Inbreukprocedure tegen België wegens belastingen op buitenlands onroerend goed

aug 11, 2018

nr.20074332   18/06/2015 Referral to Court Art. 258 TFEU

The Commission has decided to refer BELGIUM to the EU Court of Justice on account of its arrangements for taxing Belgian taxpayers who invest in immovable property abroad

The European Commission has decided to refer Belgium to the EU Court of Justice on account of its tax laws, which provide for different methods of assessing income from immovable property: income derived by a Belgian resident from property abroad is assessed at a rate higher than that applied to income from comparable property in Belgium.

The result is that, under Belgian law, investment in certain properties located in Belgium is treated advantageously, whereas taxpayers who choose to invest in similar properties in other Member States of the EU or of the European Economic Area (EEA) are penalised. This difference in tax treatment infringes the principle of the free movement of capital, which is enshrined in Article 63 of the TFEU and Article 40 of the EEA Agreement.

On 22 March 2012 the Commission sent Belgium a reasoned opinion (IP/12/282) calling upon it to amend its legislation. Since Belgium has not done so, the Commission has decided to refer the matter to the EU Court of Justice.

7 Reacties

  1. European Commission – Press release
    Commission refers Belgium to Court because of its tax treatment of Belgian taxpayers investing in property abroad
    Brussels, 18 June 2015
    The European Commission is referring Belgium to the Court of Justice of the European Union because of its tax legislation which provides for different methods of assessing income from property. As a result of this, the income which a Belgian resident earns from property located abroad is assessed at a higher value than that from comparable property in Belgium.
    Belgian law thus favours investments in certain properties located in Belgium and penalises taxpayers who choose to invest in similar property in other Member States of the EU or the European Economic Area (EEA).
    Such a difference in tax treatment constitutes an infringement of the free movement of capital guaranteed by Article 63 TFEU and Article 40 of the EEA Agreement.
    The Commission sent a request to Belgium on 22 March 2012 in the form of a reasoned opinion (IP/12/282), asking it to amend its legislation. Since Belgium has not done so, the Commission has decided to refer the matter to the Court of Justice of the European Union.
    Background
    The Commission is not criticising Belgian tax policy on the assessment and taxation of the income of Belgian residents deriving from property located in Belgium. What is contrary to EU law, however, is the use of a different method of assessment which results in a higher value being attributed to income earned from property located abroad.
    The Court recently issued a ruling (in Case C-489/13 Verest and Gerards, 11.09.2014) on property that is not rented out, finding that the freedom of movement of capital precludes the Belgian legislation – the same legislation which the Commission is challenging in this case – when it is liable to lead to higher taxation simply because the method for determining income from property results in the income from property in another Member State being assessed at a higher amount than income from similar property located in Belgium.

    Antwoord
  2. Kan dit geheel ook vertaald worden in het Nederlands

    Antwoord
    • Het arrest is er ook al. Daaruit is de inhoud van de inbreukprocedure af te leiden:
      ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
      12 april 2018 (*)
      „Niet-nakoming – Vrij verkeer van kapitaal – Artikel 63 VWEU – Artikel 40 van de EER-Overeenkomst – Inkomstenbelasting van Belgische ingezetenen – Bepaling van onroerende inkomsten – Toepassing van twee verschillende berekeningsmethoden naargelang de ligging van het onroerend goed – Berekening op basis van de kadastrale waarde voor in België gelegen onroerende goederen – Berekening op basis van de reële huurwaarde voor in een andere lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte (EER) gelegen onroerende goederen – Verschil in behandeling – Beperking van het vrije kapitaalverkeer”
      In zaak C 110/17,
      betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 3 maart 2017,
      Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en N. Gossement als gemachtigden,
      verzoekster,
      tegen
      Koninkrijk België, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs en L. Cornelis als gemachtigden,

