Gerechtshof over beoordeling fiscale woonplaats voor consulaire medewerkster

aug 20, 2018

ECLI:NL:GHSHE:2018:2195

Instantie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch Datum uitspraak 18-05-2018 Datum publicatie 17-08-2018 Zaaknummer 17/00220 tot en met 17/00222 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:1162, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie Belanghebbende is consulair medewerkster en is sinds het jaar 1999 door haar werkgever naar het buitenland uitgezonden. Belanghebbende en haar echtgenoot beschikken over een woning in Nederland. Hierin verblijven ze als belanghebbende (en haar echtgenoot) niet in haar woning in het buitenland verblijft. De Inspecteur heeft in de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen IB/PVV en in 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd waarbij hij de woning in Nederland niet heeft geaccepteerd als een eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001. Hij heeft de waarde van de woning daarentegen tot de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 gerekend. In geschil is of de Inspecteur met betrekking tot de navorderingsaanslagen over een nieuw feit beschikt en of de woning in 2012 een “eigen woning” is. Met de Rechtbank oordeelt het Hof dat de inspecteur kan navorderen en dat de woning geen “eigen woning” is omdat de centrale levensplaats, ondanks het langere verblijf van belanghebbendes echtgenoot in de woning als gevolg van bijzondere omstandigheden, niet in Nederland is gelegen. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak GERECHTSHOF ‘s-Hertogenbosch, Team belastingrecht, Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00220 tot en met 17/00222

Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] ,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 februari 2017, nummers BRE 15/8376, BRE 15/8377 en BRE 15/8378, in het geding tussen

belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst,

3 Reacties

  1. ECLI:NL:PHR:2019:53

    Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 17-01-2019 Datum publicatie 15-02-2019 Zaaknummer 18/02051 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken –

