Selecteer een pagina

Belasting over Nederlands inkomen in Duitsland

Inleiding 

Dit overzicht is bedoeld om enig inzicht te geven in de overeenkomsten en de verschillen tussen Nederland en Duitsland op het gebied van pensioenen en de wijze waarop ze belast worden. Ik beperk mij tot de situatie van de meesten van onze leden en geef dus geen compleet beeld van de materie. In een andere aantekening vertel ik iets over het invullen van het Duitse aangifteformulier. 

1. Nederlandse en Duitse pensioenen.

Voor een vergelijking tussen Nederlandse en Duitse pensioenen, zie de aantekening “Nederlandse en Duitse pensioenen” onder Pensioenen in dit portal.

2. Verschillen in belastingheffing  

Bij belastingheffing over pensioenen wordt onderscheid gemaakt of belasting wordt geheven over de premie, de uitkering, of het verschil daartussen, de winst. Niet iedereen maakt winst, maar grosso modo wordt er meer uitgekeerd dan ingelegd, dus is er sprake van winst. Die winst heet in het Duits Ertragsanteil. Dat is verwarrend, want met die term wordt in de regel het belaste deel van een pensioen aangeduid. In de regel zijn Nederlandse pensioenen (niet de AOW) fiscaal gefacili(t)eerd (bevoordeeld), dat wil zeggen dat er over de premie, zowel werkgevers- als werknemersdeel, geen belasting is geheven. In Duitsland kent men drie versies: geen premie (ambtenaren), belaste premies en onbelaste premies. 

Nederland kende vroeger een belastingvrije som. Bij de herziening van 2001 is deze veranderd in een stelsel van heffingskortingen, met als belangrijkste de Algemene Heffingskorting (AHK). In principe was de AHK voor iedereen gelijk. Later is hij inkomensafhankelijk geworden.  

Duitsland kent nog steeds een belastingvrije som, het Grundfreibetrag, waaronder men geen belasting betaalt.  

Nederland deelt het inkomen in boxen met elk een eigen soort heffing. Duitsland onderscheidt wel verschillende soorten inkomen, maar het heffingspercentage is voor alle gelijk. 

Inkomen uit vermogen (box 3) wordt in Nederland belast over een fictief rendement, met verschillende heffingspercentages per categorie inkomen. Als het werkelijk rendement lager is, wordt dat belast. Dit is een overgangsregeling. In Duitsland wordt belast naar het daadwerkelijk rendement. Het heffingspercentage is het heffingspercentage dat voor de gehele aangifte wordt vastgesteld.  

Het belastingheffingsrecht tussen bronland en woonland wordt bilateraal afgesproken en is vastgelegd in een belastingverdrag (Duits: Doppelbesteuerungsabkommen, DBA). Het huidige verdrag is in 2016 van kracht geworden.  

Pijler 1
Hoewel over de AOW-premie sinds de jaren tachtig geen belastingvoordeel is verleend, heft de Nederlandse staat inkomstenbelasting over de gehele uitkering.  

In Duitsland werd tot 2005 over het werknemersdeel van de premie voor de gesetzliche Rente geen belastingvoordeel verleend (wel over het werkgeversdeel). Er werd ook geen belasting over de uitkering geheven. In 2005 is de wet veranderd. Vanaf dat jaar wordt in een periode van 20 jaar het werknemersdeel in stappen “fiscaal gefacili(t)eerd”, dat wil zeggen dat er belastingvoordeel wordt verleend. Pensioenen, waarvan tot uiterlijk december 2005 de uitkering begon, worden voor 50% in de belastingheffing betrokken. Voor elk jaar na 2005 dat de uitkering begint, komt daar 2% bij, vanaf 2021 is deze stijging 1% per jaar. Vanaf 2040 wordt over het gehele pensioen belasting geheven. Het aantal aangiftes van Rentner stijgt door deze maatregel met ongeveer 50.000 per jaar.  

Ambtenaren in Duitsland betalen geen pensioenpremie. Hun pensioen (Pension genoemd, geen Rente) werd en wordt om deze reden ten volle belast. 

Pijler 2
Omdat de Nederlandse staat belastingvoordeel geeft aan zowel het werkgevers- als het werknemersdeel van de pensioenpremie (van salarissen tot 100.000 €), wordt in Nederland de volledige pensioenuitkering belast. Dit noemt men de omkeerregeling: het pensioen wordt in de opbouwfase fiscaal gefaciliteerd en in de uitkeringsfase belast. Dit is overigens ook de reden waarom Nederland het heffingsrecht over pensioenen graag wil behouden in de onderhandelingen over belastingverdragen.  

In Duitsland wordt van een niet fiscaal gefacilieerde Betriebsrente alleen het Ertragsanteil belast. Dat is niet het daadwerkelijk genoten voordeel, maar een fictief percentage van de pensioenuitkering, vastgelegd in een tabel. Het percentage is afhankelijk van de leeftijd bij aanvang van de pensioenuitkering en bedraagt 18% bij een pensioengerechtigde leeftijd van 65 en 66 jaar. Is men ouder wordt dit percentage lager, is men jonger wordt het hoger. 

Als de Betriebsrente geheel of gedeeltelijk fiscaal gefacilieerd was, wordt een evenredig deel geheel belast. De uitkerende instantie geeft per jaar aan welk deel van de uitkering geheel en welk deel gedeeltelijk moet worden belast. 

