Pro rata aftrek belasting bij inkomsten uit meer bronstaten

dec 16, 2019

Het verwachte Beleidsbesluit n.a.v. het EHvJ arrest X is er. Uit de Staatscourant van 13 december 2019 citeer ik de belangrijkste delen

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-66192.pdf

Inkomstenbelasting. Buitenlandse belastingplichtigen; Pro-rata-aftrek persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als niet is voldaan aan de 90%-eis

Directoraat-generaal Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen Besluit van 3 december 2019, nr. 2019-184103

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

1.2 Achtergrond

Uit het arrest HvJ EU volgt dat de wijze waarop Nederland bij de belastingheffing rekening houdt met de persoonlijke en gezinssituatie van buitenlandse belastingplichtigen onder bepaalde omstandigheden niet in overeenstemming is met het EU-recht.

De belanghebbende in die zaak had over het jaar 2007 in zijn woonstaat Spanje geen belastbaar inkomen, terwijl hij in zijn werkstaten Nederland en Zwitserland respectievelijk 60 procent en 40 procent van zijn totale inkomen verwierf. Hij had verder – naar Nederlandse fiscale maatstaven bezien – negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning1 in Spanje. Nederland is volgens het HvJ EU in die situatie op grond van het EU-recht verplicht om voor de negatieve belastbare inkomsten aftrek te verlenen naar de verhouding van het Nederlandse inkomen tot het totale inkomen.

De zaak is door de Hoge Raad voor verdere behandeling verwezen2 naar Gerechtshof Den Haag3. In een onderschrift4 bij de uitspraak van het Gerechtshof heb ik mijn overwegingen uiteengezet om niet tegen die uitspraak in cassatie te gaan. Wel heb ik in dat onderschrift aangegeven dat ik me op onderdelen niet kan verenigen met de oordelen van het Gerechtshof en heb ik hierover een beleidsbesluit aangekondigd.

In dit beleidsbesluit wordt, vooruitlopend op wijziging van de Wet IB 2001, nader uitgewerkt op welke wijze de Belastingdienst uitvoering zal geven aan het arrest van het HvJ EU. Uitgangspunt hierbij is een belastingheffing van betrokken belastingplichtigen die in overeenstemming is met het EU-recht zonder dat deze hierbij in een betere positie worden gebracht dan binnenlandse belastingplichtigen en andere buitenlandse belastingplichtigen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Stap 1:

Een buitenlandse belastingplichtige komt op basis hiervan voor toepassing van dit besluit in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet: 1. De buitenlandse belastingplichtige is als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES eilanden (de landenkring) in de belastingheffing van die andere lidstaat of staat, of de BES eilanden betrokken; 2. Het naar Nederlandse maatstaven bepaalde (wereld)inkomen van de belastingplichtige is geheel of nagenoeg geheel in twee of meer andere staten (waaronder Nederland) dan de woonstaat aan een loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen. 3. Het naar Nederlandse maatstaven bepaalde (wereld)inkomen van belastingplichtige is niet geheel of nagenoeg geheel in een andere bronstaat (dan Nederland) aan een loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen.

Verder geldt als voorwaarde dat de belastingplichtige een inkomensverklaring van de belastingautoriteit van de woonstaat verstrekt.7

Stap 2:

Als een buitenlandse belastingplichtige onder de reikwijdte van het arrest HvJ EU valt (stap 1, toegang), wordt met inachtneming van dat arrest bij de bepaling van de in Nederland verschuldigde belasting pro rata rekening gehouden met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Hierbij bestaat recht op aftrek naar de mate waarin het in Nederland te belasten inkomen deel uitmaakt van het wereldinkomen9. Het gaat hierbij om de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de persoonsgebonden aftrek en het belastingdeel van de heffingskortingen.