    Inhoudsindicatie

    A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/02051. Het geschil betreft de definitie van de eigen woning in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 en de verhuisregeling van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001.
    De belanghebbende heeft de beschikking over twee woningen, namelijk een appartement met een woonoppervlak van circa 150 m2 in [Q] en een luxe, vrijstaande woning met een woonoppervlak van circa 400 m2 in [Z]. Het appartement heeft hij in eigendom. De woning is eigendom van een stichting. Belanghebbende heeft een erfpachtrecht op de grond en een opstalrecht op de opstallen. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat belanghebbende in de periode tot 16 juli 2009 niet in [Z] heeft overnacht. In de periode van 16 juli 2009 t/m 31 december 2009 heeft hij 88 keer overnacht in [Q], 55 keer in [Z] en 27 keer elders. In het jaar 2010 heeft belanghebbende 178 keer overnacht in [Q], 86 keer in [Z] en 100 keer elders.
    Waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft, wordt volgens het Hof, analoog aan artikel 4 AWR, naar de omstandigheden beoordeeld. Volgens het Hof gaat het daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt. Het Hof heeft geoordeeld dat de woning niet tot hoofdverblijf is gaan dienen, dus de woning ook niet als leegstaand dan wel in aanbouw in de zin van de verhuisregeling kan worden aangemerkt, nog daargelaten dat de woning niet leeg stond of in aanbouw was.
    Belanghebbende stelt twee middelen van cassatie voor. Hij betoogt dat het Hof ten onrechte (i) het begrip ‘centrale levensplaats’ – in het kader van de vraag wat als hoofdverblijf en dus als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 kwalificeert – analoog aan artikel 4 AWR heeft uitgelegd, en (ii) heeft geoordeeld dat de woning in [Z] niet kwalificeert als eigen woning voor de verhuisregeling van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001.
    Het eerste middel valt uiteen in twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte bij de beoordeling van de vraag of de woning te [Z] voor belanghebbende ‘hoofdverblijf’ was, heeft gelet op de rechtspraak inzake artikel 4 AWR. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 4 AWR sluit niet uit dat een belanghebbende zowel woonplaats heeft in Nederland als in het buitenland, terwijl voor de toepassing van artikel 3.111 Wet IB 2001 slechts één woning als hoofdverblijf heeft te gelden. Het verschil tussen beide bepalingen neemt volgens de A-G evenwel niet weg dat voor de kwalificatie van de woningen in beide artikelen alle relevante omstandigheden beslissend zijn, zodat een zekere verwantschap tussen de beide kwalificaties onmiskenbaar is. Voor artikel 4 AWR is niet beslissend of de woonplaats het middelpunt van iemands maatschappelijk leven is. Naar ’s Hofs oordeel is dat wel beslissend in het kader van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
    Belanghebbendes tweede klacht houdt in dat het Hof niet of onvoldoende acht heeft geslagen op de objectieve kenmerken van de woning, maar de feitelijke leefpatronen van belanghebbende en zijn echtgenote groter gewicht toekende. Volgens A-G Niessen heeft het Hof terecht aan de parlementaire behandeling van de onderhavige bepaling ontleend dat beslissend is waar een belastingplichtige zijn centrale levensplaats heeft. Het is niet a priori uitgesloten dat in een bepaalde situatie ook de objectieve kenmerken van een woning daarbij een rol kunnen spelen. Maar de vraag waar iemand zijn centrale levensplaats heeft, wordt wezenlijk bepaald door de feitelijke gedragingen van die persoon zelf. Ook de wettelijke term ‘hoofdverblijf’ verwijst naar de keuze die de belanghebbende met betrekking tot zijn plaats van verblijf maakt, niet naar bijvoorbeeld de grootte van de woning. Ook overigens geeft de uitgebreide motivering van het Hof omtrent de feiten die leiden tot de slotsom dat de woning in [Z] niet het hoofdverblijf van belanghebbende was, volgens de A-G niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel acht hij niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
    Belanghebbende stelt met zijn tweede middel dat het Hof ten onrechte van belang heeft geacht of de woning tot hoofdverblijf is gaan dienen. In het oordeel van het Hof ligt volgens de A-G besloten dat niet aannemelijk is geworden dat de woning bestemd was om aan belanghebbende als eigen woning ter beschikking te staan. De feiten geven zijns inziens ook geen aanleiding te veronderstellen dat sprake was van een overgangsperiode. De A-G acht het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ten overvloede merkt de A-G op dat hij in overeenstemming met het doel van de wet acht dat de woning in [Z] niet als eigen woning kwalificeert, ondanks dat niemand anders in de woning woonde. De bedoeling van de wet is juist dat er maar één eigen woning is en eventuele andere woningen in box 3 belast zouden worden.
    De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. Conclusie
    PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
    MR. R.E.C.M. NIESSEN
    ADVOCAAT-GENERAAL
    Conclusie van 17 januari 2019 inzake:
    Nr. Hoge Raad: 18/02051 [X]
    Nrs. Gerechtshof: 16/03505 en 16/03506
    Nrs. Rechtbank: BRE 15/3994 en 15/3995
    Derde Kamer B tegen

    Inkomstenbelasting/premie volksverz.
    2009 – 2010 Staatssecretaris van Financiën

    Antwoord
  2. ECLI:NL:GHSHE:2019:1018 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 15-03-2019, 17/00741
    Datum uitspraak: 15-03-2019 Datum publicatie: 16-05-2019
    Formele relaties: Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6734, Bekrachtiging/bevestiging
    Rechtsgebieden: Belastingrecht
    Bijzondere kenmerken: Hoger beroep
    Vindplaatsen: Viditax (FutD), 16-05-2019 V-N Vandaag 2019/1147 Rechtspraak.nl

    Inhoudsindicatie:
    Informatiebeschikking. De Inspecteur mag informatie vragen om de woonplaats van belanghebbende vast te stellen in het geval de meer dan denkbeeldige mogelijkheid bestaat dat belanghebbende in de betreffende periode in Nederland woonde. Het is niet vereist dat reeds op voorhand aan alle voorwaarden voor navordering is voldaan. Het in deze procedure innemen van de stelling dat geen vragen mogen worden gesteld indien uiteindelijk geen navordering kan plaatsvinden en dat de woonplaats van belanghebbende pas in een procedure tegen een navorderingsaanslag aan de orde kan worden gesteld, vormt geen kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht. Belanghebbende wordt derhalve een termijn gegeven om de verzochte inlichtingen te verstrekken.