Pijler 3
In Nederland behoren lijfrente-uitkeringen tot box 1, het inkomen uit vermogen (box 3) wordt (nu nog) belast over een fictief rendement. In Duitsland wordt het daadwerkelijk verkregen inkomen (bankrente, winst op aandelen, etc.) belast, lijfrentes geheel of alleen het Ertragsanteil. Volgens het belastingverdrag wordt “box 3” inkomen in Duitsland belast, onafhankelijk waar het vandaan komt, dus ook de rente op een bank in Nederland en de winst op aandelen in Nederland zijn in Duitsland belastbaar. Uitzondering is het bezit van onroerend goed binnen de Nederlandse grenzen, dat in Nederland belast wordt.
 

3. Belastingheffing in Duitsland over Nederlandse inkomsten 

a. AOW

De AOW wordt in Duitsland belast als de gesetzliche Rente. Dat wil zeggen dat de hoogte afhangt van het jaar waarop men uitkeringsgerechtigd wordt of is geworden. Tot 2005 wordt 50% belast, voor elk jaar daarna komt daar 2% bij, vanaf 2021 1%.
   

b. Nederlandse bedrijfspensioenen

In het belastingverdrag worden bedrijfspensioenen waarvan de som van pensioenen, AOW en overige socialezekerheidsuitkeringen en lijfrente-uitkeringen meer dan 15.000 € bedraagt, belast in het bronland. Dat wil zeggen dat die Nederlandse inkomsten in Nederland worden belast als de optelsom daarvan groter is dan 15.000 € en belast in Duitsland als de totaalsom kleiner is. Als het pensioen in Nederland belast wordt, is het mogelijk dat ook de Duitse fiscus heft. In dat geval moet de in Nederland geheven belasting van de Duitse afgetrokken worden (“verrekeningsmethode”).
In Duitsland wordt standaard 102 € wervingskosten van pensioenen afgetrokken.

c. Nederlandse overheidspensioen

Overheidspensioenen worden doorgaans in het bronland belast. ABP-pensioen opgebouwd bij de gemeentelijke, provincie of landelijke overheid enz. zijn overheidspensioenen. ABP-pensioen opgebouwd in het bijzonder onderwijs (RK enz) of andere particuliere organisaties wordt beschouwd als een bedrijfspensioen (zie b). Het komt vaak voor dat het Finanzamt (belastingkantoor van een middelgrote of grote stad en omgeving) vraagt naar een bewijsstuk van de samenstelling van het inkomen. Dat komt doordat het Bundesfinanzministerium ze op de hoogte heeft gesteld van de mogelijkheid dat een ABP-pensioen mogelijk deels of geheel een bedrijfspensioen is. Er zijn twee mogelijkheden, de samenstelling aan te tonen. Men kan op “mijn ABP” een diensttijdoverzicht downloaden en dit naar de Belastingdienst sturen met het verzoek, de samenstelling overheids-/bedrijfspensioen aan te geven. Men kan ook een “Aanvraag Vrijstellingsverklaring voor loonbelasting en/of premie volksverzekeringen” downloaden en naar de Belastingdienst sturen. De beslissing daarop is een bewijs voor de samenstelling van het pensioen.

In het belastingverdrag met Duitsland geldt een uitzondering als de belastingplichtige de nationaliteit van het woonland heeft aangenomen, in welk geval het woonland mag belasten.

Als het overheidspensioen in het bronland belast wordt, geldt de 15.000 € grens voor de som van AOW, overige socialezekerheidsuitkeringen en lijfrente-uitkeringen. Het overheidspensioen telt bij deze berekening niet mee.

Het Nederlandse overheidspensioen is in Duitsland “vrijgesteld met progressievoorbehoud (Progressionsvorbehalt)”. Dat wil zeggen dat het niet wordt belast, maar wel wordt meegeteld bij het totaal van de inkomsten, waardoor het heffingspercentage wordt opgehoogd. 

Tot nu toe was er geen sprake van een bundesweite aanpak. Elk Finanzamt bepaalde zelf hoe met het Nederlandse overheidspensioen werd omgegaan. Drie varianten kwamen voor.

    • Het gehele pensioen werd meegerekend  
    • Het overheidspensioen werd beschouwd als gesetzliche Rente.  
    • Alleen het Ertragsanteil werd meegerekend. 

De enige juiste oplossing was die met het Ertragsanteil. Reden hiervoor was dat het belastingvoordeel over de premie in Nederland en niet in Duitsland had plaatsgevonden. Volgens de Duitse belastingwet werd belastingvoordeel in de opbouwfase alleen aangerekend als dat in Duitsland had plaatsgevonden. Het belastingvoordeel bij de opbouw in Nederland mocht dus niet worden aangerekend. Met ingang van 2025 is dat veranderd. Nu geldt het belastingvoordeel in de opbouwfase ook als het buiten Duitsland optrad. Vanaf nu wordt dus waarschijnlijk het gehele pensioen meegerekend. Of dat correct is, is de vraag. In de pensioenuitkering zit immers ook het terugbetalen van de betaalde premie. In Duitsland worden ambtenarenpensioenen geheel belast, maar die hebben in de opbouwfase geen premie betaald. 

Als uw overheidspensioen als gesetztliche Rente werd aangerekend, is dat voor de toekomst hoogstwaarschijnlijk de gunstigste oplossing.  

Ook bij het overheidspensioen in het progressievoorbehoud wordt 102 € aan wervingskosten afgetrokken. 

Hoe het progressievoorbehoud is toegepast kan men zien in de belastingaanslag, het SteuerbescheidIn de toelichting ervan (de kleine lettertjes) staat ergens de zin Einkünfte die nach einem DBA … steuerfrei sind, wurden mit xxxxx € in die Berechnung des Steuersatzes einbezogen (Progressionsvorbehalt). Het genoemde bedrag plus 102 € geeft het deel van het overheidspensioen weer dat is meegenomen. 

0 reacties

Blijf op de hoogte

Ontvang een e-mail wanneer er nieuwe berichten online staan.

Factsheet