Gastenboek
Dit gastenboek is bedoeld voor bijdragen en opmerkingen van bezoekers van onze site (leden en niet-leden). Vermeld altijd uw e-mail adres zodat wij eventueel contact met u kunnen opnemen. Met vermelding van uw e-mail adres kunnen anderen u óók bereiken. Mocht u een bericht achterlaten en nog geen lid van de VBNGB zijn dan nodigen wij u uit om lid te worden. Daar wordt de Vereniging sterker door.
Ons gastenboek wordt gemodereerd. Dat betekent dat uw bericht niet meteen verschijnt; het moet eerst worden vrijgegeven. Het gebruik van aliassen wordt niet toegestaan. Bedenk bij het schrijven dat iedere bezoeker van de site uw stuk kan lezen!
In antwoord op Henk Komdeur:
Anders dan gesteld heeft het EHvJ in het cruciale arrest Van Delft (C-345/09) wel degelijk het primaire EU recht betrokken in zijn overwegingen, en geconcludeerd dat het opleggen van de zorgbijdrage door Nederland niet in strijd was met dat primaire EU-recht (evenmin als met Vo1408/71 wat secundair EU recht is). In casu gaat het om de beoordeling van de strijdigheid met art. 21 VWEU (het EU-Verdrag). Citerend uit het arrest waar dit blijkt:
"86 Daaruit volgt dat het feit dat de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn op een situatie als die aan de orde in de hoofdgedingen, op zich niet uitsluit dat verzoekers in de hoofdgedingen er zich op grond van het primaire recht tegen kunnen verzetten dat het bevoegde orgaan van de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is bijdragen inhoudt voor de verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van hun woonstaat (zie naar analogie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 66).
87 In casu moet vooraf worden onderzocht of een situatie als de onderhavige valt onder de werkingssfeer van de in de tweede vraag aangehaalde bepalingen, te weten de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU.
(..)
103 Vastgesteld moet worden dat, zoals de Nederlandse regering te kennen heeft gegeven, de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving overeenkomstig de regels van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat rechthebbenden op pensioen of rente die geen ingezetenen zijn, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in het kader van de wetgeving van hun woonstaat, en dus het vrije verkeer van burgers van de Unie veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Door die wetgeving hebben die burgers immers in hun woonstaat toegang tot zorg waaraan zij gezien hun gezondheidstoestand behoefte hebben, op gelijke voet als personen die bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat zijn aangesloten.
104 Dit geldt temeer in de hoofdgedingen, nu vaststaat dat ten vervolge op de kortgedingprocedures die verzoekers in de hoofdgedingen voor de nationale rechter hadden ingeleid, het bedrag van de bijdragen die verschuldigd zijn door in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, door de toepassing van een coëfficiënt die de kosten van levensonderhoud in de woonstaat weergeeft thans lager is dan het bedrag dat wordt betaald door in Nederland wonende personen die recht hebben op hetzelfde pensioen of dezelfde rente.
105 Het kan niet worden uitgesloten dat, zoals verzoekers in de hoofdgedingen betogen, de verstrekkingen bij ziekte die overeenkomstig verordening nr. 1408/71 in de woonstaat worden verleend, gelet op de kosten en de kwaliteit ervan minder gunstig zijn dan de verstrekkingen aan ingezetenen van Nederland in het kader van de ZVW.
106 Een dergelijk verschil in niveau van bescherming tegen ziektekosten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten is echter het gevolg van het gebrek aan harmonisatie van het recht van de Unie op het betrokken gebied en kan overeenkomstig de in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet worden beschouwd als een onder artikel 21, lid 1, VWEU vallende beperking. Dienaangaande is, anders dan Van Delft en Van Willigen hebben betoogd, irrelevant dat deze hun woonplaats vóór en niet na de inwerkingtreding van de ZVW naar een andere lidstaat hebben verlegd.
107 Voorts is het niet zo dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op een pensioen of rente verplicht aan een stelsel van sociale zekerheid bij te dragen zonder dat daar sociale bescherming tegenover staat.
108 Ook al kunnen immers aan rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving in hun woonstaat geen verstrekkingen bij ziekte worden verleend indien zij niet in die staat zijn ingeschreven, dit neemt niet weg dat bijdragebetaling in Nederland die sociaal verzekerden recht geeft op de verlening van prestaties in hun woonstaat ten laste van Nederland."
De uitspraken van de CRvB daarna bouwen op dit oordeel van het EHvJ voort. Daarna heeft de SBNGB nog getracht verhaal te halen bij het EHRM, echter vooral op het aspect van veronderstelde discriminatie van de pensioenemigranten (dat ook al vragenderwijs door het EHvJ in C-345/09 aan de orde was gesteld). Het ERHM oordeelde echter grotendeels tot niet-ontvankelijkheid, danwel geen strijdigheid met het EVRM.
