KBB en Hoge Raad uitspraak over massaal bezwaar box 3

dec 26, 2021

Zie deze recente uitspraak:

ECLI:NL:HR:2021:1963

Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 24-12-2021 Datum publicatie 24-12-2021 Zaaknummer 21/01243 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1019
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBGEL:2021:639 Rechtsgebieden Belastingrecht  Bijzondere kenmerken Cassatie Inhoudsindicatie

art. 5.2 Wet IB 2001; art. 1 EP EVRM, art. 14 EVRM; massaal bezwaar Box 3 jaren 2017 en 2018; Vermogensrendementsheffing over 2017 en 2018 strijdig met art. 1 EP in combinatie met art. 14 EVRM. Rechtsherstel. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 24-12-2021
V-N Vandaag 2021/3151

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01243 Datum 24 december 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

Tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 10 februari 2021, nrs. AWB 20/3028 en 20/30291, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.


Uitgangspunten in cassatie

2.1

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd waarbij onder meer belasting is geheven over een voordeel uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3).

2.2

Voor de berekening van het belastbaar inkomen in box 3 is de rendementsgrondslag als volgt vastgesteld.

2.3

De door belanghebbende en zijn echtgenote in box 3 verschuldigde inkomstenbelasting bedroeg over het jaar 2017 € 12.705, en over het jaar 2018 € 11.969.
Het daadwerkelijk door belanghebbende en zijn echtgenote behaalde rendement van de hiervoor in 2.2 genoemde bezittingen bedroeg in deze jaren respectievelijk € 6.612 en € 3.528.

2.4

De bezwaren van belanghebbende maken deel uit van de bezwaarschriften die met toepassing van artikel 25a van de AWR zijn aangemerkt als massaal bezwaar.3

2.5

De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.6

Bij de Rechtbank was in geschil of de vermogensrendementsheffing in de belastingjaren 2017 en 2018 op regelniveau in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) daarbij. De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daarbij heeft de Rechtbank onder meer overwogen:

“19. Ook voor het systeem van 2017 heeft de wetgever aansluiting gezocht bij de werkelijkheid, namelijk bij de vaststelling van de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix) en bij de rendementen die door belastingbetalers in voorafgaande jaren gemiddeld zijn behaald op die vermogensonderdelen. In zoverre sluit de heffing aan bij de werkelijkheid. Dat de vermogensmix is gebaseerd op feitelijke gegevens uit 2012 maakt dat de gegevens in zoverre verouderd zijn, maar daardoor is het wel precies. De wetgever had ook kunnen kiezen voor recentere gegevens, maar die waren ten tijde van het maken van de wet nog niet bekend en hadden dan moeten worden geschat, waardoor ze minder precies zouden zijn geweest. Deze afweging over de mate van zekerheid van de gegevens acht de rechtbank niet van iedere redelijke grond ontbloot. De uitvoerbaarheid van de regeling wordt gediend door te kiezen voor een gemiddelde van de werkelijkheid. Er hoeft dan namelijk niet aangesloten te worden bij de keuze van iedere individuele belastingplichtige Ook dit uitgangspunt ontbeert niet iedere redelijke grond. Dit geldt tot slot ook voor de keus om de langjarige rendementen te berekenen over een periode van de afgelopen 15 jaar.

(…)

  1. Dit neemt niet weg dat de door eiser genoemde omstandigheden op regelniveau kunnen worden getoetst. (..)

 

Uit het oordeel van de hoge Raad:

 

Het voorgaande overziend oordeelt de Hoge Raad dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Er bestaat niet een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met dat stelsel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel. In het bijzonder kan de – op zichzelf begrijpelijke – wens om de uitvoerbaarheid te bevorderen en de belastingopbrengsten op peil te houden, geen voldoende rechtvaardiging bieden voor het aanzienlijke verschil in behandeling tussen degenen die positieve vruchten plukken van hun risicovolle beleggingen, en die ook fiscaal een bevoorrechte behandeling ten deel valt, en degenen aan wie dat fortuin is voorbij gegaan, en aan wie door het stelsel een relatief zware belastingschuld wordt toebedeeld. Hieraan doet niet af dat het forfaitaire rendement in de beide rendementsklassen periodiek kan worden herzien.

3.6.1

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. Voor degene die, zoals belanghebbende in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.

In dat geval rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter effectieve rechtsbescherming kan bieden tegen deze verdragsschending. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende aanknopingspunten zijn af te leiden voor de beantwoording van de vraag hoe dit dient te geschieden.13

3.6.2 Zulke aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel zou kunnen vaststellen hoe de geconstateerde schending van het recht op ongestoord genot van eigendom valt op te heffen, zijn in dit geval niet voorhanden. Het formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de in dat verband te maken keuzes, dient de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, aan de wetgever over te laten.
Niettemin ziet de Hoge Raad zich thans genoodzaakt belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten. Niet langer kan worden volstaan met de constatering van de schending of een onderzoek naar een individuele buitensporige last. Daaraan staan in de weg dat het ontbreken van een ‘fair balance’ ook het hiervoor genoemde discriminerende karakter heeft, dat de thans geldende regeling nog steeds dezelfde tekortkomingen bevat als die voor de jaren 2017 en 2018, en dat de wetgever weliswaar sinds 2015 werkt aan spoedige invoering van een heffing op basis van werkelijke rendementen,14 maar die invoering niet vóór 2025 kan worden verwacht. 15

3.6.3 De hiervoor bedoelde rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. In deze zaak heeft de Rechtbank, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk in 2017 en 2018 uit de tot hun rendementsgrondslag behorende bezittingen een rendement hebben behaald van respectievelijk € 6.612 en € 3.528. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding belanghebbende voor de hiervoor genoemde schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot de onderhavige jaren alleen het zojuist genoemde werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken. Dit betekent dat het voordeel uit sparen en beleggen van belanghebbende voor het jaar 2017 moet worden bepaald op € 5.260 (€ 777.377 gedeeld door € 977.077 maal € 6.612) en voor het jaar 2018 op € 2.697 (€ 763.081 gedeeld door € 998.081 maal € 3.528).

3.6.4 De omstandigheid dat dit cassatieberoep voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor belanghebbende op de zojuist genoemde wijze achterwege te laten.

3.6.5 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het middel slaagt. De bestreden uitspraak moet worden vernietigd en de aanslagen moeten worden een berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 5.260 voor het jaar 2017 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 2.697 voor het jaar 2018, onder handhaving van de overige elementen van die aanslagen.

46 Reacties

  1. commentaar jdev.
    Nu de Hoge Raad deze gunstige uitspraak voor de belastingplichtigen heeft gedaan inzake de wijze van rendementsheffing box 3 is de vraag of de staatssecretaris van Financiën terugwerkende kracht zal gaan verlenen aan belastingplichtigen (tot het belastingjaar 2017). In elk geval kunnen degenen die participeerden in de massaal bezwaar procedure 2017 en volgende jaren een beroep op de uitspraak doen teneinde de rendementsheffing te laten bepalen op basis van het werkelijk behaalde rendement (dat moet dan wel feitelijk vaststaan).

    Ik meen dat ook buitenlands belastingplichtigen de argumentatie kunnen hanteren om zo mogelijk alsnog te kwalificeren (voor jaren vanaf 2017). Het gaat dan om gevallen waarbij men door een een te hoog forfaitair rendement niet voldoet aan het 90% inkomenscriterium (ten minste 90% van verzamelinkomen belast in Nederland) en dus niet kwalificeert, maar wel indien het werkelijke rendement uit box 3 (wereldinkomen) dusdanig lager is dat men bij hanteren daarvan wel zou voldoen. Herziening van aangiften vanaf 2017 is in beginsel nog mogelijk, waarbij wel de vraag rijst of het alsnog inbrengen van het werkelijke rendement op box 3 vermogen als een nieuw feit kan worden gezien.

    Antwoord
  2. Geweldig! De Staat der Nederlanden wordt hier toch mooi ff op de vingertjes getikt voor jarenlange belasting over niet-genoten inkomsten. Het was ook werkelijk schandalig wat hij flikte met de wet in de hand! Er bestaat dus toch nog recht in Nederland.

    Antwoord
  3. Ik zou zeggen dat veel van de argumenten ook van toepassing zijn op de hele KBB-regeling als zodanig. Ik ga er nog eens over nadenken.

    Een procedure over mijn emigratiejaar 2015 verloor ik. Nu loopt er een zaak bij de belastingrechter over 2016 en 2017. Dat betreft een zgn. pensioenverevening, die zowel bij mij als bij mijn ex belast werd. En die ik niet kon aftrekken, want …. geen KBB-er.

    Over de jaren 2018, 2019 en 2020 vroeg ik zgn. middeling aan. Ook dat werd meteen geweigerd op grond van de KBB-regeling. “Middeling” bestaat slechts voor binnenlands belastingplichtigen en kwalificerenden. Maar waarom? Er is geen sprake van dat middeling over in NL belast inkomen op welke wijze dan ook door het woonland “geregeld” kan worden. Gewoon onteigening dus. Met de argumenten van de HR.

