CRvB: geen recht op AOW bij gebrek aan pensioenopbouw in het V.K.

mrt 6, 2020

ECLI:NL:CRVB:2020:561

Instantie Centrale Raad van Beroep Datum uitspraak 05-03-2020 Datum publicatie 06-03-2020 Zaaknummer 16/7 AOW Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie

Appellant kan, ondanks het feit dat hij geen recht op een ouderdomspensioen in Groot-Brittannië heeft opgebouwd, gedurende de tijdvakken waarin hij in Groot-Brittannië werkte niet verzekerd worden geacht voor de AOW. Vindplaatsen Rechtspraak.nl

16 7 AOW

Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 november 2015, 14/7695 (aangevallen uitspraak)

Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 maart 2020

daaruit:

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Nu de situatie van appellant raakvlakken heeft met twee lidstaten van de Europese Unie, is hij onderworpen aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004). Op grond van artikel 11, eerste lid, van Vo 883/2004 is degene op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Gezien het bepaalde in artikel 11, derde lid, onder a, van Vo 883/2004 heeft de Svb in samenspraak met het Britse orgaan terecht vastgesteld dat appellant onderworpen was aan de wetgeving van Groot‑Brittannië in de periode in geding, nu hij uitsluitend in Groot-Brittannië werkzaam was. Dat deze werkzaamheden in Groot-Brittannië niet hebben geleid tot verzekering voor een ouderdomspensioen omdat het inkomen van appellant onder de vastgestelde grens bleef, is in dit verband niet van belang.
4.2. In zijn arrest van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:126) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 6a, aanhef en onder b, van de AOW niet zo kan worden uitgelegd dat de mogelijkheid wordt opengelaten om, ondanks de aanwijzing van een toepasselijke buitenlandse wetgeving door een internationale regeling, toch op grond van het recht op vrij verkeer van werknemers verzekering voor de AOW aan te nemen. Verder blijkt uit het arrest van het Hof van 19 september 2019, C-95/18, dat de artikelen 45 en 48 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie zich niet verzetten tegen een bepaling als artikel 6a van de AOW, ook al komt de betrokken werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen. Hieruit volgt dat appellant, ondanks het feit dat hij geen recht op een ouderdomspensioen in Groot-Brittannië heeft opgebouwd, gedurende de tijdvakken waarin hij in Groot-Brittannië werkte niet verzekerd kan worden geacht voor de AOW.
4.3. Als reactie op het arrest van het Hof van 19 september 2019 heeft appellant laten weten de Svb verzocht te hebben toepassing te geven aan artikel 16 van Vo 883/2004. Met de Svb is de Raad van oordeel dat een mogelijke toepassing van artikel 16 van Vo 883/2004 in dit geval geen invloed heeft op de toepassing van artikel 13 van Vo 883/2004. In dit geding is een pensioenoverzicht aan de orde. Een pensioenoverzicht wordt beoordeeld naar de gegevens op het moment van afgeven daarvan. Mocht appellant door toepassing van artikel 16 van Vo 883/2004, of om een andere reden, naderhand toch verzekerd worden geacht voor de AOW in (een gedeelte van) de periode in geding, dan doet dat niet af aan het onderhavige pensioenoverzicht. Deze mogelijke wijziging zal in een nieuw overzicht dan aan de orde kunnen komen.
4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd voor zover aangevochten.