Als een buitenlandse belastingplichtige net als een inwoner van Nederland recht heeft op persoonsgebonden aftrekposten en tegemoetkomingen, is het Nederlandse inkomen ook, net als bij een inwoner, belast naar het tarief passend bij het wereldinkomen (progressievoorbehoud). In lijn hiermee wordt de hoogte van het voordeel uit sparen en beleggen voor de buitenlandse belastingplichtige, bepaald op een forfaitair rendement passend bij de (wereldwijde) grondslag sparen en beleggen. Aldus wordt voorkomen dat een buitenlandse belastingplichtige in dit opzicht in een betere positie wordt gebracht dan een vergelijkbare binnenlandse belastingplichtige.

  1. Pro-rata-aftrek (Stap 2.a, bepalen belastbaar inkomen per box)

Het voorgaande komt erop neer dat eerst per box de pro-rata-aftrek van de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen wordt berekend. Voor het bepalen van de pro-rata-aftrek wordt het in Nederland te belasten inkomen van de betreffende box gerelateerd aan het wereldinkomen van die box. Hierbij worden de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen uit teller en noemer geëlimineerd.

Voor de breuk van het inkomen uit werk en woning (box 1) zijn teller en noemer dan als volgt:

Teller = het inkomen uit werk en woning in Nederland ingevolge artikel 7.2, tweede lid, Wet IB 2001 voor zover dat aan Nederland ter heffing is toegewezen.

Noemer = het inkomen uit werk en woning, zoals bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, Wet IB 2001, verminderd met de daarin begrepen negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning in de woonstaat, en vermeerderd met de daarin begrepen uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek.

De breuken voor het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) worden op overeenkomstige wijze vastgesteld op basis van respectievelijk de artikelen 7.5 en 4.1 Wet IB 2001 en de artikelen 7.7 en 5.1 Wet IB 2001.

De persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen worden niet (pro rata) in aanmerking genomen bij de bepaling van de verschuldigde Nederlandse belasting voor zover deze bij de belastingheffing van de belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. De aftrekposten en tegemoetkomingen blijven daarnaast buiten aanmerking voor zover een andere (bron)staat een grotere aftrek verleent dan waartoe deze staat is gehouden op grond van het EU-recht. De door Nederland te verlenen pro-rata-aftrek wordt dan verminderd voor zover de andere (bron)staat een grotere aftrek heeft verleend.

  1. Toepassen progressievoorbehoud (stap 2.b, tariefstoepassing)

Voor het progressievoorbehoud moet het tarief passend bij het wereldinkomen, voor box 1 het belastbare inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 3.1 Wet IB 2001, worden vastgesteld. Dit gebeurt door de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn over het wereldinkomen te delen door het wereldinkomen en de daaruit resulterende breuk te vermenigvuldigen met het in Nederland te belasten inkomen.

  1. Vermindering met heffingskortingen (stap 2.c, heffingskortingen)

De aldus berekende Nederlandse inkomstenbelasting wordt vervolgens verminderd met het belastingdeel van de heffingskortingen waarvoor de buitenlandse belastingplichtige, gezien zijn individuele situatie, in aanmerking komt. Waar de omvang van de heffingskorting afhankelijk is van het inkomen, wordt hierbij – net als bij de bepaling van eventuele aftrekposten – uitgegaan van het wereldinkomen10.

De belastingdelen van de heffingskortingen worden eveneens pro rata in aanmerking genomen. Hierbij moet het bedrag, wanneer in meerdere boxen belasting verschuldigd is, eerst worden toegedeeld aan de inkomstenbelasting die in de diverse boxen is verschuldigd. Het belastingdeel van de heffingskortingen wordt hierbij naar evenredigheid verdeeld over de, zonder heffingskortingen, berekende belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Vervolgens wordt het belastingdeel van de heffingskortingen pro rata – per box afzonderlijk – in aanmerking genomen. Voor de pro-rata-berekening wordt aangesloten bij de hiervoor onder a genoemde teller en noemer.

  1. Toepassing arrest HvJ EU bij buitenlandse belastingplichtige; situatie vóór 2015

Tot en met 2014 was de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen van toepassing (artikel 2.5 Wet IB 2001). Op grond van die keuzeregeling kwam de buitenlandse belastingplichtige in aanmerking voor pro-rata-aftrek van de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de persoonsgebonden aftrek en voor het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting als het inkomen van de buitenlandse belastingplichtige niet geheel of nagenoeg geheel (90%) in Nederland aan de inkomstenbelasting of loonbelasting was onderworpen.

