verklaard dat het gaat om een berekening die de gemachtigde zelf heeft gemaakt om aan te geven hoe de berekening van de verschuldigde belasting en de tegemoetkomingen was geweest als wel juist aangifte was gedaan in Frankrijk door de heer [naam 1] .
2.6.
Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
1.	Voldoet de heer [naam 1] aan de voorwaarden van artikel 7.8, achtste lid Wet IB in samenhang met artikel 21bis, eerste lid, Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001)?
2.	Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, of Nederland, gelet op de jurisprudentie van HvJ EU, onder meer het Schumacker-arrest, alsnog de geclaimde aftrekposten en heffingskortingen dient te verlenen?
3.	Indien vraag 2 tevens ontkennend wordt beantwoord, bestaat er recht op het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting?
4.	Dient aan belanghebbenden immateriële schadevergoeding wegen overschrijding van de redelijke termijn te worden vergoed?

De eerste vraag: 
2.15	Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, kan de heer [naam 1] ook op grond van artikel 21bis van het UBIB 2001 niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Beide onderdelen van de pensioeninkomsten van de heer [naam 1] zijn in Nederland opgekomen. De heer [naam 1] was echter ingezetene van Frankrijk. Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat in beginsel de woonstaat bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.8 In het betoog van de gemachtigde ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en verwerpt de stelling van de gemachtigde dat voor de toepassing van artikel 21bis, eerste lid, onderdeel c, van het UBIB 2001 uitsluitend moet worden uitgegaan van het aan Frankrijk toegewezen inkomen.
De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de gemachtigde ter zitting bevestigd heeft dat in Frankrijk niet de juiste aangifte is gedaan en de berekening van de gemachtigde, tegenover gemotiveerde betwisting door de inspecteur, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het standpunt van belanghebbenden. Immers, volgens de berekening zoals zelf door de gemachtigde is overgelegd, zou de heer [naam 1] – indien de juiste aanslag aan hem was opgelegd – wel aanspraak kunnen maken op enige tegemoetkomingen in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank leidt namelijk uit het overgelegde stuk af dat in Frankrijk, indien de heer [naam 1] aldaar op juiste wijze aangifte inkomstenbelasting had gedaan, de volgende tegemoetkoming zouden zijn verleend: een belastingvrije som van € 9.700, ouderenaftrek van € 2.348, aftrek sociale premies (zorgbijdrage ABP) van € 3.413 en aftrek van zogenoemde CSG-bijdrage van € 1. Het ligt op de weg van belanghebbenden om aannemelijk te maken dat de reden dat in Frankijk geen (dan wel niet volledig) rekening is gehouden met de door belanghebbenden geclaimde aftrekposten gelegen is in de omstandigheid dat het inkomen in Frankrijk te laag is om deze aftrekposten te effectueren. Hierin zijn belanghebbenden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet geslaagd. Dit brengt mee dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de heer [naam 1] , wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland, geen inkomstenbelasting verschuldigd is.
 De tweede vraag:
2.18.
De rechtbank volgt het standpunt van belanghebbenden niet om de volgende redenen. In de door belanghebbenden aangehaalde uitspraak van deze rechtbank stond vast dat de belanghebbende in die zaak in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd was omdat zijn inkomen beneden het (drempel)bedrag van € 14.771 bleef. In het geval van de heer [naam 1] staat vast dat in Frankrijk niet de juiste aangifte is gedaan zodat het niet duidelijk is dat, en in hoeverre in Frankrijk geen rekening zou kunnen worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de heer [naam 1] . Hiertoe heeft de gemachtigde weliswaar een overzicht overgelegd van de wijze waarop Frankrijk rekening houdt met persoonlijke en gezinssituatie in de algemene zin, maar uit dit overzicht leidt de rechtbank af dat – in tegenstelling tot de feiten in de door belanghebbenden aangehaalde uitspraak – er in Frankrijk juist wel mogelijkheden zijn om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zoals in 2.15 uiteen is gezet, is daarom niet aannemelijk geworden dat de reden dat in Frankijk geen (dan wel niet volledig) rekening is gehouden met de door belanghebbenden geclaimde aftrekposten gelegen is in de omstandigheid dat het inkomen in Frankrijk te laag is om deze aftrekposten te effectueren. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur. Aan een oordeel inzake de stelling van de gemachtigde, óf en in hoeverre verrekening aan de orde is, komt de rechtbank daarom niet toe.