    Antwoord
  3. ECLI:NL:RBZWB:2019:1960

    Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 26-04-2019 Datum publicatie 11-07-2019 Zaaknummer AWB – 17 _ 8127 Rechtsgebieden
    Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
    In geschil is de fiscale woonplaats van erflater in 2013. De inspecteur is van mening dat dit Nederland is en dat sprake is van binnenlandse belastingplicht. De erfgenamen van erflater hebben gesteld dat sprake is van buitenlandse belastingplicht omdat erflater in 1993 naar Kenia was geëmigreerd. De rechtbank heeft de door partijen aangedragen feiten en omstandigheden afgewogen en is tot het oordeel gekomen dat erflater in 2013 geen duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. De inspecteur heeft verzocht om interne compensatie omdat erflater wel onroerend goed in Nederland had en de aanslag is verminderd met toepassing van interne compensatie. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 11-07-2019
    Uitspraak
    RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer
    Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/8127 uitspraak van 26 april 2019
    Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , per adres te [plaats 1] ,
    belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst,

    daaruit:
    2.10.
    De rechtbank is, de door partijen ingebrachte standpunten, stellingen en bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de inspecteur niet in zijn bewijslast is geslaagd en niet aannemelijk is geworden dat [erflater] in 2013 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.
    2.11.
    Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de door de inspecteur aangevoerde omstandigheden, zoals het hebben van vastgoed, effecten- en bankrekeningen in Nederland, vermogen dat [erflater] merendeels uit erfenissen had verkregen, vooral een band van vermogensrechtelijke aard betreffen. Anders dan de inspecteur acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat [erflater] voor medische behandeling naar Nederland kwam waarbij hij soms ook familie of vrienden bezocht en dat hij in de BRP stond ingeschreven om een zorgverzekering te kunnen afsluiten om die gewenste behandelingen te ondergaan. Voorts acht de rechtbank het niet ongebruikelijk dat iemand die voldoende bemiddeld is (effecten)rekeningen, abonnementen, vastgoed en een auto in Nederland aanhoudt.
    De rechtbank weegt ook de verklaring van de boekhouder van [erflater] mee waaruit blijkt dat [erflater] slechts een aantal weken per jaar in Nederland verbleef sinds zijn emigratie naar Kenia. De rechtbank heeft onvoldoende reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.
    Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat het huwelijk tussen [erflater] en [de echtgenote] duurzaam was ontwricht en dat zij niet meer samenleefden. Als [erflater] in Nederland verbleef voor behandelingen verbleef [de echtgenote] op een ander adres, zoals ter zitting geloofwaardig is verklaard namens belanghebbenden. Het gegeven dat [de echtgenote] na 2011 mogelijk in Nederland heeft gewoond, betekent niet dat [erflater] ook in Nederland woonde, temeer omdat hij anderhalf jaar vóór zijn overlijden een nieuwe relatie is aangegaan met een in Kenia wonende vrouw ( [persoon 2] voornoemd). Daarbij komt ook nog dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [erflater] geen band had met zijn dochter en hij die tijdens zijn verblijf in Nederland niet bezocht. Ook blijkt uit de verklaring van erfrecht dat [erflater] zijn dochter had onterfd.
    Met betrekking tot de geconstateerde pintransacties hebben belanghebbenden aangegeven dat één daarvan ziet op een transactie op luchthaven Schiphol en een in Brussel. Hieruit kan zeker geen duurzame band worden afgeleid met Nederland. Ook al hetgeen de inspecteur overigens heeft aangevoerd leidt gelet op de daartegenover ingenomen gemotiveerde stellingname van belanghebbenden niet tot een ander oordeel.
    2.12.
    Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Daarmee behoeft de aangevoerde grief van belanghebbenden over schending van de hoorplicht geen behandeling, omdat beide partijen ter zitting de rechtbank hebben verzocht om zelf in de zaak te voorzien op dit punt.
    2.13.
    Wel heeft de inspecteur gesteld dat hij een beroep doet op interne compensatie. In dat verband heeft de inspecteur bij verweerschrift gemotiveerd gesteld dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bestaande uit het onroerend goed van [erflater] , op een bedrag van € 1.190.711 moet worden vastgesteld. Belanghebbenden hebben tegen de waardering van de onroerende zaken door de inspecteur geen grieven naar voren gebracht, zodat de rechtbank van de juistheid van die waardering uit zal gaan. Belanghebbenden hebben eerst ter zitting aangevoerd dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd dient te worden met een schuld van minimaal € 700.000 die [erflater] aan belanghebbenden heeft. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van die schuld noch de relatie daarvan met de onroerende zaken is onderbouwd. De rechtbank zal deze beweerdelijke schuld dan ook als onaannemelijk buiten beschouwing laten.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.