      , daaruit:
      Precontentieuze procedure
      12 Bij aanmaningsbrief van 7 november 2007 heeft de Commissie een mogelijke onverenigbaarheid vastgesteld tussen de Belgische fiscale bepalingen inzake inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen (hierna: „litigieuze regeling”) en de verplichtingen uit artikel 63 VWEU en artikel 40 van de EER-Overeenkomst. Die onverenigbaarheid zou voortvloeien uit de verschillende methoden om de belastbare inkomsten van onroerende goederen vast te stellen naargelang een onroerend goed in België dan wel in een andere staat gelegen is. In het kader van de inkomstenbelasting van Belgische ingezetenen worden de onroerende inkomsten in dit laatste geval minder gunstig behandeld dan inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen. Dit verschil in behandeling zou het vrije verkeer van kapitaal kunnen beperken. Bij brief van 17 maart 2008 heeft het Koninkrijk België deze beweringen betwist.
      13 Bij aanvullende aanmaningsbrief van 26 juni 2009 heeft de Commissie gesteld dat de geformuleerde grieven zowel de inkomsten van gebouwde onroerende goederen als die van niet-gebouwde onroerende goederen betroffen. Bij brief van 16 november 2009 heeft het Koninkrijk België zijn oorspronkelijke standpunt bevestigd.
      14 Op 26 maart 2012 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht. Bij brief van 9 oktober 2012 heeft het Koninkrijk België aangegeven dat het instemde met het standpunt van de Commissie en zich ertoe verbonden een wetsontwerp op te stellen om een einde te maken aan de inbreuk.
      15 De Commissie heeft de inbreukprocedure geschorst aangezien het Hof op 3 september 2013 is verzocht om een prejudiciële beslissing over de fiscale behandeling in België van een in Frankrijk gelegen onroerend goed, wat heeft geleid tot het arrest van 11 september 2014, Verest en Gerards (C 489/13, EU:C:2014:2210).
      16 In punt 34 van dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 63 VWEU aldus moest worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat betreffende de inkomstenbelasting van ingezetenen van deze staat, voor zover zou blijken dat bij de toepassing van een in een dubbelbelastingverdrag vervat progressievoorbehoud een hoger tarief in de inkomstenbelasting van toepassing kan zijn enkel doordat de methode voor vaststelling van de inkomsten van een onroerend goed ertoe leidt dat de inkomsten van een in een andere lidstaat gelegen niet-verhuurd onroerend goed worden bepaald op een hoger bedrag dan de inkomsten van een in eerstbedoelde lidstaat gelegen dergelijk goed. Voorts heeft het Hof de beslissing of dat het gevolg was van de regeling in kwestie aan de nationale rechter overgelaten.
      17 Gelet op dat arrest heeft de Commissie besloten om de inbreukprocedure voort te zetten bij het Hof door de instelling van het onderhavige beroep.

      Dictum: Het Hof (Zesde kamer) verklaart:
      1) Het Koninkrijk België is zijn verplichtingen krachtens artikel 63 VWEU en artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 niet nagekomen, doordat het bepalingen heeft gehandhaafd volgens welke, voor de raming van de inkomsten betreffende onroerende goederen die niet worden verhuurd, dan wel worden verhuurd aan ofwel natuurlijke personen die de betrokken goederen niet voor hun beroep gebruiken, ofwel rechtspersonen die deze goederen ter beschikking stellen van natuurlijke personen voor particuliere doeleinden, de belastbare grondslag wordt berekend op basis van de kadastrale waarde voor de onroerende goederen die op het nationale grondgebied zijn gelegen, en op basis van de reële huurwaarde voor die welke in het buitenland zijn gelegen.

      Antwoord
  3. Mij zegt bovenstaande weinig.
    Wat speelt bij mij.
    Ik woon in belgie en heb eigen huis, hoofdverblijf.
    Tevens in maastricht een app.
    Nederlandse fiscus brengt app maastricht onder in box 3 waardoor ik ca €250 extra belasting betaal op mijn ABP pensioen.(berekening is mij onduidelijk)
    Belgie slaat mij eveneens aan via code 1130 waar 4% van de WOZ waarde wordt ingevuld Eveneens via code 3370 de gewestelijke belastingvoordeel geschrapt.
    Al bij al moet ik in belgie als gevolg van bezit app maastricht ca. 15% meer personenbelasting betalen
    Mijn vraag is of dit kan gezien de uitspraak dat je geen 2 keer belasting hoeft te betalen.

    Antwoord
    • Krachtens artikel 6.1 van het belastingverdrag België -Nederland is de heffing aan Nederland toegewezen van uw appartement in Maastricht. In uw aangifte personenbelasting dient u echter (even afgezien van de uitspraak van het EHvJ) wel de (huur)waarde van dat appartement aan te geven, waarna vrijstelling volgt, zij het met progressievoorbehoud. Zie bijvoorbeeld:
      https://www.moorestephens.be/nl/diensten/tax-legal-services/352-belgen-en-hun-onroerend-goed-in-het-buitenland

      Het oordeel van het EhvJ houdt in dat België de maatstaf voor beoordeling van inkomsten uit onroerend goed buiten België gelegen in overeenstemming moet brengen met de maatstaf die men voor onroerend goed in België gelegen onroerend goed gebruikt, zijnde de kadastrale waarde. Hoe dit dan precies moet geschieden in het geval van een in Nederland gelegen appartement is natuurlijk de vraag.

      België zal voor de bepaling van de waarde van onroerend goed in het buitenland met een oplossing moeten komen. Zie voor de mogelijke gevolgen van het EHvJ arrest bijvoorbeeld:
      https://legalnews.be/fiscaal-recht/belgie-opnieuw-veroordeeld-voor-regels-rond-aangifte-buitenlands-vastgoed-cazimir/

      Antwoord
  4. Tja…. Ik ben een leek en kan dit helaas niet volgen. Wat ik zie dat ik telkens in 2 landen moet betalen terwijl in algemene zit conform het tractaat niet niet zou moeten.
    Hetzelde betreft de zorgkosten versus mutualiteit.
    Het gaat mij niet om het bedrag maar principe.
    Is het mogelijk om via een deskundige mijn aangiftes te toetsen/van advies te voorzien (eventueel tegen betaling)

    Antwoord
  5. @Huub Ruber
    verkeer indezelfde situatie NL-ABP, AMF & AOW
    aangifte PB Be. NL IB & 2x NiNbi
    -woon in België
    -senioren app. te Terneuzen (niet verhuurd)
    Is uw appartement te Maastricht verhuurd?
    mvg!

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.