De conclusie van de SBNGB, en nu de opvolger VBNGB, dat alle rechtsmiddelen tegen de heffing van de zorgbijdrage aan Nederland uitgeput zijn, lijkt me in het licht van het bovenstaande dan ook terecht. Ik ben benieuwd welke argumenten uit het primaire EU-recht (dus te relateren aan het EU-Verdrag) dan nog wel door u te vinden zouden zijn die tot heropening zouden kunnen leiden. Op de website waar u naar verwijst zijn ze echter niet te vinden.
Anders dan gesteld heeft het EHvJ in het cruciale arrest Van Delft (C-345/09) wel degelijk het primaire EU recht betrokken in zijn overwegingen, en geconcludeerd dat het opleggen van de zorgbijdrage door Nederland niet in strijd was met dat primaire EU-recht (evenmin als met Vo1408/71 wat secundair EU recht is). In casu gaat het om de beoordeling van de strijdigheid met art. 21 VWEU (het EU-Verdrag). Citerend uit het arrest waar dit blijkt:
"86 Daaruit volgt dat het feit dat de artikelen 28, 28 bis en 33 van verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn op een situatie als die aan de orde in de hoofdgedingen, op zich niet uitsluit dat verzoekers in de hoofdgedingen er zich op grond van het primaire recht tegen kunnen verzetten dat het bevoegde orgaan van de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is bijdragen inhoudt voor de verlening van verstrekkingen bij ziekte door het bevoegde orgaan van hun woonstaat (zie naar analogie arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 66).
87 In casu moet vooraf worden onderzocht of een situatie als de onderhavige valt onder de werkingssfeer van de in de tweede vraag aangehaalde bepalingen, te weten de artikelen 21 VWEU en 45 VWEU.
(..)
103 Vastgesteld moet worden dat, zoals de Nederlandse regering te kennen heeft gegeven, de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving overeenkomstig de regels van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat rechthebbenden op pensioen of rente die geen ingezetenen zijn, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in het kader van de wetgeving van hun woonstaat, en dus het vrije verkeer van burgers van de Unie veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Door die wetgeving hebben die burgers immers in hun woonstaat toegang tot zorg waaraan zij gezien hun gezondheidstoestand behoefte hebben, op gelijke voet als personen die bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat zijn aangesloten.
104 Dit geldt temeer in de hoofdgedingen, nu vaststaat dat ten vervolge op de kortgedingprocedures die verzoekers in de hoofdgedingen voor de nationale rechter hadden ingeleid, het bedrag van de bijdragen die verschuldigd zijn door in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving, door de toepassing van een coëfficiënt die de kosten van levensonderhoud in de woonstaat weergeeft thans lager is dan het bedrag dat wordt betaald door in Nederland wonende personen die recht hebben op hetzelfde pensioen of dezelfde rente.
105 Het kan niet worden uitgesloten dat, zoals verzoekers in de hoofdgedingen betogen, de verstrekkingen bij ziekte die overeenkomstig verordening nr. 1408/71 in de woonstaat worden verleend, gelet op de kosten en de kwaliteit ervan minder gunstig zijn dan de verstrekkingen aan ingezetenen van Nederland in het kader van de ZVW.
106 Een dergelijk verschil in niveau van bescherming tegen ziektekosten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten is echter het gevolg van het gebrek aan harmonisatie van het recht van de Unie op het betrokken gebied en kan overeenkomstig de in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet worden beschouwd als een onder artikel 21, lid 1, VWEU vallende beperking. Dienaangaande is, anders dan Van Delft en Van Willigen hebben betoogd, irrelevant dat deze hun woonplaats vóór en niet na de inwerkingtreding van de ZVW naar een andere lidstaat hebben verlegd.
107 Voorts is het niet zo dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale wetgeving in een andere lidstaat dan Nederland wonende rechthebbenden op een pensioen of rente verplicht aan een stelsel van sociale zekerheid bij te dragen zonder dat daar sociale bescherming tegenover staat.
108 Ook al kunnen immers aan rechthebbenden op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving in hun woonstaat geen verstrekkingen bij ziekte worden verleend indien zij niet in die staat zijn ingeschreven, dit neemt niet weg dat bijdragebetaling in Nederland die sociaal verzekerden recht geeft op de verlening van prestaties in hun woonstaat ten laste van Nederland."
De uitspraken van de CRvB daarna bouwen op dit oordeel van het EHvJ voort. Daarna heeft de SBNGB nog getracht verhaal te halen bij het EHRM, echter vooral op het aspect van veronderstelde discriminatie van de pensioenemigranten (dat ook al vragenderwijs door het EHvJ in C-345/09 aan de orde was gesteld). Het ERHM oordeelde echter grotendeels tot niet-ontvankelijkheid, danwel geen strijdigheid met het EVRM.
De conclusie van de SBNGB, en nu de opvolger VBNGB, dat alle rechtsmiddelen tegen de heffing van de zorgbijdrage aan Nederland uitgeput zijn, lijkt me in het licht van het bovenstaande dan ook terecht. Ik ben benieuwd welke argumenten uit het primaire EU-recht (dus te relateren aan het EU-Verdrag) dan nog wel door u te vinden zouden zijn die tot heropening zouden kunnen leiden. Op de website waar u naar verwijst zijn ze echter niet te vinden.