4 Reacties

  1. ECLI:NL:RBDHA:2021:1166
    Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 19-02-2021 Datum publicatie
    05-03-2021 Zaaknummer AWB – 19 _ 6565 Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie korting van 20% op AOW-pensioen toegepast Vindplaatsen rechtspraak.nl RECHTBANK DEN HAAG
    Bestuursrecht uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2021 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
    En de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
    Daaruit:
    Overwegingen
    1. Eiseres heeft verweerder op 18 november 2018 verzocht om voor haar een pensioen aan te vragen bij de Deutsche Rentenversicherung (DRV). Dit is haar toegekend. Op 6 maart 2019 heeft zij vervolgens bij verweerder een aanvraag gedaan om toekenning van een AOW-pensioen.
    2.1
    Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 3 juli 2019 een AOW-pensioen toegekend. Op dit pensioen is een korting van 20% toegepast, op de grond dat eiseres over 10 jaar wegens verblijf in het buitenland niet verzekerd is geweest voor de AOW. Daardoor heeft zij over deze periode geen recht op AOW opgebouwd.
    2.2
    Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierin overwogen dat eiseres in de perioden 1 april 1980 tot en met 25 augustus 1985 en van 12 december 1985 tot en met 20 april 1990 niet stond ingeschreven in een gemeente in Nederland. Uit informatie van de DRV is verweerder gebleken dat eiseres van 1 april 1980 tot 1 november 1990 verplicht verzekerd was in Duitsland op basis van arbeid en dus niet verzekerd is geweest voor de AOW. Eiseres heeft het tegendeel niet bewezen. Daarom was eiseres in deze periode niet verzekerd ook al woonde zij mogelijk in Nederland.
    3.1
    Eiseres stelt dat zij met haar man en dochter in 1984/1985 is teruggekeerd naar Nederland. Zij is daarna dus niet meer werkzaam geweest in Duitsland, ook al heeft haar echtgenoot over de periode 1984 tot november 1990 premie voor haar betaald in Duitsland. In werkelijkheid woonde zij sinds 1984 in Nederland met haar dochter, die hier naar school ging. Zij stond ook sinds 1982 ingeschreven bij een huisarts in Nederland.
    Haar man heeft bij zijn aanvraag om AOW hetzelfde probleem gehad, maar de op zijn AOW-pensioen toegepaste korting is na bezwaar door verweerder gecorrigeerd naar 10%. Ter onderbouwing van haar betoog heeft eiseres verweerders besluit van 15 maart 2017 aan haar echtgenoot overgelegd en een brief van de stad Bayreuth waarin staat dat zij op 22 oktober 1984 is uitgeschreven.
    3.2
    De rechtbank stelt vast dat in het dossier diverse berichten van de DRV aanwezig zijn en dat de informatie daarin consistent is. Uit informatie van de DRV van 29 augustus 2019 blijkt dat eiseres in de periode van 1 juli 1984 tot en met 31 oktober 1990 in Duitsland als werknemer verzekerd is geweest. Daarbij wordt expliciet opgemerkt dat het niet ging om een vrijwillige verzekering. Voorts heeft eiseres volgens deze informatie op grond van haar verzekering als werknemer over de jaren 1980 tot en met 1983 eveneens rechten opgebouwd. Aan haar is daarom per 1 november 2018 een Duits pensioen toegekend van rond de 90 euro per maand. Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat eiseres over de jaren 1980 tot en met 1990 niet verzekerd is geweest voor de AOW.
    3.3
    De stelling van eiseres dat de informatie van de DRV niet juist is, omdat zij in werkelijkheid niet werkzaam is geweest in Duitsland, maar in Nederland woonde, kan hier niet aan afdoen. Door eiseres is een uitschrijfbewijs van de gemeente Bayreuth overgelegd, waarin staat dat zij op 22 oktober 1984 is uitgeschreven uit die stad. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat zij nadien in Nederland heeft gewoond. Eiseres heeft geen inschrijving uit het Basisregister personen overgelegd, waaruit dat blijkt dat zij in die periode woonde in Nederland. Niet alleen heeft zij dan ook onvoldoende bewijs aangeleverd voor haar stelling, maar bovendien heeft zij op basis van werkzaamheden over meerdere jaren in Duitsland een pensioen verkregen over de in Nederland niet-verzekerde jaren.
    3.4
    De vergelijking met de situatie van haar echtgenoot kan eiseres evenmin baten. Uit de informatie in het kinderbijslagarchief, zoals verwerkt in het besluit van verweerder van 15 maart 2017, is gebleken dat de echtgenoot van eiseres, anders dan zijzelf, in de periode van 22 juli 1985 tot 1 april 1990 geen AOW-tijdvakken in Duitsland heeft opgebouwd. In zoverre wijken de gegevens over eiseres en haar echtgenoot dus van elkaar af.
    4. Het beroep is ongegrond.

    Antwoord
  2. ECLI:NL:CRVB:2021:1029 Centrale Raad van Beroep, 25-02-2021, 19/1960 AOW
    Datum uitspraak:
    25-02-2021
    Datum publicatie:
    06-05-2021
    Rechtsgebieden:
    Socialezekerheidsrecht
    Bijzondere kenmerken:
    Hoger beroep
    Vindplaatsen:
    Rechtspraak.nl
    Inhoudsindicatie:
    Korting van 16% op AOW-pensioen omdat appellant heeft gestudeerd en gewerkt in Canada en geen ingezetene was van Nederland van 1973 tot 1982. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie het verblijf in het buitenland definitief is, beschouwt de Svb betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de Svb het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. De Svb heeft ten onrechte vastgesteld dat appellant over de periode van 10 november 1973 tot en met 10 november 1974 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef onder a, van de AOW, moet de korting op het ouderdomspensioen en op de inkomensondersteuning van appellant worden vastgesteld op 14%. De Raad voorziet zelf.

    Antwoord
  3. ECLI:NL:CRVB:2021:2718 Centrale Raad van Beroep, 21-10-2021, 20/4158 AOW
    Datum uitspraak: 21-10-2021 Datum publicatie: 03-11-2021 Rechtsgebieden:
    Socialezekerheidsrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Vindplaatsen:
    Rechtspraak.nl
    Inhoudsindicatie:
    Afwijzing aanvraag een – partieel – ouderdomspensioen op grond van de AOW. Zolang appellante op Bonaire woonde was zij niet verzekerd voor de AOW en minder dan een jaar in Europees Nederland woonde toen zij de voor haar geldende AOW-pensioenleeftijd bereikte

    Antwoord
  4. ECLI:NL:CRVB:2023:2125
    Instantie

    Centrale Raad van Beroep
    Datum uitspraak 10-11-2023
    Datum publicatie 17-11-2023
    Zaaknummer 22/1158 AOW
    Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht
    Bijzondere kenmerken Hoger beroep
    Inhoudsindicatie
    Besluit I. Terecht een korting van 14% toegepast op de voorlopige toekenning van AOW pensioen wegens niet verzekerde jaren en terecht bezwaar en beroep ongegrond verklaard op de grond dat alleen ingezetenen, dat wil zeggen inwoners van het Rijk in Europa, verzekerd zijn voor de AOW. Besluit II. Toekenning definitief ouderdomspensioen van 86% van een volledig pensioen. Bij besluit 2 heeft de Svb besluit 1 ingetrokken. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen besluit 2 slaagt niet en wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat korting van 14% op het ouderdomspensioen van appellant in stand blijft.

    Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl

    • Hoedanigheid: - Adviseur
    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.