Staatssecretaris Snel: heffing over pensioenen in het belastingverdrag met Duitsland

jun 13, 2018

Het onderstaande betreft vooral de inkomenseffecten van de overgangsregeling voor pensioenen voor in Duitsland wonenden met Nederlands pensioen. Conclusie: de staatssecretaris is niet van plan de huidige overgangsregeling van 6 jaren in het verdrag te veranderen:

Kamerbrief Openstaande vragen nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2018

Datum 26 februari 2018 , brief van Staatssecretaris Snel van Min. Van Financiën, daaruit:

Belastingverdrag Nederland – Duitsland

De leden van de fractie van de SP hebben een aantal vragen gesteld over het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Deze leden hebben naar aanleiding van eerdere antwoorden op schriftelijke vragen19 een aantal vragen gesteld over de hoogte van de financiële achteruitgang in relatie tot de berekeningen die zijn gemaakt bij de behandeling van dit belastingverdrag in 2012. Ook vragen deze leden waarom niet gekozen is voor automatisch overgangsrecht voor – kort gezegd – de jaren na 2016. In de bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag bij de behandeling van het huidige belastingverdrag met Duitsland is een aantal voorbeelden met berekeningen opgenomen. De voorbeeldberekeningen betreffen onder andere situaties van inwoners van Nederland met een pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering uit Duitsland van € 15.000 of minder per kalenderjaar. In die berekeningen was er geen sprake van een financiële achteruitgang. De vraag of en in hoeverre inkomensgevolgen optreden (mede) als gevolg van een nieuw belastingverdrag is per individueel geval echter afhankelijk van verschillende factoren. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de persoonlijke situatie van een belastingplichtige, waaronder de hoogte van het (overige) inkomen, de belastingheffing in het andere land en de wijzigingen in fiscale wetgeving waar belastingplichtigen na het sluiten van het belastingverdrag mee te maken krijgen. Het kan daarom zijn dat inwoners van Nederland met een pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering uit Duitsland van € 15.000 of minder per kalenderjaar andere inkomensgevolgen ondervinden dan geschetst in de hiervoor genoemde voorbeelden.

Het maken van nieuwe afspraken over de verdeling van heffingsrechten tussen landen kan voor belastingplichtigen leiden tot inkomensgevolgen. Belastingplichtigen kunnen bij een nieuwe verdeling immers te maken krijgen met een ander belastingstelsel dan eerder het geval was. De belastingstelsels van landen verschillen van elkaar in grondslag en belastingtarief. Een nieuwe verdeling van heffingsrechten gaat in de regel bovendien niet automatisch gepaard met overgangsrecht. In relatie met Duitsland is op verzoek van Nederland voor het jaar 2016 wel voorzien in een algemene overgangsregeling van één jaar om de inkomensgevolgen voor de nieuwe verdeling te beperken. Belastingplichtigen hebben voor het belastingjaar 2016 de mogelijkheid te kiezen voor toepassing van het oude belastingverdrag. Bij het sluiten van het belastingverdrag hadden beide partijen niet de wens om de afgesproken verdeling van heffingsrechten langer uit te stellen met een langere overgangsregeling. Tijdens de behandeling van het belastingverdrag in uw Kamer is alleen voor inwoners van Duitsland met een pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering uit Nederland bij bedragen van tezamen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar onder bepaalde voorwaarden een uitzondering gemaakt. Omdat voor een gedeelte van deze groep de  inkomensgevolgen substantieel waren, is voorzien in een specifieke overgangsregeling voor bestaande gevallen.

Voor belastingplichtigen met pensioen-, lijfrente- of socialezekerheidsuitkeringen van tezamen € 15.000 of minder per kalenderjaar is in het huidige belastingverdrag met Duitsland als uitgangspunt genomen dat het land waarvan zij inwoner zijn over dit inkomen mag heffen. Hierdoor hoeven belastingplichtigen met een klein pensioen uit het andere land alleen nog in hun woonland aangifte te doen, waarmee administratieve lasten worden beperkt.

Wat betreft de inkomensgevolgen merk ik ten slotte op dat de belastingdruk voor belastingplichtigen met een pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering uit Duitsland van € 15.000 of minder niet hoger is dan voor belastingplichtigen met een gelijk bedrag aan pensioen, lijfrente of socialezekerheidsuitkering uit Nederland (uitgaande van overige gelijke omstandigheden). Hiermee zie ik geen reden om met een nieuwe overgangsregeling terug te komen op of af te wijken van de afspraken die tussen Duitsland en Nederland zijn gemaakt.

