Medeverdragsgerechtigdheid van oudere kinderen

Rechtbank Oost-Brabant Datum uitspraak 10-12-2020 Datum publicatie

22-12-2020 Zaaknummer 20/1091 Rechtsgebieden

Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – meervoudig Inhoudsindicatie

jaarafrekening voor de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) – meeverzekerde gezinsleden – Uit artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 volgt dat de wetgeving van het woonland bepaalt wie als gezinslid wordt aangemerkt Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 20/1091 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2020 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats] , eiser en

CAK, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

 

Daaruit:

Het geschil

  1. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat [naam 1] en [naam 2] als met eiser meeverzekerde gezinsleden moeten worden aangemerkt. Uit artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (de Verordening) volgt dat de wetgeving van het woonland van de kinderen – in dit geval Luxemburg – bepaalt wie als gezinslid wordt aangemerkt. Uit de formulieren S073 van 4 mei 2017 van de Luxemburgse Caisse Nationale de Santé (CNS) blijkt dat de CNS [naam 1] en [naam 2] als met eiser meeverzekerde gezinsleden heeft aangemerkt. Daaruit volgt dat zij recht hebben op medische zorg in Luxemburg ten laste van Nederland. Verweerder stelt dat eiser in verband hiermee op grond van artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering (de Regeling) bijdrageplichtig is.
  2. Eiser heeft aangevoerd dat zijn kinderen niet als gezinslid van hem kunnen worden aangemerkt. Zij zijn ouder dan 18 jaar en wonen al sinds 2007 in een gezinsvervangend tehuis. Zij maken dus sinds 2007 geen deel meer uit van zijn gezin en zijn daarom sindsdien ook niet meer aan te merken als gezinsleden van eiser. De kinderbijslag uit Nederland wordt sinds 2007 overgemaakt naar dat tehuis. Eiser beschikt over onvoldoende middelen om de premies voor zijn kinderen te betalen. Hij heeft dat tot nu toe wel altijd gedaan maar onder protest en dankzij de financiële hulp van zijn oudere in België woonachtige kinderen. Pas nu en nadat hij meerdere procedures heeft gevoerd, heeft eiser kennis gekregen van de S073-formulieren die dateren van 4 mei 2017. Verweerder had de actualiteit van die formulieren moeten toetsen.
    Eiser wijst op een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 26 maart 20191, waarin het Hof geoordeeld heeft dat uit de enkele erkenning van de betrokken vader dat zijn op 1 juni 2011 achttien jaar – dus volwassen – geworden zoon bij hem, de vader, op de polis heeft gestaan geen, al dan niet stilzwijgende, toestemming voor de bijschrijving kan worden afgeleid. Bovendien kan uit deze erkenning ook geen grondslag voor een betalingsverplichting aan de zijde van de vader voor de verzekeringspremies van zijn zoon worden afgeleid.
  3. Verweerder stelt dat hij zijn administratie alleen kan aanpassen als CNS schriftelijk verklaart dat de medeverzekering van de kinderen van eiser niet juist is. Inzake een eerder besluit van 7 mei 2019 heeft verweerder eiser de gelegenheid gegeven om contact op te nemen met de CNS en deze om een verklaring te vragen om deze kinderen niet meer aan te merken als medeverzekerden. Een dergelijke verklaring heeft verweerder niet van eiser of van CNS ontvangen.
  4. Tussen partijen is in geschil of verweerder op grond van artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met artikel 30 van de Verordening een bijdrage voor zijn volwassen, in Luxemburg wonende kinderen [naam 1] en [naam 2] heeft mogen opleggen aan eiser over het zorgjaar 2020, op de grond dat deze kinderen ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening gezinsleden zijn van eiser.

(……..)

Beoordeling

  1. De CNS heeft als het bevoegde orgaan van de woonplaats van de kinderen van eiser, [naam 1] en [naam 2] , op de twee formulieren S073 van 4 mei 2017 per 1 oktober 2016 als verdragsgerechtigde meeverzekerde gezinsleden ingeschreven. Gelet op artikel 1, aanhef en onder i, van de Verordening is daarmee bevestigd dat zij als gezinsleden van eiser vanaf 1 oktober 2016 in Luxemburg recht hadden op verstrekkingen volgens de Luxemburgse wetgeving ten laste van Nederland. Ter zitting is gebleken dat [naam 2] op zeker moment inderdaad ten laste van Nederland medische behandeling heeft ontvangen in Duitsland. Uit de S073 formulieren blijkt niet dat de medeverzekering van [naam 1] en [naam 2] op enig moment is beëindigd.
  2. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 29 mei 20202in rechtsoverweging 4.3.2 geoordeeld dat, zolang een door een orgaan van een lidstaat afgegeven verklaring niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard, het bevoegde orgaan van een andere lidstaat met dit formulier rekening moet houden. Vergelijk in die zin de uitspraak van de CRvB van 30 juni 20103.
  3. Aangezien de S073-formulieren niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard moest verweerder ervan uitgaan dat de twee kinderen van eiser nog steeds als verdragsgerechtigde meeverzekerde gezinsleden van eiser waren aangemerkt. Dat de kinderen al dertien jaar niet feitelijk meer deel uitmaken van eisers gezin, maakt dit niet anders.
  4. Eiser heeft ook geen stukken ingebracht waarmee is aangetoond dat Luxemburg is uitgegaan van onjuiste gegevens over de rechtspositie van de kinderen of dat zij een eigen recht hebben op zorg op grond van Luxemburgs recht. Er is dan ook geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de S073 formulieren. Voor verweerder bestond daarom geen aanleiding om de verzekeringsinstelling in Luxemburg te verzoeken een onderzoek te doen naar de juistheid van de stelling van eiser dat zijn kinderen niet meer met hem zijn meeverzekerd. Dat de kinderen ouder zijn dan 18 jaar is in dit verband niet relevant. Het arrest van het Hof van 26 maart 2019 heeft geen betrekking op het vaststellen van een buitenlandbijdrage. De verdragsrechtelijke regelgeving omtrent de verdeling van de verzekeringsplicht zoals neergelegd in de Verordening speelden in dit geval daarom geen rol.
  5. Gelet op het voorgaande zijn de kinderen voor het jaar 2020 terecht als gezinslid aangemerkt en heeft verweerder terecht een bijdrage opgelegd over het zorgjaar 2020.

1 Reactie

  1. Merk op dat in beginsel een formulier van ene andere lidstaat dat als nog geldig wordt gezien terzake van medeverdragsgerechtigdheid van gezinsleden bepalend is. De Rechtbank laat wel enige ruimte aan de eiser (de vader) om aan te tonen dat het formulier niet langer geldig zou zijn op grond van wettelijke redenen (bijv. Vo883/2004 in samenhang met Luxemburgse wetgeving waaruit zou voortvloeien dat de kinderen op zelfstandige titel verzekerd zijn), maar daar is geen informatie over aangedragen. De vraag is overigens of de kosten van medeverdragsgerechtigdheid niet lager zijn dan verzekering op eigen titel, maar dat staat in een dergelijke familiesituatie voor de vader niet voorop.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.