    Antwoord
  4. Met betrekking tot de NIET in Nederland woonachtige nederlanders en in het woonland residerend als belastingplichtigen aldaar (voor de goede orde) :

    Volgens de uitleg van de NL Belastingdienst Buitenland Heerlen wordt het gehele wereldinkomen in Nederland belast met dien verstande dat het totale wereldinkomen met name “o.a.” wordt aangewend als bronbedrag voor de door het CAK te heffen ZVW Buitenlandbijdrage (zorg “premie”).
    Dus niet alleen daarvoor.
    Het Niet In Nederland Belastbare Inkomen (voorheen NinBi opgave) luidt nu ineens In Nederland Belastbaar Inkomen, d.w.z., op wat het zelfde formulier lijkt maar nu een iets andere titel draagt !
    Of dat op termijn consequenties heeft voor de status “kwalificerend” en/of een BOX-3 heffing op wereldwijde spaartegoeden of niet ….. is dus een open vraag.

    Antwoord
    • Het formulier Opgaaf wereldinkomen 2020 is het meest actuele in verband met de opgaaf van het wereldinkomen waarover de CAK bijdrage wordt berekend.
      De uitspraak van de Hoge Raad heeft in elk geval betekenis voor de opgaaf vanaf 2021. Men kan zich erop beroepen om werkelijk behaald rendement op vermogen in box3 op te geven (wat natuurlijk alleen relevant is indien dat lager is dan het forfaitaire rendement). Bij buitenlands belastingplichtigen zal het overigens onder omstandigheden (vooral bij bezit van onroerend goed in de woonstaat) moeilijker zijn het werkelijke rendement op vermogen aan te tonen.

      Op inkomen uit box 3 wordt geen CAK-bijdrage geheven bij verdragsgerechtugden. Wel kan dat een indirecte rol spelen bij de vaststelling van box 1 inkomen, dus ook het pseudo premieinkomen voor de WLZ component. Immers, het (voorlopige) verzamelinkomen, waar box 3 inkomen deel van uitmaakt, kan van belang zijn voor ziektekostenaftrek, giften en evt. bij de verdeling van gemeenschappelijke inkomens- en aftrekposten tussen partners.
      In hoeverre het zin heeft om ook met terugwerkende kracht (tot 2017) te verzoeken (aan de belastingdienst) het box 3 inkomen te herzien is de vraag. Voor de buitenlands belastingplichtige die participeerde in de 2017/2018 massaal bezwaar procedure heeft het in elk geval zin. Ook zal de politiek mogelijk kunnen besluiten de uitspraak van de Hoge Raad voor alle belastingplichtigen met terugwerkende kracht toe te passen. (Hoge Raad) jurisprudentie hoeft echter niet automatisch met terugwerkende kracht te worden toegepast voor de datum van de uitspraak. Hetzelfde geldt dus voor degenen die met terugwerkende kracht zouden willen kwalificeren als buitenlands belastingplichtige. Ik verwacht overigens Kamervragen naar aanleiding van het Hoge Raad arrest, waarvan de antwoorden meer duidelijkheid zullen bieden hoe het (nieuwe, naar ik aanneem) kabinet hierop wil reageren.

      Antwoord
  5. De uitspraak van de rechter bevestigt hoe slecht het politieke toezicht op de invoering van nieuwe wetgeving is.

    Hierbij (fiscale wetgeving), hebben zowel de tweede kamer als de eerste kamer zitten slapen.

    Er zijn nog wel een paar landen die vermogensbelasting heffen. Ofschoon dit op steeds meer weerstand kan rekenen.

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Vermogensbelasting

    Er bestaat nergens zoiets als vermogensrendementsheffing (fictief !). Hier is sprake van een fata morgana, een luchtspiegeling, geen werkelijkheid. Een schandvlek voor ons fiscale stelsel.
    Wel vermogenswinstbelasting, ofwel het belasten van ” winst ” wat uit vermogen wordt gerealiseerd.

    Let op….gerealiseerd. Dus geen enkele manier om ” fictief te belasten ” is wettelijk toegestaan in ander landen, onder de noemer vermogenswinstbelasting.
    Nederland is dus uniek in de wereld met een zeer onrechtvaardige belasting.

    Een voorbeeld, stel U bezit ” aandelen Shell ” , die koopt U in jaar X voor 100%
    Zolang U niet verkoopt blijft de boekwaarde op 100 en is er dus geen vermogenswinstbelasting te heffen.
    Pas als U afstand doet (na bv 5 jaar) van die aandelen, zeg tegen 120%, dan wordt in dat jaar de meerwaarde (winst) van 20% belast.

    Nu is mijn vraag, wordt straks onder nieuwe wetgeving (2022-2023) dit letterlijk zo doorgevoerd……of gaat Nederland weer fluitend verder met het fictief maken van winst.

    in het voorbeeld van de aandelen Shell in jaar 0 = 100%.
    in jaar 1 = 105%…ongerealiseerd, niet verkocht, maar met 5% fictieve winst belasten !
    In jaar 2 van 105% naar 110%, niet verkocht, maar wederom 5% fictief belasten !
    in jaar 3 van 110% naar 95% (beurscrash), dus negatieve fictieve winst !
    Of wordt alleen bij verkoop van de aandelen de werkelijke winst belast ?

    Ik denk dat Nederland wederom met ” fictieve winst ” gaat belasten, ofwel de politiek heeft schijt aan gerechtelijke uitspraken.

    Antwoord
    • U veronderstelt dat er een vermogensaanwasbelasting zal komen, d.w.z. dat er jaarlijks geheven zal worden over de werkelijke groei van het vermogen van een individuele belastingplichtige. Dat is inderdaad een mogelijkheid. In een ambtelijk rapport uit 2020, dat een verkenning deed over alternatieven voor heffing van belasting over vermogen, wordt deze mogelijkheid genoemd naast die van de zgn. vermogenswinstbelasting. Dan wordt er slechts belasting geheven bij liquide maken van vermogen. Beide mogelijkheden kennen voor- en nadelen voor zowel de belastingplichtige als de belastingdienst.
      In het coalitieakkoord is op dit punt weinig te vinden. Merkwaardig genoeg beperkt dit akkoord zich min of meer tot de opmerking dat er een vereenvoudiging van het belastingstelsel komt. Afschaffen van de vermogensrendementsheffing gaat overigens in tegengestelde richting. Maar de Hoge Raad dwingt wel tot een vorm van heffen over werkelijk behaald rendement.

      Antwoord
      • https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/berichten/nieuws/uitspraak-Hoge-Raad-niet-verwerkt-in-voorlopige-aanslagen-inkomstenbelasting-2022
        Uitspraak Hoge Raad niet verwerkt in voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022
        11-01-2022
        Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de box 3-heffing in 2017 en 2018 in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Het is helaas nog niet mogelijk om de gevolgen van deze uitspraak te verwerken in de aanslagen die de Belastingdienst nu oplegt.
        Momenteel versturen we veel voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022. Het kan dus zijn dat u onlangs een voorlopige teruggaaf of aanslag ontving of binnenkort ontvangt. Hierin is nog geen rekening gehouden met de eventuele gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.
        We blijven de voorlopige aanslagen wel versturen. We vinden het belangrijk dat u uw voorlopige teruggaaf gewoon ontvangt. En dat u een te betalen aanslag verspreid over het jaar kunt betalen. Hiermee voorkomen we mogelijke betalingsproblemen.
        Ondertussen zijn we bezig de gevolgen van de uitspraak zorgvuldig in kaart te brengen, ook voor het belastingjaar 2022. Zo komen we tot een correcte belastingheffing in box 3.
        Als op een later moment blijkt dat de wijzigingen invloed hebben op de belasting die u in 2022 moet betalen, dan herstellen we dit in de definitieve aanslag 2022. U hoeft hiervoor zelf geen actie te ondernemen.

  6. Brief aan de Tweede Kamer:

    Datum24 januari 2022BetreftVerzoek uitstel beantwoording Kamervragen box 3
    Geachte voorzitter,
    De leden Van der Lee (2021Z24255), Inge van Dijk (2021Z24290), Omtzigt (2022Z00005), Inge van Dijk en Idsinga (2022Z00071) en Hammelburg (2022Z00468) hebben vragen gesteld naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 over box 3. De vaste commissie van Financiën heeft op 12 januari 2022 verzocht om de gestelde vragen uiterlijk binnen tien dagen te beantwoorden. Ik verzoek u om uitstel van de gevraagde beantwoordingstermijn.
    Het arrest van de Hoge Raad heeft grote impact en de gevolgen hiervan zijn voor mij van de grootste prioriteit. We werken met man en macht aan een werkbare oplossing voor de uitvoering van het arrest. De reden van het verzoek om uitstel is dat nog niet alle gevolgen van het arrest helder zijn. Daarnaast is de beoordeling welke oplossingsrichtingen maakbaar en haalbaar zijn voor de uitvoering, wat oplossingsrichtingen vragen van burgers en of dit voor hen haalbaar is nog niet afgerond. Om uw Kamer juist en volledig te kunnen informeren verzoek ik uw Kamer om uitstel van beantwoording. Ik zal hierna op hoofdlijnen ingaan op welke keuzes nog gemaakt moeten worden en welke dilemma’s met betrekking tot de oplossingsrichtingen spelen.