De derde vraag:
 2.22. De rechtbank verwerpt de stelling van de gemachtigde dat de algemene heffingskorting als een object gebonden tegemoetkoming dient te worden gekwalificeerd. Ook de Nederlandse belastingvrije som, zoals van toepassing onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is in eerdere jurisprudentie aangemerkt als een persoonsgebonden tegemoetkoming.15 De algemene heffingskorting zoals van toepassing onder de Wet IB 2001 is de opvolger van de belastingvrije som. De overgang van een belastinggrondslagvrijstelling naar een belastingkorting heeft in die zin mede een (heffings)technische achtergrond dat deze overgang verband houdt met de overgang van het zogenoemde synthetische stelsel (alle inkomsten bij elkaar opgeteld en daarop het belastingtarief toegepast) naar het zogenoemde analytische stelsel (inkomsten worden in verschillende boxen belast met elk een eigen tariefstructuur). De keuze voor een belastingkorting in plaats van een belastingvrije som is verder weliswaar mede gemotiveerd met verwijzing naar het verschil in effect tussen een belastingvrije som en een belastingkorting uit oogpunt van de doelstelling van een grotere individuele economische zelfstandigheid,16 maar er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever met de algemene heffingskorting een ander doel beoogt dan eerder met de belastingvrije som.17 De heffingskorting is verder expliciet aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost in de memorie van toelichting.18 De bedoelde aanwijzingen zijn er ook niet na de invoering van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting in 2014. Gelet hierop, is de algemene heffingskorting een persoonsgebonden tegemoetkoming, die onder de Schumacker-doctrine valt.
Ten aanzien van de vierde vraag
2.24.
Belanghebbenden maken terecht aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn rekening dient te worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Volgens de inspecteur is de overschrijding deels veroorzaakt door Corona en de omstandigheid dat een eerdere zitting verdaagd is als gevolg van het overlijden van de heer [naam 1] . De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat hij reeds rekening heeft gehouden met de vertraging als gevolg van het overlijden van de heer [naam 1] .

 De vierde vraag 

2.27 Belanghebbenden hebben – uitgaande van € 500 per overschrijding per half jaar – recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase 3 maanden heeft geduurd, komt de volledige overschrijding voor rekening van de Minister.]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>ECLI:NL:RBZWB:2022:2138<br />
Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 21-04-2022 Datum publicatie 04-05-2022 Zaaknummer BRE &#8211; 19 _ 183 Rechtsgebieden<br />
Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie<br />
Deze uitspraak is neit van een samenvatting voorzien Vindplaatsen<br />
Rechtspraak.nl<br />
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer<br />
Locatie: Breda Zaaknummer BRE 19/183<br />
uitspraak van 21 april 2022<br />
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , de inspecteur van de Belastingdienst,<br />
de inspecteur, en<br />
de Minister van Justitie en Veiligheid,<br />
de Minister. De bestreden uitspraak op bezwaar<br />
De uitspraak van de inspecteur van 4 december 2018 op het bezwaar van [naam 1] tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van<br />
€ 39.810 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.56.01).<br />
1Beslissing<br />
De rechtbank:<br />
verklaart het beroep ongegrond;<br />
veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500;<br />
veroordeelt de Minister in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 33,70;<br />
gelast dat de Minister aan belanghebbenden vergoedt het door hen betaalde griffierecht van € 47.</p>
<p>2Gronden<br />
Daaruit:<br />
2.1.<br />
[naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ) woonde in het jaar 2015 in Frankrijk en had geen fiscale partner. Hij is overleden op 14 augustus 2021. Zijn erven hebben de procedure voortgezet.<br />
2.2.<br />
In zijn aangifte IB/PVV over het jaar 2015 (hierna: de aangifte), heeft de heer [naam 1] aangegeven dat hij kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is in de zin van artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In de aangifte heeft hij zijn inkomsten aangegeven, bestaande uit een ABP-pensioen van € 39.810 en een AOW-uitkering van € 11.683 waarop het saldo van de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 7.072, gelegen in Frankrijk, in mindering is gebracht.<br />
