Duur van de navorderingstermijn bij Nederlandse erfbelasting

jul 30, 2018

zie daartoe:

ECLI:NL:RBZWB:2018:3107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-05-2018, AWB – 16 _ 9024

Datum uitspraak: 18-05-2018 Datum publicatie: 27-07-2018 Rechtsgebieden:

Belastingrecht Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – meervoudig Vindplaatsen: Rechtspraak.nl Inhoudsindicatie:

Onbeperkte navorderingstermijn erfbelasting/successierecht. Uitleg nationaal recht; strijd met unierecht? Omdat artikel 66, derde lid, van de SW op 1 januari 2012 in werking is getreden zonder dat daarbij in overgangsrecht is voorzien, is dit artikel naar het oordeel van de rechtbank ook van toepassing op gevallen zoals hier waarin de (oude) navorderingstermijn nog niet verstreken was. Met betrekking tot het beroep op het unierecht overweegt de rechtbank dat het arrest Passenheim niet zonder meer maatgevend is voor de beoordeling of het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de ‘onbeperkte navorderingstermijn’ verenigbaar is met het unierecht. Daarbij is van belang dat bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel relevant is of de vereisten van rechtszekerheid worden geëerbiedigd, en dat een vervaltermijn de rechtszekerheid dient. Het gaat hier echter om een overgangssituatie: ten tijde van de belastbare feiten (overlijdens in 2000 en 2002) was de oude navorderingstermijn van twaalf jaar nog van toepassing, maar uiteindelijk wordt nagevorderd op basis van de nieuwe ‘onbeperkte navorderingstermijn’. Uit het arrest Passenheim volgt dat navordering met toepassing van de twaalfjaarstermijn niet onverenigbaar is met de verkeersvrijheden, mits aan de voortvarendheidseis werd voldaan. Die eis speelt hier geen rol. De verlening van de navorderingstermijn in gevallen zoals belanghebbende waarbij de navorderingstermijn nog niet geëindigd was op het moment van de verlenging, is niet in strijd met het unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. De vraag of in belanghebbendes geval het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden doordat bij haar is nagevorderd met toepassing van de onbeperkte navorderingstermijn beantwoordt de rechtbank ontkennend op basis van een toets in concreto. Er is evenmin sprake van schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM.

3 Reacties

  1. De Fiscus haalt het geld waar het zit. Dit is echt schandalig. Zelfs moord verjaart.

    Antwoord
  2. Papieren aangifte erfbelasting 2019 nog mogelijk
    Omdat benodigde commerciële software iets later dan verwacht beschikbaar is, mag de aangifte erfbelasting 2019 van klant(en) overleden vóór 1 oktober 2019 met behulp van een print van softwareontwikkelaars ingediend worden.

    Zodra de nieuwe software beschikbaar is, is het indienen van een print niet meer toegestaan voor overledenen vanaf 1 oktober 2019. Vanaf dat moment kan dit alleen via commerciële software aangiftes erfbelasting 2019 digitaal bij de Belastingdienst ingediend worden.
    Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners

    Zie: http://www.taxence.nl/fiscaal-nieuws/nieuws/fiscaal-nieuws/papieren-aangifte-erfbelasting-2019-nog-mogelijk.171625.lynkx

    Antwoord
  3. ECLI:NL:HR:2020:1600
    Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 09-10-2020 Datum publicatie 09-10-2020 Zaaknummer 19/05408 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:657 In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:9676 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Cassatie Inhoudsindicatie
    Artikel 16, lid 4, AWR jo artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956, artikel 63 en 64 VWEU. Toepassing twaalfjaarstermijn beperking van het vrije kapitaalverkeer. Vindplaatsen Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2020/2391 FutD 2020-2916 Viditax (FutD), 09-10-2020 V-N 2020/52.18 met annotatie van Redactie
    HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/05408 Datum 9 oktober 2020
    ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
    Tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
    op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2019, nr. 18/00956, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (AWB 17/182), betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1998 opgelegde navorderingsaanslag in het recht van schenking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

    Daaruit:
    2.3.1 Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de termijnbepaling van artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956 valt onder de zogenoemde standstillbepaling van artikel 64 VWEU. Het middel betoogt dat de schenking niet valt onder het begrip ‘financiële diensten’ als bedoeld in artikel 64 VWEU en dat daarom de standstillbepaling niet van toepassing is.
    2.3.2 De zogenoemde standstillbepaling van artikel 64 VWEU strekt ertoe – voor zover hier van belang – dat het verbod op beperkingen van kapitaalverkeer tussen lidstaten en derde landen niet van toepassing is indien het bepaalde, in artikel 64 VWEU gedefinieerde beperkingen betreft die reeds op 31 december 1993 bestonden uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Unie. De vraag of die standstillbepaling in dit geval van toepassing is op de heffing van recht van schenking hoeft daarom alleen te worden beantwoord indien die heffing een door artikel 63 VWEU verboden beperking vormt van het vrij verkeer van kapitaal.
    2.3.3 Het Hof van Justitie heeft met betrekking tot de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR ter zake van de heffing van inkomsten- en vermogensbelasting onder meer voor recht verklaard dat artikel 56 EG (thans 63 VWEU) zich niet ertegen verzet dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden.1 In de daarop volgende arresten van 26 februari 20102 heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat wanneer die aanwijzingen er wel zijn en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag wordt opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije kapitaalverkeer moet worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.
    2.3.4 Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat het voorgaande ook heeft te gelden voor de toepassing van de twaalfjaarstermijn van artikel 16, lid 4, AWR bij de navordering van recht van schenking. Dit is niet anders als de aanvang van die termijn op grond van artikel 66, lid 1, aanhef en onder 2, SW 1956 is gelegen op de dag van inschrijving van de akte van overlijden van de schenker of de begiftigde in de registers van de burgerlijke stand. Dit aanvangstijdstip geldt immers gelijkelijk in binnenlandse en grensoverschrijdende situaties. Hieruit volgt dat zich alleen dan een door artikel 63 VWEU verboden belemmering van het vrije verkeer kan hebben voorgedaan, als de onderhavige navorderingsaanslag niet is opgelegd met inachtneming van het hiervoor in 2.3.3, slotzin, bedoelde tijdsverloop. De vraag of die navorderingsaanslag is opgelegd met inachtneming van dat tijdsverloop is echter niet aan de orde gesteld. Er moet daarom van worden uitgegaan dat het opleggen van de navorderingsaanslag niet een belemmering als hiervoor bedoeld oplevert. De door het middel opgeworpen vraag naar de toepasselijkheid van de standstillbepaling van artikel 64 VWEU is daarom van geen belang voor de beslissing in deze zaak. Het midel faalt.
    2.3.5 Hetgeen in 2.3.4 is overwogen brengt tevens mee dat er geen aanleiding is om over de toepassing van de zogenoemde standstillbepaling prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het tweede middel, dat betoogt dat het Hof dat wel had moeten doen, kan reeds daarom evenmin tot cassatie leiden.
    2.3.6 Het beroep in cassatie moet ongegrond worden verklaard.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.