    Het arrest van de Hoge Raad
    De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het sinds 2017 geldende box 3-stelsel in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en biedt de betrokken burger rechtsherstel. Het arrest heeft grote uitvoeringstechnische en budgettaire gevolgen. De Hoge Raad formuleert geen expliciete rechtsregel hoe het werkelijk behaalde rendement moet worden vastgesteld. Momenteel wordt nog onderzocht op welke wijze het arrest op dit punt moet worden toegepast.
    Wie komen in aanmerking voor rechtsherstel?
    Naast de aanslagen van burgers die zijn aangesloten bij de massaal bezwaarprocedure over de jaren 2017 en 2018, heeft het arrest ook gevolgen voor alle aanslagen die per 24 december 2021 nog moeten worden opgelegd en alle aanslagen waarover al wordt geprocedeerd of zal worden geprocedeerd. Ook voor de jaren 2019 en 2020 lopen massaal bezwaarprocedures. De in deze procedures geformuleerde rechtsvraag is nagenoeg gelijk aan die van de procedures 2017 en 2018. Het aan de Hoge Raad voorleggen van de box 3-
    rechtsvraag voor 2019 en 2020 zal daarom niet tot een ander oordeel leiden dan
    het oordeel gegeven in het arrest van 24 december 2021 voor wat betreft het
    oordeel over het stelsel. Meerdere Kamerleden stelden de vraag of het arrest ook
    gevolgen heeft voor burgers die geen bezwaar hebben gemaakt. De volledige
    reikwijdte van de groep burgers die in aanmerking komen voor rechtsherstel is op
    dit moment nog niet bepaald.

    Vormgeving van het rechtsherstel
    Voor burgers en de Belastingdienst is het belangrijk dat het herstel van aanslagen
    recht doet aan het arrest van de Hoge Raad, tijdig, zorgvuldig en zo eenvoudig
    mogelijk gebeurt. Dit is een grote uitdaging voor de Belastingdienst. Voor een
    uitvoerbare wijze van herstel dient een oplossing te worden gekozen die voor de
    verschillende belastingjaren zo eenvormig mogelijk is en zoveel mogelijk
    geautomatiseerd en massaal kan worden uitgevoerd. Verschillende opties voor de
    vormgeving van de hersteloperatie worden momenteel in kaart gebracht. Ik
    verwacht uw Kamer in februari te informeren over de wijze van herstel.

    Budgettaire gevolgen
    Het bieden van rechtsherstel heeft grote budgettaire consequenties. De omvang
    van de budgettaire gevolgen is onder andere afhankelijk van de interpretatie van
    het arrest en de omvang van de groep burgers die in aanmerking komt voor
    rechtsherstel. De budgettaire gevolgen van de verschillende opties worden
    momenteel in kaart gebracht.

    Gevolgen voor de uitvoering
    Het arrest heeft daarnaast ook grote gevolgen voor zowel de menskracht als de
    ICT-capaciteit van de Belastingdienst. Ook deze gevolgen worden momenteel nog
    in kaart gebracht, waaronder de impact op capaciteit, benodigde middelen en
    verdrukking van andere werkzaamheden.

    Lopende processen
    Aangezien het arrest nog niet in de lopende processen en ICT-systemen van de
    Belastingdienst is verwerkt, kunnen op dit moment nog geen aanslagen opgelegd
    worden conform het arrest van de Hoge Raad. Daarom zijn de volgende
    beslissingen genomen ten aanzien van de lopende processen. Bij gevallen waarin
    sprake is van inkomen uit box 3, of wanneer de box 3 situaties in het proces van
    de Belastingdienst niet te isoleren zijn, worden waar mogelijk tot nader order
    geen belastingaanslagen en beschikkingen opgelegd. Hierop worden de volgende
    twee uitzonderingen gemaakt. Ten eerste indien sprake is van een
    verjaringsrisico. Daarvan is sprake als de verjaringstermijn dreigt te verstrijken,
    waardoor er geen (navorderings)aanslag meer kan worden opgelegd. Dit geldt
    onder andere voor de aanslagen 2017 en 2018. Ten tweede indien de burger
    belang heeft bij de doorgang van het proces. Dit geldt bij voorlopige aanslagen,
    verliesverrekening en middelingsverzoeken.
    Zo zijn de voorlopige aanslagen over belastingjaar 2022 op reguliere wijze
    afgerond zodat burgers tijdig maandelijks hun teruggaaf kunnen ontvangen of –
    in geval van te betalen aanslagen – de aanslag in termijnen kunnen betalen
    waardoor eventuele betalingsproblemen worden voorkomen. Deze aanslagen zijn
    dus nog niet in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad, maar hierop
    hoeft de burger nu geen actie te ondernemen. Deze aanslagen zullen later bij
    definitieve aanslag nog worden hersteld. Dit is gecommuniceerd op de website
    van de Belastingdienst, het was niet meer mogelijk dit in de aanslag zelf te
    Directie Directe Belastingen & ToeslagenOns kenmerk2022-0000020410Pagina 3 van 3
    communiceren. Momenteel wordt uitgewerkt op welke wijze tot herstel wordt gekomen van de op of na 24 december 2021 opgelegde definitieve aanslagen en navorderingen. Daarvoor hoeven de betrokken burgers nu geen actie te ondernemen.

    Wetgeving
    De wetgeving is momenteel niet in lijn met het arrest van de Hoge Raad. Het is onwenselijk om deze situatie voort te laten bestaan tot de invoering van de vermogensrendementsheffing over het werkelijke rendement met de beoogde inwerkingtredingsdatum 2025. Onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn om de wetgeving eerder aan te passen.

    Vervolgstappen
    Het arrest van de Hoge Raad heeft grote gevolgen voor zowel burgers als de uitvoering door de Belastingdienst. Het is nu van belang om snel, maar ook zorgvuldig stappen te zetten om tot oplossingen te komen. Daarom zal het Kabinet over bovenstaande dilemma’s op korte termijn beslissingen nemen, waar ik uw Kamer over zal informeren. Op basis van die beslissingen zal ik de gestelde vragen spoedig beantwoorden. Ik kijk ernaar uit om in het door de vaste commissie voor Financiën voorgestelde schriftelijke overleg met uw Kamer van gedachten te wisselen.

    Hoogachtend,
    de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst
    Marnix L.A. van Rij

    Antwoord
  7. Vandaag is er in de Tweede Kamer een debat over de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad, waarin ongetwijfeld de politieke wensen t.a.v. verandering in vermogens(inkomens) belasting aan de orde komen.
    Zie voor internationale vergelijking op vermogens- , erf- en schenkingsbelasting bijvoorbeeld:
    Zie: https://www.econstor.eu/handle/10419/181281

    Antwoord
  8. ‘Het is een enorm lastige puzzel die op korte termijn gelegd moet worden’, schrijft staatssecretaris Van Rij in een Kamerbrief. Woensdag debatteert de Kamer over de vermogensrendementsheffing, oftewel de spaartaks.
    Lees verder op: https://www.taxlive.nl/nl/

    Antwoord
  9. De coalitiepartijen zijn nog verdeeld over de oplossing voor de spaarders die teveel belasting hebben betaald. Dit bleek uit het Kamerdebat woensdag.
    D66, CDA en ChristenUnie vinden dat de dekking in principe uit de vermogensbelasting moet komen. Daarbij zou het kabinet ook box 2 kunnen meenemen, waar veel ondernemers vermogen hebben staan. CDA-Kamerlid Van Dijk wil dat ’de breedste schouders de zwaarste lasten dragen’. De VVD houdt zich nog meer op de vlakte.
    Lees verder op: https://www.taxence.nl/nieuws/kamerdebat-box-3-belastingheffing-op-vermogen/

    Antwoord
  10. Inkomstenbelasting. Collectieve uitspraak op bezwaar aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2017 tot en met 2020
    Belastingdienst

    Uitspraak van 4 februari 2022, nr. 2022-35664

    De Staatssecretaris van Financiën heeft eerder besloten om de bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3 aan te wijzen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Deze besluiten zijn per belastingjaar vastgelegd in een afzonderlijke aanwijzing.1

    Bij deze aanwijzingen gaat het om bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2020:

    –waarop ten tijde van de dagtekening van de hiervoor genoemde besluiten nog geen uitspraak is gedaan of die tijdig zijn ingediend tot en met 3 februari 2022; en

    –voor zover die de volgende rechtsvraag bevatten: Is de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd met:

    1.Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld; of

    2.Het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM?