2.3.<br />
De heer [naam 1] was in Nederland niet premieplichtig.<br />
2.4.<br />
De inspecteur heeft, in afwijking van de aangifte, de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld waarbij de heer [naam 1] niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt. Het gevolg hiervan was dat de aftrekpost eigen woning niet in aanmerking is genomen. Tevens is geen rekening gehouden met het inkomstenbelastingdeel van de toepasselijke heffingskortingen.<br />
2.5.<br />
Tot het dossier behoort een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van het woonland Frankrijk van de heer [naam 1] als bedoeld in artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB. Daarop staat alleen het AOW-inkomen van de heer [naam 1] vermeld. De verklaring is voorzien van een stempel van “Service Des Impôts Particuliers”. Verder heeft de gemachtigde in de beroepsfase een afschrift overgelegd van een in de Franse taal gestelde berekening van de in Frankrijk verschuldigde inkomstenbelasting. In deze berekening staat vermeld dat voor het jaar 2015 sprake is van een belastbaar inkomen (Revenu imposable) van nihil, een referentie-inkomen voor bepaalde tegemoetkomingen (Revenu fiscal de référence) van € 33.653 en een verschuldigd belastingbedrag (Montant de votre impôt) van nihil. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat in Frankrijk niet op juiste wijze aangifte is gedaan. Daarbij heeft de gemachtigde verklaard dat het gaat om een berekening die de gemachtigde zelf heeft gemaakt om aan te geven hoe de berekening van de verschuldigde belasting en de tegemoetkomingen was geweest als wel juist aangifte was gedaan in Frankrijk door de heer [naam 1] .<br />
2.6.<br />
Tussen partijen zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:<br />
1.	Voldoet de heer [naam 1] aan de voorwaarden van artikel 7.8, achtste lid Wet IB in samenhang met artikel 21bis, eerste lid, Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001)?<br />
2.	Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, of Nederland, gelet op de jurisprudentie van HvJ EU, onder meer het Schumacker-arrest, alsnog de geclaimde aftrekposten en heffingskortingen dient te verlenen?<br />
3.	Indien vraag 2 tevens ontkennend wordt beantwoord, bestaat er recht op het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting?<br />
4.	Dient aan belanghebbenden immateriële schadevergoeding wegen overschrijding van de redelijke termijn te worden vergoed?</p>
<p>De eerste vraag:<br />
2.15	Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, kan de heer [naam 1] ook op grond van artikel 21bis van het UBIB 2001 niet worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Beide onderdelen van de pensioeninkomsten van de heer [naam 1] zijn in Nederland opgekomen. De heer [naam 1] was echter ingezetene van Frankrijk. Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat in beginsel de woonstaat bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.8 In het betoog van de gemachtigde ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en verwerpt de stelling van de gemachtigde dat voor de toepassing van artikel 21bis, eerste lid, onderdeel c, van het UBIB 2001 uitsluitend moet worden uitgegaan van het aan Frankrijk toegewezen inkomen.<br />
De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de gemachtigde ter zitting bevestigd heeft dat in Frankrijk niet de juiste aangifte is gedaan en de berekening van de gemachtigde, tegenover gemotiveerde betwisting door de inspecteur, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het standpunt van belanghebbenden. Immers, volgens de berekening zoals zelf door de gemachtigde is overgelegd, zou de heer [naam 1] – indien de juiste aanslag aan hem was opgelegd – wel aanspraak kunnen maken op enige tegemoetkomingen in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank leidt namelijk uit het overgelegde stuk af dat in Frankrijk, indien de heer [naam 1] aldaar op juiste wijze aangifte inkomstenbelasting had gedaan, de volgende tegemoetkoming zouden zijn verleend: een belastingvrije som van € 9.700, ouderenaftrek van € 2.348, aftrek sociale premies (zorgbijdrage ABP) van € 3.413 en aftrek van zogenoemde CSG-bijdrage van € 1. Het ligt op de weg van belanghebbenden om aannemelijk te maken dat de reden dat in Frankijk geen (dan wel niet volledig) rekening is gehouden met de door belanghebbenden geclaimde aftrekposten gelegen is in de omstandigheid dat het inkomen in Frankrijk te laag is om deze aftrekposten te effectueren. Hierin zijn belanghebbenden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet geslaagd. Dit brengt mee dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de heer [naam 1] , wegens de geringe hoogte van zijn inkomen in het woonland, geen inkomstenbelasting verschuldigd is.<br />