 

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/02/26/kamerbrief-openstaande-vragen-nota-naar-aanleiding-van-het-verslag-belastingplan-2018

2 Reacties

  1. Staatssecretaris Snel stuurde een brief naar de 2de Kamer over fiscale knelpunten voor grensarbeiders die soms ook van belang is voor gepensioneerden buiten Nederland. Lees meer op:
    https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/09/27/fiscale-knelpunten-grensarbeiders-2019
    daaruit (..)
    Nieuw belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland
    Sinds 1 januari 2016 is het (nieuwe) belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van kracht.12 De implementatie van het nieuwe belastingverdrag is goed verlopen. Ik heb echter signalen ontvangen over enkele knelpunten die grensarbeiders ervaren bij de toepassing van het nieuwe belastingverdrag. Hieronder ga ik daar nader op in.
    Kortdurende socialezekerheidsuitkeringen
    Vanuit verschillende belangengroepen en in het rapport van de Vereniging voor Belastingwetenschap is kritiek gekomen op het effect van de grens van € 15.000 op een tweetal specifieke Duitse kortdurende socialezekerheidsuitkeringen die samenhangen met loon uit dienstbetrekking. Het gaat daarbij om het zogenoemde Krankengeld (uitkering bij ziekte) en Elterngeld (uitkering voor ouders met jonge kinderen).
    Het heffingsrecht over loon uit dienstbetrekking van grensarbeiders die in Nederland wonen en in Duitsland werken, wordt op grond van het belastingverdrag in beginsel toegekend aan de werkstaat. Als deze grensarbeiders de hiervoor genoemde kortdurende socialezekerheidsuitkeringen uit Duitsland ontvangen die samenhangen met die werkzaamheden en deze niet meer bedragen dan € 15.000, is het heffingsrecht daarover toegewezen aan de woonstaat. Bij bijvoorbeeld ziekte vindt er dan als het ware een verschuiving van het heffingsrecht plaats van de werkstaat (loon) naar de woonstaat (socialezekerheidsuitkering van € 15.000 of minder)13.
    De genoemde uitkeringen zijn in Duitsland onbelast. Doordat het belastingverdrag het heffingsrecht over deze uitkeringen onder bepaalde voorwaarden aan de woonstaat toewijst, kan de situatie ontstaan dat een in Duitsland onbelaste uitkering in Nederland leidt tot een belaste uitkering. Daarnaast kan er discoördinatie tussen belastingheffing en premieheffing ontstaan als een ontvanger van dergelijke uitkeringen sociaal verzekerd blijft in de werkstaat. Deze situatie is inherent aan het feit dat ieder land zijn eigen belastingstelsel heeft. Als uitgangspunt geldt dat belastingverdragen slechts heffingsrechten verdelen. De nationale wetgeving van verdragslanden bepaalt vervolgens op welke wijze dat heffingsrecht geeffectueerd wordt. Daarnaast gelden voor de belasting- en premieheffing verschillende regels die niet altijd synchroon lopen Ik begrijp dat de verschuiving van de belastingheffing en de mogelijke discoördinatie bij de hiervoor genoemde Duitse socialezekerheidsuitkeringen als onredelijk wordt ervaren. Een oplossing voor deze situatie vergt een aanpassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. Ik ben hierover momenteel in constructief overleg met Duitsland om te onderzoeken of er een oplossing gevonden kan worden voor de hiervoor beschreven situatie. Overheidsfuncties
    Artikel 18 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland ziet op loon en pensioenen die zijn verkregen in het kader van de uitoefening van een overheidsfunctie. Ik heb signalen ontvangen dat de toepassing van deze bepaling tot interpretatieverschillen aanleiding zou kunnen geven. Dit speelt in de situatie dat een inwoner van Duitsland met de Nederlandse nationaliteit voor een Nederlandse overheidsinstelling werkzaam is en in een kalenderjaar een aantal thuiswerkdagen heeft. De Belastingdienst heeft als uitgangspunt dat de staat waaruit de betalingen afkomstig zijn (in casu Nederland) exclusief heffingsbevoegd is en er geen splitsing dient plaats te vinden naar het aantal in Nederland en in Duitsland vanuit huis gewerkte dagen. De uitzondering zoals deze geldt voor lokaal geworven personeel is hier niet van toepassing. Uit contact met de Duitse bevoegde autoriteiten over dit punt zijn geen signalen naar voren zijn gekomen dat Duitsland de bepaling anders interpreteert. Uitleg socialezekerheidsuitkering
    Ik heb begrepen dat er onduidelijkheid kan bestaan over de vraag of bepaalde uitkeringen uit Duitsland als socialezekerheidsuitkering kwalificeren voor de toepassing van het belastingverdrag. Dit is van belang voor de vraag of uitkeringen onder artikel 17 van het belastingverdrag vallen en meetellen voor de daarin opgenomen grens van € 15.000. Het gaat daarbij om de vraag of uitkeringen worden betaald krachtens de bepalingen van een socialezekerheidsstelsel van een verdragsluitende staat. Daaruit volgt dat de kwalificatie van het bronland het uitgangspunt is. Op ambtelijk niveau is goed contact met Duitsland. Eventuele interpretatieverschillen worden regelmatig op ambtelijk niveau besproken met als doel deze in een vroeg stadium op te lossen.