    Met het oog op de beantwoording van bovenstaande vraag door de bestuursrechter in belastingzaken zijn voor de belastingjaren 2017 en 2018 zes zaken geselecteerd.2 Deze zaken hebben geleid tot uitspraken van rechtbanken.3 Tegen één van deze uitspraken is sprongcassatie ingesteld.4 Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in deze zaak.5

    De Hoge Raad is van oordeel dat de met ingang van 1 januari 2017 geldende vermogensrendementsheffing in de inkomstenbelasting in strijd is met het EVRM in het geval iemand door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. De Hoge Raad biedt hiervoor in deze zaak rechtsherstel door te bepalen dat alleen het behaalde werkelijke rendement uit de tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen in de heffing wordt betrokken.

    Gelet op voornoemd oordeel van de Hoge Raad doe ik hierbij voor alle bovengenoemde als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften een collectieve uitspraak op bezwaar.

    Ik verklaar deze bezwaarschriften gegrond.

    Tegen deze collectieve uitspraak op bezwaar kan geen beroep worden ingesteld.

    Deze uitspraak zal in de Staatscourant worden geplaatst en worden gepubliceerd op https://www.belastingdienst.nl.

    De inspecteur
    L.W.J.M. Vlaskamp
    Algemeen directeur Belastingdienst/Particulieren

    Antwoord
  11. De lagere rechtspraak begint de uitspraak van de HR te volgen:

    ECLI:NL:RBNHO:2022:867
    Instantie Rechtbank Noord-Holland Datum uitspraak 07-01-2022 Datum publicatie 08-02-2022 Zaaknummer HAA 20/1920 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie
    beroep gegrond. Vermogensrendementsheffing in casu strijdig met art. 1 EP en 14 EVRM. Vindplaatsen Rechtspraak.nl FutD 2022-0426 Viditax (FutD), 2-2-2022
    Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht
    zaaknummer: HAA 20/1920
    uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen
    [eiser] , wonend te [woonplaats] , eiser, en
    de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam, verweerder4

    daaruit:
    3.6.3. De hiervoor bedoelde rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen. In deze zaak heeft de Rechtbank, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk in 2017 en 2018 uit de tot hun rendementsgrondslag behorende bezittingen een rendement hebben behaald van respectievelijk € 6.612 en € 3.528. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding belanghebbende voor de hiervoor genoemde schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot de onderhavige jaren alleen het zojuist genoemde werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken. Dit betekent dat het voordeel uit sparen en beleggen van belanghebbende voor het jaar 2017 moet worden bepaald op € 5.260 (€ 777.377 gedeeld door € 977.077 maal € 6.612) en voor het jaar 2018 op € 2.697 (€ 763.081 gedeeld door € 998.081 maal € 3.528).”
    15. Op grond van dit arrest van de Hoge Raad is het beroep van eiser gegrond. Voor zover de vermogensrendementsheffing zoals die in 2017 geldt resulteert in een belastingheffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, zoals in het geval van eiser, leidt dit tot een schending van de door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten van eiser. Voor deze schending van de rechten van eiser dient de rechtbank rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot 2017 alleen het hiervoor onder 6. genoemde werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken. Dit betekent dat het voordeel uit sparen en beleggen van eiser voor het jaar 2017 moet worden bepaald op € 9.516 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd dient te worden.
    16. De overige grieven van eiser behoeven geen behandeling meer.

    Antwoord
  12. Zie dit commentaar van de Van der Hulles

    https://www.ndfr.nl/content/NTFR2022-657

    NTFR 2022/657 – Een revolutionair arrest van de Hoge Raad: over de vermogensrendementsheffing, rechterlijk ingrijpen en een te trage wetgever

    Antwoord
  13. Conclusie
    Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak
    24 februari 2022 ECLI:NL:PHR:2022:180
    Zaaknummer 21/04407
    Inhoudsindicatie
    Belanghebbende klaagt over de toepassing van de vermogensrendementsheffing over de jaren 2015 – 2018. In deze conclusie gaat A-G Niessen in op de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 voor lopende bezwaren.

    In het box 3 arrest van 24 december 2021, in de media ook wel aangemerkt als het Kerstarrest, heeft de Hoge Raad geoordeeld over het sinds 2017 geldende gewijzigde forfaitaire stelsel van box 3 van de inkomstenbelasting over inkomsten uit vermogen (de vermogensrendementsheffing). De Hoge Raad besliste dat dit stelsel – met de fictie van de veronderstelde vermogensmix en het veronderstelde rendement van spaartegoeden en beleggingen – op stelselniveau in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de Hoge Raad kan niet langer worden volstaan met de constatering van de schending of een onderzoek naar een individuele buitensporige last. Daarmee ziet de Hoge Raad aanleiding belanghebbende voor de schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot de jaren die in geschil zijn, alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

    In de zaak die voorligt, bezit de belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2018 een box 3 vermogen van omstreeks € 600.000. In 2016 is dit nagenoeg geheel belegd in spaartegoeden, in de drie andere jaren is het voor ongeveer de helft belegd in een recreatiewoning. Voor elk jaar is het forfaitair rendement ongeveer € 6.000; naar de stelling van de belanghebbende is het werkelijk rendement veel minder, aflopend tot nihil in 2018. Voor de beslissing in de zaak in kwestie is relevant of belanghebbende op basis van het recente box 3-arrest recht heeft op rechtsherstel en zo ja, voor welke jaren en voor welk bedrag.

    De zaak is er niet een die in de massaal bezwaar procedure is betrokken. De uitspraken van het Hof in deze zaak dateren van vóór het box-3 arrest van 24 december 2021. Dit brengt mee dat het Hof geen rekening heeft kunnen houden met de oordelen van de Hoge Raad uit dit arrest op het punt van de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau vanaf het jaar 2017 en de mogelijkheid tot het bieden van rechtsherstel in dat verband. Ook is het de vraag of de Hoge Raad in het betreffende decemberarrest is ‘omgegaan’, zodat het ook voor jaren vóór 2017 zou impliceren dat de forfaitaire heffing voor inkomen uit sparen en beleggen op stelselniveau in strijd is met het EVRM.

    De A-G komt in zijn conclusie tot de volgende bevindingen:

    I. Het arrest van 24 december 2021 heeft geen gevolgen voor de box 3 heffing tot en met 2016. De Hoge Raad kent volgens de A-G in het box 3-arrest namelijk nadrukkelijk belang toe aan factoren die in 2017 nieuw zijn. Een en ander wijst er volgens de A-G op dat de Hoge Raad van oordeel is dat de situatie die in 2017 (en daarna) bestond, zodanig verschilt van die uit voorafgaande jaren dat anders moest worden geoordeeld dan ten aanzien van eerdere jaren. Hieruit volgt volgens de A-G dat het arrest niet geldt voor aanslagen die over oudere jaren zijn opgelegd.

    II. Het decemberarrest brengt naar de mening van de A-G niet mee dat box 3 in zijn geheel niet meer zou kunnen worden toegepast. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel voor de belastingplichtigen die als gevolg van dit stelsel worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Dit betekent dat per belastingplichtige moet worden onderzocht in hoeverre hij/zij benadeeld wordt door de box 3 heffing; alleen voor dat deel dient een redelijke op rechtsherstel gerichte compensatie te worden geboden.

    III. De A-G betoogt dat op basis van het decemberarrest rechtsherstel moet worden verleend aan belastingplichtigen die aantonen dat het werkelijk door hen in box 3 behaalde rendement duidelijk minder bedraagt dan het volgens de wet becijferde forfaitaire rendement.

    IV. Naar de mening van de A-G is de precieze invulling van wat een redelijke op rechtsherstel gerichte compensatie is in een concrete zaak, voorbehouden aan de feitenrechters, dus de rechtbanken en de gerechtshoven. Zij zullen – op basis van alle specifieke feiten en omstandigheden van de betreffende zaak – een keuze moeten maken uit de verschillende mogelijkheden om rechtsherstel te bieden. De Hoge Raad kan deze invulling vervolgens marginaal toetsen.

    V. Uit het decemberarrest kan worden afgeleid dat in ‘normale gevallen’ het reële rendement kan worden bepaald als de netto opbrengst van reguliere baten zoals rente, dividend en huur, zonder aftrek van financieringskosten. Partijen kunnen ook tot een vergelijk komen en gezamenlijk het bedrag vaststellen van het werkelijke rendement. Zij zouden er ook bijvoorbeeld voor kunnen kiezen de wettelijke forfaits toe te passen op de spaargelden en het overig vermogen van de belastingplichtige.

    De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016 en gegrond voor zover het ziet op de jaren 2017 en 2018, met verwijzing van het geschil naar een hof om te beoordelen of en – zo ja – voor welk bedrag aan belanghebbende rechtsherstel moet worden verleend voor de jaren 2017 en 2018.