 De tweede vraag:<br />
2.18.<br />
De rechtbank volgt het standpunt van belanghebbenden niet om de volgende redenen. In de door belanghebbenden aangehaalde uitspraak van deze rechtbank stond vast dat de belanghebbende in die zaak in Frankrijk geen inkomstenbelasting verschuldigd was omdat zijn inkomen beneden het (drempel)bedrag van € 14.771 bleef. In het geval van de heer [naam 1] staat vast dat in Frankrijk niet de juiste aangifte is gedaan zodat het niet duidelijk is dat, en in hoeverre in Frankrijk geen rekening zou kunnen worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de heer [naam 1] . Hiertoe heeft de gemachtigde weliswaar een overzicht overgelegd van de wijze waarop Frankrijk rekening houdt met persoonlijke en gezinssituatie in de algemene zin, maar uit dit overzicht leidt de rechtbank af dat – in tegenstelling tot de feiten in de door belanghebbenden aangehaalde uitspraak – er in Frankrijk juist wel mogelijkheden zijn om rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Zoals in 2.15 uiteen is gezet, is daarom niet aannemelijk geworden dat de reden dat in Frankijk geen (dan wel niet volledig) rekening is gehouden met de door belanghebbenden geclaimde aftrekposten gelegen is in de omstandigheid dat het inkomen in Frankrijk te laag is om deze aftrekposten te effectueren. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur. Aan een oordeel inzake de stelling van de gemachtigde, óf en in hoeverre verrekening aan de orde is, komt de rechtbank daarom niet toe.<br />
De derde vraag:<br />
 2.22. De rechtbank verwerpt de stelling van de gemachtigde dat de algemene heffingskorting als een object gebonden tegemoetkoming dient te worden gekwalificeerd. Ook de Nederlandse belastingvrije som, zoals van toepassing onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is in eerdere jurisprudentie aangemerkt als een persoonsgebonden tegemoetkoming.15 De algemene heffingskorting zoals van toepassing onder de Wet IB 2001 is de opvolger van de belastingvrije som. De overgang van een belastinggrondslagvrijstelling naar een belastingkorting heeft in die zin mede een (heffings)technische achtergrond dat deze overgang verband houdt met de overgang van het zogenoemde synthetische stelsel (alle inkomsten bij elkaar opgeteld en daarop het belastingtarief toegepast) naar het zogenoemde analytische stelsel (inkomsten worden in verschillende boxen belast met elk een eigen tariefstructuur). De keuze voor een belastingkorting in plaats van een belastingvrije som is verder weliswaar mede gemotiveerd met verwijzing naar het verschil in effect tussen een belastingvrije som en een belastingkorting uit oogpunt van de doelstelling van een grotere individuele economische zelfstandigheid,16 maar er zijn geen aanwijzingen dat de wetgever met de algemene heffingskorting een ander doel beoogt dan eerder met de belastingvrije som.17 De heffingskorting is verder expliciet aangemerkt als een persoonsgebonden aftrekpost in de memorie van toelichting.18 De bedoelde aanwijzingen zijn er ook niet na de invoering van de inkomensafhankelijke afbouw van de algemene heffingskorting in 2014. Gelet hierop, is de algemene heffingskorting een persoonsgebonden tegemoetkoming, die onder de Schumacker-doctrine valt.<br />
Ten aanzien van de vierde vraag<br />
2.24.<br />
Belanghebbenden maken terecht aanspraak op vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn rekening dient te worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Volgens de inspecteur is de overschrijding deels veroorzaakt door Corona en de omstandigheid dat een eerdere zitting verdaagd is als gevolg van het overlijden van de heer [naam 1] . De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat hij reeds rekening heeft gehouden met de vertraging als gevolg van het overlijden van de heer [naam 1] .</p>
<p> De vierde vraag </p>
<p>2.27 Belanghebbenden hebben – uitgaande van € 500 per overschrijding per half jaar – recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase 3 maanden heeft geduurd, komt de volledige overschrijding voor rekening van de Minister.</p>
]]></content:encoded>
		
			</item>
	</channel>
</rss>