Pro rata rekening houden met de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning was echter niet mogelijk, omdat deze negatieve niet-Nederlandse inkomsten werden gesaldeerd met de positieve niet-Nederlandse inkomsten. Voor buitenlandse belastingplichtigen die voldoen aan de 90%-eis heb ik in 2013 goedgekeurd11 dat zij rekening mogen houden met (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning.

Voor diegenen die niet voldoen aan de 90%-eis, maar voor wie op grond van het arrest HvJ EU, pro rata rekening moet worden gehouden met de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning geldt het volgende.

Buitenlandse belastingplichtigen die aan de eerste en tweede voorwaarde van onderdeel 2.1 van dit besluit voldoen, mogen de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking nemen in de mate waarin de in Nederland te belasten inkomsten deel uitmaken van het wereldinkomen. Voor de pro-rata-berekening van de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning wordt aangesloten bij de wijze waarop met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek rekening werd gehouden (artikel 2.5 Wet IB 2001 en de bepalingen in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001).

  1. Verzoek om toepassing van dit besluit

De aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voorziet vooralsnog niet in de mogelijkheid om als niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtige te verzoeken om pro rata rekening te houden met persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen. Belastingplichtigen die een beroep willen doen op de toepassing van dit besluit kunnen onder verwijzing naar dit beleidsbesluit een verzoek, of – in het geval dat de belastingaanslag al is vastgesteld – een bezwaarschift of verzoek om ambtshalve vermindering, indienen bij de Belastingdienst/kantoor buitenland. Als betrokkene onder de bevoegdheid van een ander (GO- of MKB-)kantoor valt, dan kan hij bij dat kantoor een verzoek- of bezwaarschrift indienen.

De bewijslast over de hoogte van het inkomen, ook voor zover afkomstig uit andere staten, en de mate waarin in de woonstaat of een andere staat aftrekposten in aanmerking zijn genomen, rust zoals gebruikelijk op de belastingplichtige.

In dit besluit is een regeling opgenomen voor de meest voorkomende situaties. Dit sluit echter niet uit dat er in specifieke individuele situaties discussie kan bestaan over de in dit besluit onder stap 2 opgenomen berekeningswijze. Belanghebbenden die van mening zijn dat dit in hun situatie aan de orde is, kunnen dit in hun verzoek gemotiveerd voorleggen aan de inspecteur van de Belastingdienst.

23 Reacties

  1. Onder 2.1. staat vermeld:
    “ Inkomen waarover Nederland op grond van het belastingverdrag maar een beperkt (bron)heffingsrecht heeft, wordt aangemerkt als niet in Nederland belast inkomen.”
    Deze bepaling is echter in strijd met de volgende uitspraak (elders op deze site gepubliceerd): Inkomsten met beperkt Ned. heffingsrecht tellen mee voor KBB-regeling, 29 november 2019
    ECLI:NL:GHSHE:2019:3836.
    Daarin legt het Hof art. 7.8 lid 6 WetIB2001 zodanig uit dat dergelijke inkomsten wel tot door Nederland belast inkomen wordt gerekend. Niet valt in te zien dat voor deze beperkte groep KBB’ers met inkomsten uit meer dan één bronstaat van die uitleg zou mogen worden afgeweken. Het is natuurlijk mogelijk dat de staatssecretaris cassatie aantekent tegen deze Hof Den Bosch uitspraak (of de wet wijzigt).

    Antwoord
  2. In artikel 7.8 lid 4 WetIb2001 staat:
    “De belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek blijven buiten aanmerking voor zover deze bij de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, bij de belastingheffing in de woonstaat of op de BES eilanden in aanmerking kunnen worden genomen.”
    Onder 2.2.a in dit Beleidsbesluit staat echter:
    “De persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen worden niet (pro rata) in aanmerking genomen bij de bepaling van de verschuldigde Nederlandse belasting voor zover deze bij de belastingheffing van de belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. De aftrekposten en tegemoetkomingen blijven daarnaast buiten aanmerking voor zover een andere (bron)staat een grotere aftrek verleent dan waartoe deze staat is gehouden op grond van het EU-recht. De door Nederland te verlenen pro-rata-aftrek wordt dan verminderd voor zover de andere (bron)staat een grotere aftrek heeft verleend.”

