Vertrouwensbeginsel en alimentatieaftrek

jul 16, 2021

ECLI:NL:RBZWB:2021:3022

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum uitspraak 18-06-2021 Datum publicatie 12-07-2021 Zaaknummer AWB – 20 _ 6612 Rechtsgebieden

Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie

deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 12-7-2021

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6612 uitspraak van 18 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ( [land] ),

En de inspecteur van de Belastingdienst,

Daaruit:

Aftrek voor pensioen dat toekomt aan ex-partner?

2.11. Niet in geschil is dat Nationale Nederlanden betalingen aan de ex-partner van belanghebbende heeft verricht, welke in mindering zijn gebracht op de netto pensioenuitkeringen van belanghebbende. In geschil is echter hoe deze betalingen fiscaal rechtelijk dienen te worden gekwalificeerd.

2.12. Belanghebbende voert aan dat niet het volledige bedrag aan pensioenuitkering van Nationale Nederlanden (hierna: de pensioenuitkering) bij hem in de belastingheffing dient te worden betrokken, omdat een bedrag van € 5.106,42 rechtstreeks toekomt aan zijn ex-partner. Volgens belanghebbende heeft zijn ex-partner naar aanleiding van de echtscheiding – gelet op het Boon/Van Loon arrest4 – een zelfstandig vermogensrecht ten aanzien van het destijds opgebouwde pensioen van belanghebbende. Volgens belanghebbende dient dit bedrag aldus in mindering te worden gebracht op zijn pensioenuitkeringen en daarmee op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning.

De inspecteur stelt dat de betaling aan de ex-partner niet in aftrek gebracht kan worden van het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende, omdat de betaling kwalificeert als alimentatie. Aangezien belanghebbende geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige is, is er volgens de inspecteur geen mogelijkheid om de betaalde alimentatie in aftrek te brengen.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat uit de door belanghebbende overgelegde ‘Boon/Van Loon-brief’ van Nationale Nederlanden niet volgt dat het door Nationale Nederlanden aan de ex-partner uitbetaalde deel van het pensioen niet tot het belastbaar loon als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 van belanghebbende behoorde. Uit deze brief volgt namelijk niet dat op dat moment de ex-partner een zelfstandig vermogensrecht jegens Nationale Nederlanden heeft verkregen ten koste van de door belanghebbende opgebouwde pensioenrechten. In de betreffende brief is enkel de waarde van het aan de ex-partner toekomende deel van de opgebouwde pensioenrechten en het daarbij behorende uitgestelde ouderdomspensioen berekend. Dit is evenwel niets meer of minder dan hetgeen belanghebbende vanaf de datum van pensionering aan zijn ex-partner is verschuldigd, uit hoofde van pensioenverrekening op grond van het Boon/Van Loon arrest. Dat Nationale Nederlanden het betreffende bedrag rechtstreeks aan de ex-partner uitbetaalt maakt dit oordeel niet anders. In de door belanghebbende – bij zijn brief van 29 september 2020 – overgelegde e-mail van Nationale Nederlanden van 17 september 2020 wordt immers bevestigd dat Nationale Nederlanden conform afspraak met belanghebbende maandelijks een bedrag van belanghebbendes netto-uitkering aan de ex-partner overmaakt.5 Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende het gehele bedrag heeft genoten als pensioen, inclusief de aan de ex-partner betaalde bedragen. Aldus heeft de inspecteur het bedrag van € 5.106,42 terecht tot het belastbaar inkomen van belanghebbende gerekend.

2.14. Het bedrag van € 5.106,42 kan evenmin op grond van artikel 7.8, eerste lid, onderdeel b Wet IB 2001 – uitgaven van onderhoudsverplichtingen6 – als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen nu belanghebbende niet kan worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige.7 Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

Vertrouwensbeginsel

2.15. Onder overlegging van een uitspraak op bezwaar met betrekking tot zijn aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 stelt belanghebbende dat de aftrek voor het pensioen dat toekomt aan zijn ex-partner eerder expliciet is besproken en dat de inspecteur het in dat jaar aan de ex-partner betaalde bedrag in aftrek heeft toegelaten. Gelet hierop stelt hij dat de aftrek ook moet worden toegestaan voor latere jaren.