    Antwoord
  14. Zie dit artikel van Merijn van Leeuwen: Een verzoek tot ambtshalve vermindering van box 3 loont!
    Daarin:
    Ondanks termijnoverschrijding toch rechtsherstel
    Onlangs verscheen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank heeft in zijn uitspraak direct het arrest van de Hoge Raad toegepast. De rechtbank oordeelde dat slechts het werkelijke rendement in box 3 mag worden belast.
    Interessant detail in deze zaak is dat het bezwaar tegen de aanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Via een verzoek tot ambtshalve vermindering is de zaak uiteindelijk toch tot de rechter gekomen, met gunstige afloop. Een verzoek om ambtshalve vermindering kan dus zeker lonen!
    Lees verder op:
    https://ft-advocaten.nl/nieuws/een-verzoek-tot-ambtshalve-vermindering-van-box-3-loont/.
    De uitspraak van de Rechtbank is te vinden op rechtspraak.nl :
    ECLI:NL:RBNHO:2022:867

    Deze procedurele mogelijkheid staat ook thans open voor Nederlandse ib aanslagen voor buitenlands belastingplichtigen voor de jaren 2017 en volgende. Hierboven behandelde ik de betekenis van de HR uitspraak voor het kunnen kwalificeren als buitenlands belastingplichtige (en , minder belangrijk, in verband met de CAK bijdrage in bijzondere gevallen).
    Wie denkt door een lager werkelijk rendement dan het forfaitaire over box3 vermogen alsnog te kunnen kwalificeren als buitenlands belastingplichtige kan dus deze weg bewandelen (al is er in de literatuur nog wel discussie over de betekenis van HR jurisprudentie met terugwerkende kracht). Het gaat dan vooral om het voldoen aan het 90% criterium. Je moet wel een aantoonbaar lager werkelijk rendement (over je wereldinkomen) hebben dan het forfaitaire. Kwalificeren betekent dat de Nederlandse fiscale voordelen in verband met persoonlijke en gezinssituatie door Nederland moeten worden toegekend (zoals: aftrekposten en heffingskortingen). Er moet wel aan verdere voorwaarden voldaan zijn (buitenlandse inkomensverklaring, wonen op het grondgebied waar KBB geldt). Vooral voor degenen die een vrij groot box3 forfaitair inkomen hadden kan het interessant zijn, althans als een groot deel daarvan op betaal- op spaarrekeningen stond.

    Antwoord
  15. ECLI:NL:GHAMS:2022:597
    Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 01-03-2022 Datum publicatie 02-03-2022 Zaaknummer 20/00627 t/m 20/00630 Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:8925, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep Inhoudsindicatie
    In geschil is of de belastingheffing ter zake van inkomen uit box 3 voor belanghebbende in de jaren 2015 t/m 2018 geoorloofd is. Voor 2015-2016 oordeelt het Hof dat de box 3-heffing op stelselniveau niet in strijd is met artikel 1 EP. Tevens oordeelt het Hof voor de jaren 2015 – 2018 dat de box 3-heffing niet leidt tot een individuele en buitensporige last. Voor de jaren 2017 en 2018 betrekt het Hof hierin mede het arrest HR 24 december 2021, BNB 2022/27. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 2-3-2022
    GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 20/00627, 20/00628, 20/00629 en 20/00630
    1 maart 2022 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
    op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [Z] , belanghebbende,
    tegen de uitspraak van 22 september 2020 in de zaken met kenmerk HAA 19/3809, 20/977, 20/979 en 20/981 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
    belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,
    daaruit voor de jaren 2015,2016:

    5.5.3.12. Naar het oordeel van het Hof houdt hetgeen hiervoor is overwogen evenwel niet zonder meer in dat zich ten aanzien van belanghebbende een individuele en buitensporige last voordoet. Daarvoor moet immers, zoals de Hoge Raad in (onder meer) de eerste volzin van r.o. 4.3.3 van het arrest BNB 2021/149 heeft overwogen, de gehele financiële situatie van belanghebbende in ogenschouw worden genomen. In dat opzicht is de omstandigheid dat belanghebbende in 2016 in geringe mate moet interen op zijn vermogen om de belasting te voldoen, zoals de Hoge Raad in de derde volzin van rechtsoverweging 4.3.3 van het arrest BNB 2021/149 heeft aangegeven met het woordje “ook”, niet de enige omstandigheid die bij het uiteindelijke oordeel of zich een individuele en buitensporige last voordoet heeft mee te wegen. Die omstandigheid kan een aanwijzing zijn dat belanghebbende door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last (zie de laatste volzin van het arrest). Voor de beoordeling of belanghebbende door de box 3-heffing ook daadwerkelijk is geconfronteerd met een zodanige last, zal het Hof daarom in het navolgende de gehele (uit de gedingstukken blijkende) financiële situatie van belanghebbende bezien.
    5.5.3.13. Bij het in zijn oordeel betrekken van de gehele financiële situatie van belanghebbende acht het Hof het van belang dat belanghebbende in 2016 over een eigen woning beschikt, naast de bank- en spaartegoeden over aandelen en opties ter waarde van ruim € 33.000, en dat de woonlasten beperkt zijn omdat geen hypotheekrente behoeft te worden betaald. Voorts acht het Hof het van belang dat volgens de tabel de waarden van de bank- en spaartegoeden en van de aandelen en opties voor het jaar 2016 ten opzichte van het jaar 2015 substantieel zijn toegenomen. Indien deze omstandigheden mee in aanmerking worden genomen is het Hof van oordeel dat de vermogensrendementsheffing voor belanghebbende in het jaar 2016 voor belanghebbende niet leidt tot een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP. Dat zich een dergelijke last ten aanzien van belanghebbende voordoet, is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden.
    Beoordeling van de vraag of de vermogensrendementsheffing voor belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 leidt tot een individuele en buitensporige last
    5.6.4.
    Indien in de onderhavige zaak en gelet op het arrest BNB 2022/27 ter zake van de bank- en spaartegoeden van belanghebbende wordt uitgegaan van de in de jaren 2017 en 2018 daadwerkelijk ontvangen rente van respectievelijk € 2.177 en € 572 (als het onder 5.6.2 bedoelde werkelijke rendement), dan leidt dit ter zake van die bank- en spaartegoeden niet tot een heffing die hoger is dan het behaalde rendement, zodat voor belanghebbende ook op deze grond geen sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last. Van een interen is dan geen sprake, vanwege de dienovereenkomstig lagere vermogensrendementsheffing.
    5.6.5.
    Dit oordeel wordt niet anders indien veronderstellenderwijs in aanmerking wordt genomen dat de toename van de waarde van de aandelen en opties als vermeld in de tabel voor het jaar 2018 (€ 41.435) ten opzichte van het jaar 2017 (€ 33.888) een waardestijging van die vermogensbestanddelen inhoudt die tot het onder 5.6.3 bedoelde werkelijke rendement zou zijn te rekenen. Dit, nog daargelaten dat deze waardestijging volgens de in de tabel vermelde afname van de waarde van de bank- en spaartegoeden in 2018 (€ 590.136) ten opzichte van 2017 (€ 609.248) deels zou kunnen worden verklaard uit een substitutie van bank- en spaartegoeden in aandelen en opties. Indien die waardestijging tot het werkelijke rendement zou moeten worden gerekend, dan leidt dit naar het oordeel van het Hof voor belanghebbende evenmin tot een individuele en buitensporige last, omdat de waardestijging (voor zover geen sprake is substitutie en deze om die reden buiten aanmerking zou moeten worden gelaten) weliswaar het besteedbaar inkomen verhoogt, maar niet de vermogensrendementsheffing.
    Slotsom
    5.7.
    Het Hof komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2015 en 2016, beoordeeld op stelselniveau, voor die jaren niet heeft te leiden tot een vernietigen of verminderen van de aanslagen IB/PVV. Voorts heeft de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2015 tot en met 2018 ten aanzien van belanghebbende niet een individuele en buitensporige last tot gevolg. Met het opleggen van de bestreden aanslagen heeft de inspecteur derhalve niet in strijd gehandeld met artikel 1 EP.
    Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De uitspraak van de rechtbank dient derhalve te worden bevestigd.

    Antwoord
  16. Het komt er dus in het kort op neer dat als de overerheid zwendelt en dit door de deze H.R. wordt beoordeeld als onrechtmatig, dat het alsnog wordt vergoeilijkt met allerlei rotsmoezen die er in principe niet toe doen en de overheidsbelastinggaardersclub daarmee de dans ( = vergoeding van geleden schade door “onrechtmatige ontneming”) ontspringt voor bepaalde jaren.
    Zou het daarom komen dat de NL regering zo wordt gewantrouwd ?
    En dat de achterbakse spelletjes over belastingverdragen ( zie die met Duitsland en de verborgen artikelen daarin ) eveneens met argwaan worden bekeken.
    En er zich een angstgevoel bekruipt over wat er nou weer aan zit te komen om ons in het buitenland een “IB/PVV”-poot uit te draaien.

