Kwalificatie van overbruggingsuitkering in belastingverdrag

feb 19, 2020

ECLI:NL:RBGEL:2020:259

Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 21-01-2020 Datum publicatie

19-02-2020 Zaaknummer AWB – 18 _ 5904 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – meervoudig Inhoudsindicatie

Overbruggingsuitkering aan voormalig beroepsvoetballer, wonend in Australië. Voor sportbeoefenaars heeft als uitgangspunt te gelden dat de heffingsbevoegdheid over deze inkomsten wordt beheerst door artikel 17 van het Belastingverdrag Nederland-Australië, tenzij de inkomsten kunnen worden aangemerkt als een onder artikel 18 van dat Verdrag vallend pensioen of lijfrente. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een lijfrente. Het gaat om een periodieke uitkering met een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde. De rechtbank verwerpt het standpunt van de belastingdienst dat bij een toekenning van een periodieke uitkering aan de werknemer door een werkgever nooit sprake kan zijn van een lijfrente. Dit berust op een onjuiste lezing van het zogenoemde stamrechtarrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:913. Het begrip is in het Belastingverdrag gedefinieerd zodat niet kan worden teruggegrepen op de definitie in de nationale wetgeving.Vindplaatsen Rechtspraak.nl

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Belastingrecht zaaknummer: AWB 18/5904

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van in de zaak tussen

[X] , te [Q] , eiseres (gemachtigde: dr. R.W.G. Rouwers),

En de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

2 Reacties

  1. ECLI:NL:PHR:2020:748 Parket bij de Hoge Raad, 28-08-2020, 20/00674
    Datum conclusie: 28-08-2020 Datum publicatie: 18-09-2020 Rechtsgebieden: Belastingrecht Bijzondere kenmerken: Vindplaatsen: Viditax (FutD), 18-09-2020
    Rechtspraak.nl
    Inhoudsindicatie:
    A-G Niessen heeft conclusie genomen in een zaak over de toewijzing van heffingsrecht over een door belanghebbende ontvangen uitkering van een (levens)verzekeraar onder het Verdrag Nederland – Duitsland 1959. In geschil is of de uitkering valt onder art. 10 van het Verdrag (niet-zelfstandige arbeid) of art. 12 (pensioen). Belanghebbende is geboren in 1949 en woont sinds 2009 in Duitsland. In 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en zijn toenmalige werkgever beëindigd bij beschikking van de Kantonrechter. Aan belanghebbende is toen een ontslagvergoeding toegekend. De ontslagvergoeding is door de ex-werkgever gestort als lijfrentekapitaal in een lijfrentepolis, een zogenoemd gericht stamrecht. De ingangsdatum van de lijfrente is bepaald op 14 januari 2014 bij leven van belanghebbende. In de polis is opgenomen dat het een stamrecht betreft als in art. 11, eerste lid, letter g, Wet LB 1964 (oud). Op 13 januari 2015 is met het opgebouwde lijfrentekapitaal een polis voor een periodieke uitkering afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij. Op die periodieke uitkering ontvangen door belanghebbende in 2015 is loonheffing ingehouden. In geschil is of dat terecht is en – daarmee samenhangend – of het heffingsrecht over de uitkeringen is toegewezen aan Nederland of Duitsland onder het toen geldende Verdrag. Belanghebbende stelt dat de uitkering moet worden aangemerkt als een pensioen of een andere uitkering of op geld waardeerbaar voordeel als bedoeld in art. 12 van het Verdrag, waarmee het heffingsrecht zou toekomen aan Duitsland. Niet in geschil is dat Nederland kan heffen over de uitkering indien de heffingsbevoegdheid aan Nederland toekomt. Tevens is de omvang van de alsdan ingehouden loonheffing niet in geschil. Nu er in het Verdrag geen definitie is opgenomen van niet-zelfstandige arbeid, noch van pensioenen, volgt volgens de A-G uit art. 2 lid 2 van het Verdrag dat nadere invulling van deze begrippen op basis van de Nederlandse wetgeving moet worden gegeven. Volledigheidshalve merkt de A-G op dat de vraag of sprake is van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of van pensioen, aansluit bij het zogenoemde ‘gesloten systeem’ ten aanzien van inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. De uitkering wordt belast op de voet van art. 10, tenzij zij kan worden ondergebracht onder een specifiekere bepaling zoals art. 12. Uit de gewezen rechtspraak volgt dat de uitkering moet dienen als overbrugging in de voorziening van levensonderhoud tot het bereiken van de pensioenleeftijd of tot verbetering van pensioenrechten, om te kwalificeren als uitkering soortgelijk aan pensioen. De volgende criteria acht de Hoge Raad relevant voor het bepalen van de kwalificatie van de uitkering op basis van eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld HR BNB 2000/296, HR BNB 2000/328 en HR BNB 1986/35): de grondslagen waarnaar de uitkering is berekend, de leeftijd waarop de uitkering aan belanghebbende wordt toegekend en de kans op herintreding in het arbeidsproces. Concrete invulling van deze criteria is sterk verweven met de waardering van de feiten. Gelet op de criteria die hierboven uiteen zijn gezet, overweegt de A-G dat naast de berekeningswijze, overige omstandigheden moeten worden meegewogen, zoals de leeftijd van belanghebbende en de kans dat belanghebbende elders aan de slag kan gaan. Het gaat dan wel om de objectieve omstandigheden, de bedoeling van belanghebbende is niet relevant. Het oordeel van het Hof dat een en ander naar objectieve maatstaven dient te worden beoordeeld, is daarmee in overeenstemming. Volgens het Hof zijn in de correspondentie tussen belanghebbende en de ex-werkgever geen aanknopingspunten te vinden waaruit blijkt dat de ontslagvergoeding erop is afgestemd en strekte tot voorziening in het levensonderhoud dan wel tot een aanvulling op zijn pensioen. In cassatie betoogt belanghebbende dat alle relevante omstandigheden moeten worden meegewogen in de beoordeling of de uitkering onder het pensioenartikel valt. Belanghebbende verwijst voorts naar de opgesomde relevante omstandigheden, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank. Met deze klachten geeft belanghebbende niet aan op welke punten hij het oordeel van het Hof onjuist acht. Met inachtneming van de criteria, geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten van belanghebbende kunnen niet slagen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

    Antwoord
  2. ECLI:NL:RBMNE:2022:1162
    Instantie Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak 22-02-2022 Datum publicatie 03-11-2022 Zaaknummer 21/4275 Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
    AOW. eisers lijfrente is geen rechtgevende uitkering voor een overbruggingsregeling in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd. beroep ongegrond. Vindplaatsen Rechtspraak.nl
    RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht
    Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4275

    uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 februari 2022 in de zaak tussen
    [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en
    de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.