    Het principiële verschil tussen beide teksten is dat in de pro rata regeling ook een deel van de tegemoetkomingen is opgenomen en in artikellid 4 van 7.8 niet. Dit lijkt een niet te rechtvaardigen onevenwichtigheid. Het opnemen van tegemoetkomingen opent ook een complexe problematiek omdat onduidelijk is wat een met de Nederlandse heffingskortingen vergelijkbare tegemoetkoming in andere belastingsystemen is: een belastingvrije som bijv. niet, zo dunkt mij. En is ook de bepaling van de wet Hillen een tegemoetkoming in de zin van de pro-rata regeling?

    Antwoord
    • Bij nader inzien is nog de vraag of de heffingskortingen te vatten zijn onder het begrip “tegemoetkomingen”. Waarschijnlijk niet, want die komen pas in een latere stap (2.2.c.) aan de orde. Daarom is er reden om aan te nemen dat met de persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen in 2.2.a. hetzelfde bedoeld wordt als de meer specifieke omschrijving van art. 7.8. lid 4. Het weglaten van de BES-eilanden in de zin van 2.2.a. lijkt inderdaad gerechtvaardigd: in art. 7.8 lid 4 is dat overbodig. Blijft nog wel de vraag hoe de zinsnede ” voor zover deze (…) , in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen” in concrete gevallen precies moet worden toegepast.

      Antwoord
  3. Dag Jan, ik heb 14 november jl. een rechtszitting gehad ein Eindhoven voor de belastingrechter, ook over de 90% regel.
    De belastingdienst, vertegenwoordigd door 7 juristen!, haalde aan dat de staatssecretaris niet de 90% regel zou laten vallen.
    Dit is nu dus wel gebeurd?
    het ging mij vooral om de aftrekposten, bijv. ziektekosten die in Frankrijk niet, en in Nederland wél aftrekbaar zijn.

    Antwoord
    • Deze pro rata aftrek regeling geldt alleen als er naast Nederland nog mintens één andere bronstaat (niet per se een EU/EER staat overigens) is en als de woonstaat onvoldoende aan fiscale voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie kan toekennen. De 90% regeling is dus niet vervallen in de situatie dat er slechts inkomen uit de woonstaat en Nederland als bronstaat is.

      Antwoord
  4. Dit staat ook in de pro rata regeling:
    ” b. Toepassen progressievoorbehoud (stap 2.b, tariefstoepassing)
    Voor het progressievoorbehoud moet het tarief passend bij het wereldinkomen, voor box 1 het belastbare inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 3.1 Wet IB 2001, worden vastgesteld. Dit gebeurt door de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn over het wereldinkomen te delen door het wereldinkomen en de daaruit resulterende breuk te vermenigvuldigen met het in Nederland te belasten inkomen.
    Het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen op basis van een rendement passend bij de wereldwijde grondslag sparen en beleggen gebeurt door het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001, te delen door de in dat lid genoemde grondslag sparen en beleggen en de daaruit resulterende breuk te vermenigvuldigen met de grondslag sparen en beleggen in Nederland.
    De tarieven voor de boxen 2 en 3 zijn van toepassing (artikel 2.12 en 2.13 Wet IB 2001).”

    Merk op dat artikel 7.8, de algemene KBB regeling dus, geen bepaling over progressievoorbehoud kent. Mogelijk kan deze inconsistentie al aangevoerd worden tegen deze bepaling over progressievoorbehoud. Anders zal moeten worden gekeken naar EHvJ jurisprudentie op dit gebied.