    BOX-3 heffing “buitensporig” of niet, doet niet ter zake : het is en blijft een zwendel !

    INCLUDE ME OUT, Nederland !

    Belazer de kluit maar daar, in eigen huis, maar nooit meer in het buitenland, s.v.p.
    Ministers : blijf met je tengels af van mijn centen waarover ik al belasting heb betaald.

    Een eeuwen oud latijns spreekwoord zegt : NON BIS IN IDEM.
    Ofwel : niet tweemaal over hetzelfde.
    Niet in het strafrecht (2 maal straffen vor hetzelfde vergrijp), noch in de belastingsfeer.
    En de BOX-3 spaarbelasting is nou precies wel waar dat spreekwoord over gaat.
    Discussie overbodig.
    QED.

    Antwoord
  17. https://www.ndfr.nl/content/NTFR2022-973

    lees daar: NTFR 2022/973 – Het spook van de vermogensbelasting
    mr. M.M.Q. Wiezer Werkzaam bij de Belastingdienst. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

    Antwoord
  18. Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalPostbus 200182599 EA ‘S-GRAVENHAGE
    Pagina 1 van 2
    Datum5 april 2022BetreftAanbod technische briefing box 3
    Geachte Voorzitter,
    Graag bied ik u aan een technische briefing te organiseren over box 3 voorafgaand aan het debat dat gepland staat voor 20 april a.s.
    (…)
    Het tweede punt betreft de voorlopige aanslagen 2022 (VA 2022). Met de brief van 28 februari 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd hoe ik daarmee om wil gaan. De voorlopige aanslagen kunnen voor belanghebbenden met een box 3-inkomen te hoog zijn vastgesteld. Zij worden op korte termijn geïnformeerd dat geen (dwang)invorderingsmaatregelen zullen worden genomen en dat geen invorderingsrente gerekend zal worden bij overschrijding van de laatste betaaltermijn. De invordering blijft gepauzeerd tot het box 3-inkomen correct is vastgesteld, dus tot een nieuwe correcte VA 2022 is vastgesteld of tot een definitieve aanslag over belastingjaar 2022 is opgelegd.
    Hoogachtend,
    de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst
    Marnix L.A. van Rij

    Antwoord
  19. ECLI:NL:RBZWB:2022:1814 Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
    Datum uitspraak 07-04-2022 Datum publicatie 07-04-2022
    Zaaknummer AWB 20/9607 en 20/9608
    Rechtsgebieden Belastingrecht
    Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie
    Box 3-heffing 2018; artikel 9.6 Wet IB 2001. Bij belanghebbenden bedraagt de Box 3-heffing in 2018 in totaal € 3.421, terwijl het werkelijke inkomen uit Box 3-vermogen maar € 61 is. Het Box 3-vermogen heeft in 2018 alleen op bankrekeningen gestaan. Gelet op het kerstarrest is niet langer in geschil dat er sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM. Wel is in geschil of de ‘nieuwe-jurisprudentie-uitzondering’ in de weg staat aan ambtshalve vermindering van de aanslagen. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de strijdigheid met het EP reeds voortvloeit uit jurisprudentie die is gewezen vóór 5 juli 2019, zijnde de datum waarop de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Aan de hand van die jurisprudentie heeft de rechtbank een concrete (overkoepelende) ‘fair balance’-toets toegepast op dit geval, waarbij onder meer – naast de individuele impact – het nieuwe Box 3-stelsel is onderzocht in het licht van de jurisprudentie die is gewezen vóór 5 juli 2019, waaronder een arrest van 14 juni 2019. De rechtbank heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat reeds uit jurisprudentie vóór 5 juli 2019 volgt dat het nieuwe stelsel op zichzelf bezien inherent problematisch is uit oogpunt van het EP ten aanzien van de groep spaarders met hogere vermogens. Bij het nieuwe stelsel heeft de wetgever – bij de forfaitaire vermogensmix – gekozen om ook aansluiting te zoeken bij risicovol rendement, waarmee dus voor in elk geval de groep spaarders (verder) afgeweken wordt van de werkelijkheid. Dat belanghebbenden zowel voldoende vermogen als voldoende overig inkomen hebben om de aanslagen te voldoen, weegt in het geheel van alles, met name dat het stelsel inherent onevenwichtig uitwerkt ten aanzien van spaarders met hogere vermogens, onvoldoende zwaar om tot een ander oordeel te komen dan dat de ‘fair balance’ is geschonden.

    Wetsverwijzingen Wet inkomstenbelasting 2001 9.6
    Vindplaatsen Rechtspraak.nl
    Viditax (FutD), 7-4-2022
    Uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
    Belastingrecht, enkelvoudige kamer
    Locatie: Breda Zaaknummers BRE 20/9607 en 20/9608

    uitspraken van 7 april 2022
    Uitspraken als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende 1] , belanghebbende 1, [belanghebbende 2] , belanghebbende 2, beiden wonende te [woonplaats] , samen te noemen: belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst,

    Antwoord
  20. ECLI:NL:GHARL:2022:2513
    Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 29-03-2022 Datum publicatie 08-04-2022 Zaaknummer 20/00851 t/m 20/00854 Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:4160, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep Inhoudsindicatie
    IB/PVV. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Vermogensrendementsheffing 2013-2016. Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl
    nummers 20/00851 tot en met 20/00854 uitspraakdatum: 29 maart 2022
    Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
    op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
    tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2020, nummers AWB 20/792, AWB 20/793, AWB 20/794 en AWB 20/795, in het geding tussen belanghebbende en
    de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven
    daaruit:
    Strijd met artikel 1 EP bij het EVRM?
    4.5.
    Belanghebbende voert, mede naar aanleiding van het kerstarrest, aan dat de box 3-heffing ook voor de jaren 2013 tot en met 2016 de door artikel 1 EP gewaarborgde rechten schendt, en stelt dat het aan de rechter is om in rechtsherstel te voorzien. Belanghebbende heeft in dit kader uitvoerig uiteengezet waarom de aan het forfaitaire stelsel ten grondslag liggende uitgangspunten naar zijn mening onjuist zijn en dat zijn argumenten ten onrechte in de massaal bezwaarprocedure niet aan bod zijn gekomen.
    4.6.
    Het Hof volgt belanghebbende niet in diens standpunt en overweegt daartoe als volgt.
    4.7.
    De Hoge Raad heeft op 14 juni 20196 arrest gewezen in de zes voor massaal bezwaar geselecteerde zaken en geoordeeld dat – uitgaande van het nominale rendement waarbij inflatie en heffingvrij vermogen buiten beschouwing dienen te blijven – mede gelet op het toepasselijke tarief, de box 3-heffing op stelselniveau een schending van artikel 1 EP vormt indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent. De Hoge Raad heeft daarbij evenwel beslist dat met een dergelijke schending een rechtstekort gepaard gaat waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken en dat voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats is, tenzij een individuele belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Voor de jaren 2015 en 2016 is dit niet anders7. Het kerstarrest bevat naar het oordeel van het Hof geen aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van die lijn is teruggekomen voor het systeem zoals dat gold tot en met 2016. Het kerstarrest ziet specifiek op de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 en de (veronderstelde) vermogensmix die daaraan ten grondslag ligt.
    4.8.
    Het Hof ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van de aan de box 3-heffing ten grondslag liggende uitgangspunten, evenmin aanknopingspunten op grond waarvan – in afwijking van de onder 4.7 genoemde jurisprudentie – het bieden van rechtsherstel voor de onderhavige jaren geboden zou zijn.
    4.9.
    Nu belanghebbende uitdrukkelijk heeft gesteld dat voor de jaren 2013 tot en met 2016 géén sprake is van een voor hem individuele en buitensporige last is voor ingrijpen van de rechter geen plaats.

