Selecteer een pagina

Gastenboek

 

Dit gastenboek is bedoeld voor bijdragen en opmerkingen van bezoekers van onze site (leden en niet-leden). Vermeld altijd uw e-mail adres zodat wij eventueel contact met u kunnen opnemen. Met vermelding van uw e-mail adres kunnen anderen u óók bereiken. Mocht u een bericht achterlaten en nog geen lid van de VBNGB zijn dan nodigen wij u uit om lid te worden. Daar wordt de Vereniging sterker door.

Ons gastenboek wordt gemodereerd. Dat betekent dat uw bericht niet meteen verschijnt; het moet eerst worden vrijgegeven. Het gebruik van aliassen wordt niet toegestaan. Bedenk bij het schrijven dat iedere bezoeker van de site uw stuk kan lezen!

Schrijf een nieuw bericht voor het Gastenboek

 
 
 
 
 
 
Velden gemarkeerd met * zijn verplicht.
Uw E-mailadres wordt niet gepubliceerd.
Het kan zijn dat uw bericht pas zichtbaar wordt nadat we het beoordeeld hebben.
Jan de Voogd
23 november 2018 om 08:22
@Beste Henk, ter aanvulling.
Ik ben het geheel oneens met je analyses. Ik ben het wel eens met je opvatting dat bij de invoering ZVW de voorheen part. verzekerden in het buitenland groot onrecht is aangedaan, namelijk dat er niet in voorzien is hun tegen vergelijkbare premievoorwaarden als hun evenknieën in Nederland te garanderen dat ze het voorheen bestaande dekkingspakket konden behouden. Reeds de befaamde brief van Wiegel (ZN) van december 2015, waarin hij waarschuwde dat de verzekeraars dat niet konden doen, maar die hij (bewust? ) heel laat verstuurde, had de politiek aanleiding moeten geven art. 2.5.2.2. IZVW niet te laten voortbestaan. Dat hield in dat de part. polissen voor buiten Nederland wonenden van rechtswege ontbonden konden worden voor het deel dat ze een wettelijke verzekering (verdragsrecht met name) kregen - en zoals de CRvB terecht vaststelde: vrijwel identiek aan wat voor ingezetenen ook was bepaald. De formulering die toen had moeten worden gekozen had kunnen luiden: de polissen mogen slechts op verzoek van de verzekerde geheel of gedeeltelijk worden ontbonden. En voorts een garantie dat de premie-ontwikkeling ervoor ongeveer gelijk zou zijn met die van vergelijkbare ingezetenen (basis- en aanvullende verzekering tezamen).

Of het bovenstaande ook in een bestuursrechtelijke zaak had kunnen zijn omgezet door de betrokken pensioenemigranten, in die zin dat men op Europeesrechtelijke gronden had kunnen eisen dat vanwege de verschillen in resulterende verzekeringspositie tussen niet-ingezetenen en ingezetenen art. 2.5.2.2. IZVW niet zo geformuleerd had mogen worden? Ik betwijfel het. Het EHvJ heeft in C-345/09 immers als uitgangspunt genomen dat in de overgangsregeling van IZVW gepersisteerd moest worden op gelijke behandeling van part. verzekerde ingezetenen met niet-ingezetenen, en wel vanwege de gelijke uitgangssituatie qua verzekering. Mijn gezichtspunt is dat juist ingezet had moeten worden op ongelijke behandeling vanwege uit een gelijke behandeling voortvloeiende zeer ongunstige eindsituatie: zijnde dat men slechts tegen zeer hoge premies de bestaande polissen als niet-ingezetenen kon behouden. Maar of mijn tegengestelde gezichtspunt vertaald had kunnen worden in achterwege laten of anders formuleren van art. 2.5.2.2. IZVW op Europeesrechtelijke gronden (non-discriminatie of tegengaan van belemmering van vrij verkeer van personen) betwijfel ik.
Ik hoor het de persrechter na de einduitspraak van de CRvB nog zeggen: klagers moeten bij de verzekeraars zijn waar ze een particuliere polis hebben of hadden. De CRvB kon niet meer dan bestuurlijke naïviteit, zijnde niet in strijd met EU recht, vaststellen.
Dit heb ik voor mezelf vertaald in: klagers hadden de bodemprocedure die de kortgedingrechter begin 2006 als mogelijkheid ingesteld had, moeten benutten. Met andere woorden: ze hadden moeten eisen dat ze part. polissen konden behouden voor het deel van het pakket dat nog resteerde na het verkrijgen van het recht op het woonlandpakket (e.d.) tegen dusdanige premievoorwaarden dat ze ongeveer gelijk af waren met de ingezetenen die onder de basisverzekering ZVW kwamen te vallen (met evt. een - in termen van dekkingspakket en aanvullende premie- in vergelijking met ingezetenen in de meeste woonlanden veel grotere aanvullende verzekering). Zo'n bodemprocedure had dan voor de civiele rechter in Nederland een principiële discussie opgeleverd over de betekenis van het behoud van de impliciet ingebouwde generatiesolidariteit die in de part. verzekeringen voor 2016 bestond (en in de SPP polissen zelfs wettelijk was geregeld). Indicatief voor mij was dat er één verzekeraar (CZ) was die de gehele polis (zij het slechts als overgangsregeling voor de bestaande gevallen; wat mij betreft fair enough hoewel je gerekend naar de verdragsrechtsystematiek een lagere premie zou mogen verwachten onder toepassing van regresrecht op het wettelijke verdragspakket dat vanaf 2016 ging gelden) in stand hield voor de niet-ingezetenen tegen weinig verhoogde premies. Was dat nu goedgunstigheid van deze verzekeraar of voelde deze een juridische verplichting voor dit beleid? De uitslag van het kort geding dat de SBNGB voerde tegen 3 verzekeraars (CZ was er niet bij) wees niet direct op een juridische verplichting (premieverhogingen van meer dan 100% werden goedgekeurd door de kortgedingrechter).

Zoals je weet is die mogelijkheid van een bodemprocedure niet benut en zijn eisers in plaats daarvan de weg van een bestuursrechtelijke eis tot keuze voor verdragsrecht opgegaan. Dat niet beide wegen tegelijkertijd zijn gevolgd, betreur ik achteraf ten zeerste (het had natuurlijk nog meer juridische kosten met zich gebracht, dat wel). Inmiddels is zo'n bodemprocedure wegens verjaring m.i. niet meer te voeren.

Ik ben het dus niet eens met je opvattingen van "slecht voorgelicht zijn van het EHvJ" (in de zogeheten precontentieuze procedure), en evenmin dat het primaire EU recht in de zaak niet is toegepast. Het is namelijk zonneklaar dat het EHvJ dat juist wel heeft gedaan, en wel op meerdere punten in C-345/09. Zowel art. 21 VWEU (vrij verkeer van personen) als het non-discriminatiebeginsel zijn uitgebreid aan de orde geweest. Het feit dat de Nederlandse regering en CvZ op een aantal vragen niet konden antwoorden ter zitting in Luxemburg (ik was er niet bij en ken de details dus niet) illustreert m.i. slechts dat mogelijk het Hof ter zitting al de "bestuurlijke naiviteit" waartoe de CRvB later concludeerde, heeft vermoed of vastgesteld.

Als je op basis van het bovenstaande van mening zou zijn dat een andere bestuursrechtelijke rechtsgang (en trouwens ook een civiele tegen de verzekeraars) mogelijk was geweest, wil ik daarover graag met jou en anderen verder discussiëren.
Even geduld...

Blijf op de hoogte

Ontvang een e-mail wanneer er nieuwe berichten online staan.

Factsheet