    Antwoord
    • Stap 2b houdt volgens mij een keuze voor een voorkomingsmethode in (de vrijstellingsmethode). Mijns inziens wordt echter de voorkomingsmethode voorgeschreven in het belastingverdrag en gaat die dus voor op de tariefstoepassing volgens 2.b . Dat kan ook de verrekeningsmethode zijn. Soms verschilt dat per inkomensonderdeel.
      In dat laatste geval zou verdeling van de aftrekposten over die inkomensonderdelen (primair in box 1) nodig zijn.

      Antwoord
  5. ik neem net contact op met de belastingdienst, desbetreffende afdeling, en zij weten van niets en gaan ook niets doen. Het is toch ongelooflijk

    Antwoord
  6. Jan,
    Dit is geen makkelijke kost. We hadden altijd al het idee dat de NL fiscale overheid zo weinig mogelijk ruimte wil toestaan aan Nederlanders die buiten Nederland (gaan) wonen. Al eerder leek het er op dat men op minimale wijze gehoor wilde geven aan EU (unierechtelijke) verplichtingen. En dat sommige regels liever (te) beperkt dan (te) ruim werden uitgelegd. Ik ben daar zelf in het kader van de zgn. KBB-regeling ook tegenaan gelopen, en procedeer er nu over in Nederland.
    Wat gebeurt er nu in dit beleidsbesluit? Ik lees:
    “De persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen worden niet (pro rata) in aanmerking genomen bij de bepaling van de verschuldigde Nederlandse belasting voor zover deze bij de belastingheffing van de belastingplichtige, zijn partner of degene die als zijn partner zou worden aangemerkt indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen.”
    Lees nog een keer: “…. voor zover deze …. in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen”. Dat staat er tamelijk ongeclausuleerd. Lezen we nu a contrario dat, wanneer dergelijke “posten” niet “in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen”, men in termen van dit beleidsbesluit valt? Waarbij de oorzaak in die woonstaat er dus niet toe doet? En men dan dus een beroep kan doen op pro rato aftrek in herkomst-/pensioenstaat Nederland?
    Dat is precies waar ik nu over procedeer. Of lees jij, of een andere VBNGB-lezer/fiscalist, toch een beperking in deze tekst? En als de NL fiscale overheid onverminderd (te) beperkt unierecht blijft implementeren dan wel uitleggen, gaat de VBNGB zich dan achter klaergs/belanghebbenden opstellen?

    Antwoord
    • Neen, volgens mij kun je dit niet a contrario lezen zoals jij doet. De voorwaarden waaronder de pro rata regeling geldt staan namelijk elders geformuleerd. Hier staat niet anders dan dat , indien de pro rata regeling van toepassing is, je desondanks nog Nederlandse (delen van) aftrekposten en tegemoetkomingen kunt verliezen, namelijk voor zover deze in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. Zoals ik meldde staat een vergelijkbare clausule ook in lid 4 van art. 7.8 voor de gewone KBB regeling. Zij het dat daar tegemoetkomingen niet worden genoemd.

      Antwoord
    • Om op je eerste zin te reageren, successievelijk wordt je langzaam maar zeker steeds meer een oor aan genaaid.
      Toen ik in 2006 begon met gelden uit mijn stamrecht bv te halen betaalde ik 2,45% loonbelasting, in 2020 is dat inmiddels 9,7% geworden. Een stijging van ruim 400%.

      Antwoord
  7. Wat betreft de pro-rata-regeling is opmerkelijk dat geen rekening wordt gehouden met de vraag of en in hoeverre in de andere bronstaat/staten de fiscale voordelen ivm de persoonlijke en gezinssituatie kunnen worden toegekend. Weliswaar heeft het EHvJ daarover in het arrest X geen uitspraak gedaan, maar in het algemeen geldt in de Schumackerdoctrine het beginsel dat de betrokken (EU) staten volledig de bedoelde fiscale voordelen moeten toekennen. Dat houdt dus niet slechts een toets in op de mogelijkheden voor de woonstaat , maar ook van de andere bronstaat/staten om dit te kunnen doen. Mijns inziens moet Nederland dat doen, dus in afwijking van de nu geschetste pro-rata regeling in die specifieke gevallen.