2.16. De rechtbank vat deze stelling op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient, bij de beoordeling van de vraag of sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen, te worden onderzocht en vastgesteld of de door een belanghebbende aangevoerde omstandigheden bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling dan wel een toezegging van de inspecteur.

2.17. In de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV voor jaar 2014 staat vermeld: ‘Ik zal rekening houden met het bedrag ad € 7.831 dat volgens u aan mevr. [X] toekomt.’ De rechtbank is van oordeel dat deze uitspraak op bezwaar bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling. Dit brengt mee dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen dat het bedrag van de pensioenuitkering dat toekomt aan de ex-partner van belanghebbende, in mindering gebracht kan worden op het inkomen uit werk en woning van belanghebbende. De inspecteur is aan deze standpuntbepaling gebonden, totdat deze wordt opgezegd.

2.18. De inspecteur heeft gesteld dat, indien sprake zou zijn van opgewekt vertrouwen als gevolg van de uitspraak op bezwaar ten aanzien van het jaar 2014, dit vertrouwen niet meer aanwezig was in de jaren erna, omdat voor de jaren 2015 en 2016 de aanslag op geheel andere wijze is vastgesteld. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Door het enkel opleggen van nihilaanslagen voor de jaren 2015 en 2016 zonder enige toelichting, hoefde het voor belanghebbende niet zonder meer duidelijk te zijn dat het door de inspecteur ingenomen standpunt ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2014 niet meer zou gelden voor latere jaren.

2.19. De inspecteur heeft in het verweerschrift tevens geschreven dat indien er sprake zou zijn van opgewekt vertrouwen, hij dat gewekt vertrouwen per heden (dagtekening 26 augustus 2020) opzegt. Aangezien in rechte te beschermen vertrouwen niet met terugwerkende kracht opgezegd kan worden8, dient het bedrag van € 5.106,42 in het onderhavige jaar in aftrek te worden toegelaten.

2.20. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De verminderingsbeschikking dient derhalve vastgesteld te worden tot een beschikking berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.551 (€ 134.657 verminderd met € 5.106,42).

2 Reacties

  1. Mooi dat klager in het gelijk wordt gesteld, maar slechts tot augustus 2020.
    Vanaf dan is de situatie waarschijnlijk: verplicht (op grond van scheidingsconvenant of rechterlijk besluit) alimentatie betalen, niet fiscaal aftrekbaar, terwijl de alimentatie-ontvanger er ook belasting over moet betalen.
    Dat is dubbele heffing door de nederlandse belastingdienst.
    En dat terwijl (dit veronderstel ik) op grond van een belastingverdrag ’ter voorkoming van dubbele heffing’ het volledige box-1 inkomen door Nederland belast wordt èn de alimentatie niet in het woonland kan worden afgetrokken wegens daar geldende regels.
    Ik denk dat klager het vertrouwen in de Belastingdienst nu ook definitief heeft opgezegd.

    Antwoord
  2. Het vertrouwensbeginsel geeft hier “redding” en uitkomst. Op grond van de voorliggende feiten.

    Bij mij is het helaas (nog steeds) anders. Ik heb met mijn (niet-gehuwde) partner ooit een vinkje gezet bij het ABP bij: pensioen verevenen. D.w.z. delen wat is opgebouwd in de samenwoon-periode. Maar bij uitkering keerde het ABP alles aan mij uit, en moest ik dat wettelijk en contractueel doorstorten naar mijn partner. Het werd bij mij belast, en bij mijn partner. Dan zou daar dus een aftrek (bij mij) of een vrijstelling (bij mijn ex-partner) tegenover hebben moeten staan. Maar niet dus. Dubbele heffing over hetzelfde inkomensbstanddeel (stuk pensioen) in Nederland. Zou gewoon niet moeten kunnen.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.