    Antwoord
  21. ECLI:NL:GHARL:2022:2509
    Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 29-03-2022 Datum publicatie 08-04-2022 Zaaknummer 20/00002 en 20/00855 Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:5373, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken
    Hoger beroep Inhoudsindicatie
    IB/PVV. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Vermogensrendementsheffing 2017 en 2018. Regeling op stelselniveau in strijd met art. 1 EP bij het EVRM en art. 14 EVRM. Rechtsherstel. Vindplaatsen Rechtspraak.nl
    nummer 20/00002 en 20/00855
    uitspraakdatum: 29 maart 2022 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
    op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
    tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 22 november 2019, nummer AWB 19/2808, en van 14 augustus 2020, nummer AWB 20/909, in het geding tussen belanghebbende en
    de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)
    daaruit:
    Rechtsherstel wegens schending van artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM
    4.2.
    De Hoge Raad heeft in het kerstarrest geoordeeld dat het met ingang van 1 januari 2017 geldende forfaitaire stelsel van hoofdstuk 5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 op stelselniveau de door artikel 1 EP bij het EVRM, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten schendt. De Hoge Raad heeft daarbij beslist dat rechtsherstel moet worden geboden door te bepalen dat voor de jaren 2017 en 2018 alleen het werkelijke rendement in de heffing mag worden betrokken (althans – zo begrijpt het Hof – voor zover dat lager is dan het in aanmerking genomen forfaitaire rendement).
    4.3.
    Het Hof realiseert zich dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 20214, het geschil in onderhavige zaak geen betrekking kan hebben op de in de massaal bezwaar procedure voorliggende rechtsvraag. Onder die rechtsvraag moet naar het oordeel van het Hof ook de door belanghebbende gestelde schending van artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 26 IVBPR worden begrepen, aangezien deze bepalingen in de kern dezelfde strekking hebben als artikel 14 EVRM (gelijkheidsbeginsel c.q. non-discriminatie). Desalniettemin ziet het Hof aanleiding om thans in deze zaak te beslissen met inachtneming van de in het kerstarrest geformuleerde uitgangspunten. Het Hof komt hiertoe omdat de massaal bezwaarprocedure met de collectieve uitspraak op bezwaar voor de jaren 2017 tot en met 2020 van de Inspecteur van 4 februari 20225 ten einde is gekomen, en omdat in onderhavige zaak het werkelijk rendement is vast te stellen op basis van de stukken van het geding. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat in de onderhavige procedure de belastingaanslagen nog voor liggen en thans onduidelijk is welk gevolg de Inspecteur voor de onderhavige aanslagen IB/PVV verbindt aan voornoemde collectieve uitspraak, op welke wijze een eventuele vermindering van deze aanslag te zijner tijd wordt vormgegeven en of daartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend.
    4.4.
    Partijen hebben ter zitting verklaard dat, voor het geval het Hof aanleiding ziet om rechtsherstel te bieden door voor de jaren 2017 en 2018 alleen het werkelijke rendement in de heffing te betrekken, uitgegaan kan worden van de onder 2.3 genoemde bedragen die zijn opgenomen in het gecorrigeerde overzicht van saldi en rendementen (rente en dividend over 2017 en 2018) in het nader stuk van belanghebbende van 26 maart 2021. Partijen verschillen nog van mening of voor de bepaling van het werkelijke rendement i) moet worden uitgegaan van de nominale rente dan wel de reële rente na correctie voor inflatie en ii) een ongerealiseerd koersverlies op beleggingen van € 250 in aanmerking moet worden genomen.
    4.5.
    Wat betreft de eerste vraag volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 20196, dat voor het bepalen van het werkelijk rendement aansluiting dient te worden gezocht bij het nominaal gerealiseerde rendement. Met betrekking tot de tweede vraag is het Hof van oordeel dat bij het belasten van inkomsten uit sparen en beleggen op basis van het werkelijke rendement geen plaats is voor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker is dat een verlies zich daadwerkelijk voor zal doen.
    4.6.
    Gelet op het hiervoor overwogene moet het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2017 worden verminderd tot € 3.576 en voor het jaar 2018 tot € 2.041.
    4.7.
    Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslagen betreft.

    Antwoord
  22. Buitenlands belastingplichtigen worden slechts terloops genoemd in de contourennota, laat staan de kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Ook eventuele gevolgen voor de CAK-bijdrage niet. Dat geldt zowel voor de hersteloperatie (vanaf 2017), voor de toekomstplannen (vanaf 2025: vermogensaanwasbelasting, met daarin nu nogal wat losse eindjes, zoals verliesverrekening voor waardedalingen), als een tussen liggende overgangsperiode (2023-2024).We zullen dus op een wetsvoorstel moeten wachten voor details om te zien hoe emigranten/buitenlands belastingplichtigen behandeld zullen worden. De vraag is ook nog of definitiebepalingen in belastingverdragen (over de materiële werkingssfeer) aangepast zouden moeten worden. Ik denk in de meeste gevallen niet.Aan Nederland toegewezen box 3 inkomsten uit vermogen zullen in die verdragen meestal in Nederland gelegen onroerend goed en (soms) dividend betreffen.

    Antwoord
  23. HR, 24-02-2022, nr. 21/04407
    ECLI:NL:PHR:2022:180
    Conclusie 24 02 2022
    Inhoudsindicatie
    Belanghebbende klaagt over de toepassing van de vermogensrendementsheffing over de jaren 2015 – 2018. In deze conclusie gaat A-G Niessen in op de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 voor lopende bezwaren. In het box 3 arrest van 24 december 2021, in de media ook wel aangemerkt als het Kerstarrest, heeft de Hoge Raad geoordeeld over het sinds 2017 geldende gewijzigde forfaitaire stelsel van box 3 van de inkomstenbelasting over inkomsten uit vermogen (de vermogensrendementsheffing). De Hoge Raad besliste dat dit stelsel – met de fictie van de veronderstelde vermogensmix en het veronderstelde rendement van spaartegoeden en beleggingen – op stelselniveau in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens de Hoge Raad kan niet langer worden volstaan met de constatering van de schending of een onderzoek naar een individuele buitensporige last. Daarmee ziet de Hoge Raad aanleiding belanghebbende voor de schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot de jaren die in geschil zijn, alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken. In de zaak die voorligt, bezit de belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2018 een box 3 vermogen van omstreeks € 600.000. In 2016 is dit nagenoeg geheel belegd in spaartegoeden, in de drie andere jaren is het voor ongeveer de helft belegd in een recreatiewoning. Voor elk jaar is het forfaitair rendement ongeveer € 6.000; naar de stelling van de belanghebbende is het werkelijk rendement veel minder, aflopend tot nihil in 2018. Voor de beslissing in de zaak in kwestie is relevant of belanghebbende op basis van het recente box 3-arrest recht heeft op rechtsherstel en zo ja, voor welke jaren en voor welk bedrag. De zaak is er niet een die in de massaal bezwaar procedure is betrokken. De uitspraken van het Hof in deze zaak dateren van vóór het box-3 arrest van 24 december 2021. Dit brengt mee dat het Hof geen rekening heeft kunnen houden met de oordelen van de Hoge Raad uit dit arrest op het punt van de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau vanaf het jaar 2017 en de mogelijkheid tot het bieden van rechtsherstel in dat verband. Ook is het de vraag of de Hoge Raad in het betreffende decemberarrest is ‘omgegaan’, zodat het ook voor jaren vóór 2017 zou impliceren dat de forfaitaire heffing voor inkomen uit sparen en beleggen op stelselniveau in strijd is met het EVRM. De A-G komt in zijn conclusie tot de volgende bevindingen: I. Het arrest van 24 december 2021 heeft geen gevolgen voor de box 3 heffing tot en met 2016. De Hoge Raad kent volgens de A-G in het box 3-arrest namelijk nadrukkelijk belang toe aan factoren die in 2017 nieuw zijn. Een en ander wijst er volgens de A-G op dat de Hoge Raad van oordeel is dat de situatie die in 2017 (en daarna) bestond, zodanig verschilt van die uit voorafgaande jaren dat anders moest worden geoordeeld dan ten aanzien van eerdere jaren. Hieruit volgt volgens de A-G dat het arrest niet geldt voor aanslagen die over oudere jaren zijn opgelegd. II. Het decemberarrest brengt naar de mening van de A-G niet mee dat box 3 in zijn geheel niet meer zou kunnen worden toegepast. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel voor de belastingplichtigen die als gevolg van dit stelsel worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Dit betekent dat per belastingplichtige moet worden onderzocht in hoeverre hij/zij benadeeld wordt door de box 3 heffing; alleen voor dat deel dient een redelijke op rechtsherstel gerichte compensatie te worden geboden. III. De A-G betoogt dat op basis van het decemberarrest rechtsherstel moet worden verleend aan belastingplichtigen die aantonen dat het werkelijk door hen in box 3 behaalde rendement duidelijk minder bedraagt dan het volgens de wet becijferde forfaitaire rendement. IV. Naar de mening van de A-G is de precieze invulling van wat een redelijke op rechtsherstel gerichte compensatie is in een concrete zaak, voorbehouden aan de feitenrechters, dus de rechtbanken en de gerechtshoven. Zij zullen – op basis van alle specifieke feiten en omstandigheden van de betreffende zaak – een keuze moeten maken uit de verschillende mogelijkheden om rechtsherstel te bieden. De Hoge Raad kan deze invulling vervolgens marginaal toetsen. V. Uit het decemberarrest kan worden afgeleid dat in ‘normale gevallen’ het reële rendement kan worden bepaald als de netto opbrengst van reguliere baten zoals rente, dividend en huur, zonder aftrek van financieringskosten. Partijen kunnen ook tot een vergelijk komen en gezamenlijk het bedrag vaststellen van het werkelijke rendement. Zij zouden er ook bijvoorbeeld voor kunnen kiezen de wettelijke forfaits toe te passen op de spaargelden en het overig vermogen van de belastingplichtige. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard voor zover het ziet op de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 en 2016 en gegrond voor zover het ziet op de jaren 2017 en 2018, met verwijzing van het geschil naar een hof om te beoordelen of en – zo ja – voor welk bedrag aan belanghebbende rechtsherstel moet worden verleend voor de jaren 2017 en 2018.
    PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
    Nummer 21/04407 Datum 24 februari 2022 Belastingkamer III
    Onderwerp/tijdvak IB / PVV 2015 tot en met 2018
    Nr. Gerechtshof BK- 20/00719 tot en met BK- 20/00722
    Nr. Rechtbank SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958
    CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen

