Toets op samenwonen in Hongarije

mrt 21, 2019

ECLI:NL:CRVB:2019:919

Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 19-03-2019 Datum publicatie 21-03-2019 Zaaknummer 17/4939 ANW Rechtsgebieden

Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Herziening ANW-uitkering. Er moet worden uitgegaan van de juistheid van de door appellant op 13 oktober 2014 afgelegde verklaring en dat deze verklaring voldoende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie dat vanaf 1 juli 1996 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en zijn huidige echtgenote in Hongarije.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl 17 4939 ANW

Datum uitspraak: 19 maart 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 mei 2017, 15/7880 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Hongarije (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf januari 1994 wegens het overlijden van zijn toenmalige echtgenote een uitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Met ingang van 1 juli 1996 is deze uitkering verstrekt op grond van de

Algemene nabestaandenwet (ANW). De uitkering is verstrekt tot en met februari 2009. Vanaf 1 maart 2009 ontvangt appellant een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Op 29 juni 2009 is appellant hertrouwd. Appellant is woonachtig in Hongarije.

1.3. In het kader van een steekproef AOW toeslag heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Daartoe hebben twee rapporteurs van het Controle Team Buitenland op 13 oktober 2014 een bezoek gebracht aan appellant en zijn echtgenote op hun adres in Hongarije. Tijdens dit bezoek is appellant gehoord. Appellant heeft daarbij onder meer verklaard dat hij in 1996 weer is vertrokken naar Hongarije, dat hij daar zijn huidige echtgenote heeft leren kennen en dat hij vanaf 1996 met haar heeft samengewoond. In 1998 en 2002 zijn uit de relatie twee kinderen geboren. Verder heeft appellant verklaard dat het jongste kind uit zijn eerdere huwelijk in 1996 bij hem in Hongarije is gaan wonen en daar is opgegroeid. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportageformulier van 13 oktober 2014.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2015, zoals gewijzigd bij besluit van 14 december 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb de ANW-uitkering van appellant over de periode van

januari 1998 tot en met februari 2009 herzien tot 30% van het bruto minimumloon. De Svb heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 juli 1996 in Hongarije een gezamenlijke huishouding voert met zijn huidige echtgenote.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de door appellant op 13 oktober 2014 afgelegde verklaring en dat deze verklaring voldoende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie dat vanaf

1 juli 1996 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en zijn huidige echtgenote in Hongarije.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij bij het onverwachte bezoek van de twee medewerkers van de Svb onder druk verkeerde verklaringen heeft afgelegd en dat hij vanaf 2009 is gaan samenwonen met zijn huidige echtgenote.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil in hoger beroep ziet uitsluitend nog op de vraag of appellant kan worden gehouden aan zijn op 13 oktober 2014 afgelegde verklaring.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat volgens vaste rechtspraak in het algemeen van de juistheid van een afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis heeft. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd en hiervan blijkt ook overigens niet uit de gedingstukken. Appellant heeft zijn verklaring na lezing zelf ondertekend. Appellant kan dan ook worden gehouden aan de door hem op 13 oktober 2014 afgelegde verklaring.

4.3. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2 Reacties

  1. Welke lering kan hieruit worden getrokken .. ?? Onderteken in het buitenland nooit iets dat je vanuit een NL official wordt voorgelegd?

    Antwoord
  2. De lering is dat je niet op eerdere ondertekende vaststelling zo maar kunt terugkomen. Of weigering een formulier te ondertekenen je veel zou baten betwijfel ik. Aan het onderzoek van de SVB zou dan ook waarde gehecht zijn, en betrokkene zou in elk geval veel uit te leggen hebben aan de rechter. Kennelijk heeft hij dat in dit geval ook niet kunnen doen anders zou dat wel vermeld zijn in de uitspraak.

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.