    Ik verwijs daartoe ook naar het volgende uit het arrest van Hof Den Haag dat volgde op EHvJ C-283/15:
    “6.3.3.Vervolgens moet worden beoordeeld wat de omvang is van de door Nederland aan belanghebbende toe te kennen fiscale tegemoetkoming. In zijn verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de niet-ingezeten zelfstandige tevens in een of meer andere werkstaten dan Nederland een zelfstandig inkomen ontvangt op grond waarvan hij ook in die werkstaat of werkstaten een overeenkomstig recht geldend kan maken, Nederland het voordeel van de aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning dient toe te kennen naar verhouding van het aandeel van het inkomen dat de zelfstandige in Nederland ontvangt. Dit oordeel, gelezen in samenhang met r.o. 47 tot en met 49 van het arrest van het Hof van Justitie, moet aldus begrepen worden dat de omvang van de door Nederland aan belanghebbende toe te kennen fiscale tegemoetkoming – dat wil zeggen de aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning – afhangt van het antwoord op de vraag of belanghebbende in Zwitserland een overeenkomstig recht geldend kan maken. Slechts indien deze vraag ontkennend beantwoord moet worden, dient 100 percent van het saldo van het inkomen uit de eigen woning in Nederland in aanmerking genomen te worden. “

    Antwoord
    • Dag Jan, ik heb een uitsraak ontvangen van de belastingrechter, BRE19/1446 van 12 december 2019, inzake de uitspraak van HvJ C283/15.
      Het Hof oordeelt dat NIET in alle gevallen pro rata aftrek moet worden verleend, en dat ik in woonland een dusdanig inkomen heb dat er wel degelijk rekening wordt gehouden met persoonlijke- en gezinssituatie. De zaak X is niet vergelijkbaar met mijn situatie, dus de inspecteur heeft terecht aftrek van zorgkosten geweigerd.
      De rechtbank gaat niet in op de 90% regeling, welk begin december 2019, met aanpassing, in de Staatscourant gepubliceerd is.
      Voor eind januari 2020 heb ik de mogelijkheid in beroep te gaan.
      Is dit zinvol, en op welke gronden zou er een mogelijkheid zijn?

      Antwoord
      • Het is alleen zinvol om in beroep te gaan op basis van C-283/15 als je inkomen uit meerdere bronlanden (onder nog nader te bekijken omstandigheden overigens). Het is ook zinvol om in beroep te gaan als je aan je woonland geen inkomstenbelasting betaalt, als je aan Nederland als buitenlands belastingplichtige belasting moet betalen. Over dat laatste voert de VBNGB twee proefprocedures (Frankrijk en Portugal).

      • Dag Jan,

        ik heb ongeveer 44% aan inkomsten belast in Nederland, en dus 56% van de inkomsten belast in Frankrijk.
        In Nederland (door de 90% regel) kan ik geen aftrekposten opvoeren. Ik ben al 4 jaar goed ziek en maak veel (eigen) kosten in Frankrijk. Ziektekosten zijn niet aftrekbaar in Frankrijk. En in Nederland mag ik (volgens de rechtbank in Eindhoven) ze ook niet opvoeren. Ik word dus dubbel benadeeld!

      • In de gegeven situatie geldt dat bij voorrang het woonland de fiscale voordelen, dus ook de aftrekposten, naar de eigen wetgeving, moet toekennen. Pas als men kwalificeert als buitenlands belastingplichtige moet het bronland (Nederland) dat doen, ook naar de eigen wetgeving. Als het woonland Frankrijk geen aftrek van ziektekosten kent, kan dat inderdaad afwijken van wat Nederland doet. Dit is echter toe te schrijven aan het verschil in belastingstelsel van Frankrijk en Nederland. Tegenovergesteld geldt weer: de bijdrage aan het CAK is in Frankrijk aftrekbaar, maar niet in Nederland (evenmin zijn Franse ziektekostenpremies in Nederland af te trekken).