    Antwoord
  2. ECLI:NL:RBZWB:2023:342
    InstantieRechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 20-01-2023 Datum publicatie 31-01-2023 ZaaknummerBRE 21/4026
    Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie Inkomstenbelasting – belastingverdrag met Duitsland – inkomensgrens € 15.000
    VindplaatsenRechtspraak.nl Viditax (FutD), 31-1-2023 V-N Vandaag 2023/222 FutD 2023-0364
    uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2023 in de zaak tussen
    [belanghebbende] , wonende in Duitsland, belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
    Daaruit:
    Beoordeling door de rechtbank
    3.1.
    De rechtbank beoordeelt primair of Nederland heffingsbevoegd is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Indien Nederland heffingsbevoegd is, is niet langer tussen partijen in geschil dat belanghebbende voor het jaar 2017 kwalificerende buitenlands belastingplichtige is en dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften.
    3.2.
    Belanghebbende heeft aangevoerd dat nu zijn inkomen, na aftrek van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften, lager is dan € 15.000 hij op grond van het belastingverdrag met Duitsland niet belastingplichtig is in Nederland. Hij is daarom geen inkomstenbelasting in Nederland verschuldigd, aldus belanghebbende.
    3.3.
    De inkomstenbelasting wordt geheven over het door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit werk en woning.1 Het belastbare inkomen uit werk en woning bestaat onder meer uit het belastbare loon verminderd met de persoonsgebonden aftrek.2
    3.4.
    Artikel 17 van het belastingverdrag3 tussen Nederland en Duitsland (het verdrag), luidt voor zover hier van belang, als volgt:
    1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 18, tweede lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende staat alsmede lijfrenten betaald aan een inwoner van een verdragsluitende staat slechts in die staat belastbaar. Pensioenen en andere uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van een socialezekerheidsstelsel van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat zijn slechts in die andere staat belastbaar.
    2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid, mag een pensioen of andere soortgelijke beloning, alsmede een lijfrente of een pensioen betaald krachtens de bepalingen van een socialezekerheidsstelsel van een verdragsluitende staat (socialezekerheidspensioen) ook worden belast in de verdragsluitende staat waaruit het of deze afkomstig is, in overeenstemming met de wetgeving van die staat, indien het totale brutobedrag ervan in enig kalenderjaar de som van 15.000 euro te boven gaat.”
    3.5.
    De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat het door belanghebbende genoten (totale) bruto-inkomen van € 17.635 afkomstig is uit Nederland. Volgens het verdrag dient te worden gekeken naar de som van ‘het totale brutobedrag’ van de uitkeringen (loon) afkomstig uit Nederland. Dit betreft niet – zoals belanghebbende meent – het brutobedrag waarbij wel rekening wordt gehouden met aftrek van de uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften. Belanghebbende gaat daarom uit van een onjuiste uitleg van het verdragsartikel. Nu het totale brutobedrag van de uitkeringen hoger is dan € 15.000, is Nederland heffingsbevoegd.
    3.6.
    Nu tussen partijen niet meer in geschil is dat belanghebbende in dat geval recht heeft op de door hem opgevoerde aftrekposten, dient het belastbare inkomen uit werk en woning op € 13.740 te worden vastgesteld.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.