CRvB over verder terugwerkende kracht van AOW-aanvraag

nov 19, 2019

ECLI:NL:CRVB:2019:3606

Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 14-11-2019 Datum publicatie 18-11-2019 Zaaknummer 18-3988 AOW Rechtsgebieden

Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Geen toekenning van AOW-pensioen en partnertoeslag met verdergaande terugwerkende kracht. Geen bijzonder geval. Vindplaatsen Rechtspraak.nl

18 3988 AOW Datum uitspraak: 14 november 2019

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 juni 2018, 17/6987 (aangevallen uitspraak)

Daaruit:

  1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of sprake is van een bijzonder geval waarin het pensioen met verdergaande terugwerkende kracht dan 1 februari 2013 kan worden toegekend.

4.2.

Van een bijzonder geval – verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van
28 mei 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4599 – kan sprake zijn als de onbekendheid van een belanghebbende met haar mogelijke recht op pensioen verschoonbaar is. Hoofdregel is dat de onbekendheid met de wet of een internationale regeling niet zonder meer leidt tot het aannemen van een bijzonder geval, waarbij als uitgangspunt geldt dat het vermoedelijke recht op AOW-pensioen bij het bereiken van de (toen) 65-jarige leeftijd van algemene bekendheid is. Een uitzondering daarop wordt aangenomen als blijkt van een bijkomende omstandigheid op grond waarvan betrokkene niet op de hoogte kon zijn van haar wettelijke rechten.

4.3.

De conclusie van de Svb dat geen sprake is van een bijzonder geval wordt gevolgd. De omstandigheden dat appellante analfabete is en dat niet eerder (spontaan) een aanvraagformulier is toegezonden zijn daarvoor onvoldoende. Appellante moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van het mogelijke recht op pensioen en partnertoeslag. Op basis van wat appellante heeft aangevoerd is niet aannemelijk dat zij, al dan niet met hulp van anderen, de aanvraag om pensioen niet eerder heeft kunnen indienen dan in februari 2014. Met name de echtgenoot van appellante had haar behulpzaam kunnen zijn. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, mag onder langdurig in Nederland verblijvende, uit het buitenland afkomstige werknemers van algemene bekendheid worden verondersteld dat op grond van hun AOW-verzekering een eigen recht op AOW-pensioen ontstaat voor hun in het land van herkomst achtergebleven echtgenotes. Bij eventuele twijfel ligt het op de weg van de werknemer zich te laten informeren en het ertoe te leiden dat de huwelijkspartner bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een aanvraag om ouderdomspensioen indient teneinde eventuele aan de verzekering van de werknemer te ontlenen aanspraken veilig te stellen. Het achterwege blijven van een dergelijke aanvraag ligt in beginsel in de risicosfeer van de pensioengerechtigde en zal, behoudens bijzondere omstandigheden in de individuele situatie, geen bijzonder geval opleveren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW (zie de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3533).

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.