  8. Jan,

    Als ik het hele verhaal nou goed begrijp, en dat is nog maar de vraag, wordt het er niet duidelijker op en wijkt de staatssecretaris op enkele punten af van de jurisprudentie van het EHvJ en zijn eigen WetIB 2001.
    Als je door de Belastingdienst niet als KBBér wordt gekwalificeerd , omdat je niet aan de 90% inkomenseis voldoet , zal je zelf bezwaar moeten maken, als je in je woonland geen belastbaar inkomen hebt, waardoor je in je woonland niet van fiscale aftrekposten en /of heffingskortingen in aanmerking komt.
    Kortom, bijvoorbeeld 80% inkomen komt uit Nederland, 20% uit Duitsland en is onbelast, zal je zelf bezwaar moeten maken om pro rato voor 80% van de fiscale voordelen in Nederland in aanmerking te komen.
    Of is dat te kort door de bocht ?

    Antwoord
    • Het gaat hier om situaties waarbij er ten minste twee bronlanden zijn, Nederland en een andere staat, terwijl je woonstaat weer een andere EU of EERstaat is (of Zwitserland of BES-eilanden). Anders dus dan je in je voorbeeld schetst. En waarbij je wegens te gering inkomen dat belast wordt door het woonland daar geen of onvoldoende persoonlijke fiscale voordelen kunt behalen, en tevens minder dan 90% van je wereldinkomen in Nederland belast is. Slechts in dergelijke gevallen is dit beleidsbesluit van toepassing en moet je dus de belastingdienst verzoeken je tot kbb’er te verklaren (inkomensverklaring van woonland blijft nodig), met toepassing van deze pro rata regeling.

      Antwoord
      • Juist, maar in de uitspraak van het EHvJ in de commissie/Estland is er sprake van slechts 1 bronland en 1 woonland.
        Daar is een vergelijkbare uitspraak in gedaan, maar daar gaat dit beleidsbesluit dus niet over, als ik het goed begrijp.
        Dan zou je in zo´n geval dus bezwaar moeten aantekenen bij de Belastingdienst met verwijzing naar de uitspraak van de commissie/Estland van het EHvJ ?

      • Inderdaad, dat laatste, maar dat is niet de enige uitspraak van het EHvJ waarnaar verwezen kan worden. De VBNGB ondersteunt thans twee proefprocedures (Portugal en Frankrijk betreffend) waar een dergelijk geval aan de orde is.

  9. ECLI:NL:RBZWB:2019:5522 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-12-2019, BRE – 19 _ 1446
    Datum uitspraak: 12-12-2019 Datum publicatie: 14-01-2020 Rechtsgebieden: Belastingrecht
    Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig Vindplaatsen: Rechtspraak.nl
    Inhoudsindicatie:
    Wet IB 2001 Belanghebbende is woonachtig in Frankrijk. Hij geniet inkomsten uit lijfrente en pensioen. Het heffingsrecht over deze inkomsten is grotendeels aan Frankrijk toegewezen en voor het restant aan Nederland. Belanghebbende stelt dat hij gelet op Hof van Justitie van 9 februari 2017, zaak C-283/15, ECLI:EU:C:2017:102 (Zaak X) zijn gemaakte ziektekosten in aftrek mag brengen naar rato van het in Nederland belaste deel van zijn inkomen. De rechtbank overweegt dat de situatie van Zaak X hier niet aan de orde is omdat het grootste deel van belanghebbendes inkomen in de woonstaat (Frankrijk) belast mag worden. Frankrijk is derhalve in staat om rekening te houden met de persoonlijke situatie van belanghebbende. Dat Frankrijk geen aftrek van de ziektekosten toestaat is een dispariteit.

    Antwoord
  10. Zoals ik al eerder aangaf, en de belastingdienst Nederland ook, dat je wél 2 keer nadeel mag hebben, maar niet twee keer voordeel.

    Antwoord
    • De doelstelling van belastingverdragen is zowel dubbele belasting als dubbele niet-belasting et voorkomen. Dat lukt niet altijd: vooral in situaties dat er geen belastingverdrag is kan zowel het een als het ander voorkomen. Voor ingezetenen van Nederland heeft Nederland ook nog eenzijdig besluit voorkoming dubbele belasting. Diverse andere landen hebben ook zo iets, maar zeker niet allemaal.

      Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.