    Antwoord
  24. ECLI:NL:PHR:2022:293 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 24-03-2022 Datum publicatie 21-04-2022 Zaaknummer 21/04407 Oorspronkelijke conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:180
    Rechtsgebieden Belastingrecht Inhoudsindicatie aanvullende conclusie 21/04407 Vindplaatsen Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 21-4-2022
    Conclusie PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
    Nummer 21/04407 Datum 24 maart 2022 Belastingkamer III Onderwerp/tijdvak IB / PVV 2015 tot en met 2018
    Nr. Gerechtshof BK- 20/00719 tot en met BK- 20/00722 Nr. Rechtbank SGR 19/7840, SGR 19/7842, SGR 20/957 en SGR 20/958
    CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen in de zaak van [X] tegen de Staatssecretaris van Financiën
    Aanvullend op zijn conclusie van 24 februari 2022, gaat A-G Niessen in deze conclusie in op de vraag of belastingplichtigen die niet dan wel niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun aanslag IB/PVV, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 inzake box 3 van de inkomstenbelasting ook aanspraak kunnen maken op rechtsherstel.
    Daaruit:
    2. Rechtsherstel ook voor belastingplichtigen die niet – tijdig – bezwaar hebben gemaakt?
    2.1
    Naar aanleiding van het Kerstarrest, is – onder meer in de media9 – de vraag gerezen of het wenselijk dan wel rechtens noodzakelijk is om niet alleen de belastingplichtigen die (tijdig) bezwaar hebben gemaakt tegen hun aanslag IB/PVV voor de jaren 2017 en verder rechtsherstel te bieden op grond van het Kerstarrest, maar ook aan belastingplichtigen die niet dan wel niet tijdig bezwaar hebben gemaakt. Hierna ga ik hierop in, doch niet voor zover het gaat om de vraag wat uit bestuurlijk oogpunt wenselijk zou kunnen zijn.
    2.2
    In de literatuur is uitvoerig aandacht besteed aan de vraag welke rechtsmiddelen belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt, ter beschikking staan. Een veel genoemde mogelijkheid is die van ambtshalve vermindering op grond van art. 9.6 Wet IB 2001 jo. art. 45aa URIB 2001. De betreffende belastingplichtige dient dan binnen een periode van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft, een dergelijk verzoek in te dienen bij de inspecteur.
    2.3
    De ambtshalve vermindering vindt niet plaats indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit rechtspraak die eerst is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald (zie art. 45aa, onderdeel b, URIB 2001). De Staatssecretaris beschikt aldus over de bevoegdheid om te bepalen dat toch ambtshalve vermindering wordt verleend aan belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen hun aanslag.
    2.4
    Perdaems en anderen betogen ook dat de belastingrechter in deze situatie mogelijk voorbij zou kunnen gaan aan de hierboven genoemde beperking van de ambtshalve vermindering op grond van art. 45aa URIB 2001, vanwege een schending van Europees recht.10
    2.5
    Het EU-recht komt hierbij evenwel niet aan de orde, aangezien het een zuiver nationale kwestie betreft en de toepassing van grondrechten op de voet van het Handvest voor de Grondrechten ingevolge art. 51 is beperkt tot gevallen waarin het EU-recht wordt toegepast.
    2.6
    Wel rijst de vraag of een schending van art. 14 EVRM en art. 1 EP ertoe noopt restitutie te verlenen op onherroepelijke aanslagen wegens het in art. 13 EVRM vastgelegde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. De staatssecretaris heeft de landsadvocaat dienaangaande om advies gevraagd. Dit advies van 27 januari 2022 is gepubliceerd als bijlage bij brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer.11
    2.7
    De landsadvocaat betoogt dat art. 13 EVRM niet dwingt tot het buiten toepassing laten van art. 45aa URIB 2001 in gevallen waarin geen bezwaar is gemaakt tegen de heffing van box 3 voor de jaren 2017 en 2018 en de aanslagen onherroepelijk vaststaan. De belastingplichtigen aan wie een aanslag is opgelegd, hebben de mogelijkheid gehad om bezwaar te maken tegen deze aanslag; daarmee is volgens de landsadvocaat – in overeenstemming met het nationale recht – een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM geboden en is ook sprake van “sufficient remedy”12. Hiervoor is volgens de landsadvocaat blijkens vaste rechtspraak van het EHRM13 ook niet vereist dat degenen die niet binnen de bezwaartermijn van het geboden rechtsmiddel gebruik hebben gemaakt, daar alsnog toe in staat zouden moeten worden gesteld.
    2.8
    Bovenstaande neemt volgens de landsadvocaat echter niet weg dat er wel argumenten zijn die ervoor pleiten dat het afzien van ambtshalve vermindering “evident onredelijk” zou kunnen zijn, zodat art. 45aa URIB 2001 in deze gevallen niet kan worden toegepast. Hierbij wijst de landsadvocaat onder meer op de omstandigheden dat: (i) er sprake is van strijdigheid met fundamentele Europese rechten, (ii) de Hoge Raad al eerder in het licht van art. 1 EP op mogelijke tekortkomingen ten aanzien van de heffing van box 3 heeft gewezen en deze tekortkomingen nog niet zijn hersteld onder de huidige regeling en (iii) een belastingplichtige erop mag vertrouwen dat de wetgever door de rechter geconstateerde gebreken deugdelijk herstelt. In dat verband zou volgens de landsadvocaat de vraag kunnen worden opgeworpen of de wetgever wel heeft gedaan wat van hem mocht worden verwacht, door “op deze wijze om te gaan met de eerder door de Hoge Raad geconstateerde gebreken”. Dat zou volgens de landsadvocaat mogelijk aanleiding kunnen zijn voor een opvatting dat het hier evident onredelijk is om niet tot ambtshalve vermindering over te gaan.
    2.9
    Ik merk hierbij op dat ook al geruime tijd wordt geprocedeerd over de geldigheid van de box 3 heffing voor eerdere jaren dan 2017 in het licht van de mensenrechtenverdragen. In eerdere arresten heeft de Hoge Raad al ruimte geboden voor rechtsherstel van de schending van art. 1 EP in gevallen waarin sprake is van een individuele en buitensporige last.14 Gelet op de vele aandacht die is besteed aan deze jurisprudentie, kon het belastingplichtigen die een substantieel belang bij deze heffing hadden, en hun adviseurs nauwelijks zijn ontgaan dat in de rechtspraak op dit terrein beweging zat. Dit aspect kan een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het evident onredelijk is dat belastingplichtigen die ervoor kozen niet in bezwaar en beroep te gaan tegen de gerenoveerde heffing, niet alsnog voor rechtsherstel in aanmerking komen. Verder kan bij die afweging een rol spelen hoe is gehandeld bij eerdere massaal-bezwaren en andere kwesties.
    2.10
    Tegelijkertijd merkt de landsadvocaat op dat de Hoge Raad in het Kerstarrest bij de overwegingen over het rechtsherstel uitsluitend wijst op de geschillen die naar aanleiding van gemaakte bezwaren tegen de aanslagen nog moeten worden beslecht (en dus niet op onherroepelijke aanslagen). Een schending van fundamentele rechten leidt volgens de landsadvocaat ook niet zonder meer tot de conclusie dat afzien van herziening van onherroepelijke besluiten evident onredelijk is. Daarnaast ligt het volgens de landsadvocaat in de lijn der verwachting dat belastingplichtigen voor wie de box 3 heffing ongunstig uitpakt, bezwaar hebben gemaakt dan wel daar weloverwogen vanaf hebben gezien.
    2.11
    Al bovengenoemde argumenten zouden volgens de landsadvocaat een plaats moeten krijgen in de politiek-bestuurlijke afweging die moet worden gemaakt of tot ambtshalve vermindering zal worden overgegaan, en daarmee de afweging of in een breed rechtsherstel zal worden voorzien of dat het rechtsherstel wordt beperkt tot degenen die bezwaar hebben gemaakt tegen hun aanslag.
    2.12
    Ik volsta met de conclusie dat art. 13 EVRM niet ertoe dwingt terug te komen op onherroepelijk vaststaande aanslagen waarvoor een verzoek tot ambtshalve vermindering is ingediend na het wijzen van het Kerstarrest.
    2.13
    Deze situatie dient naar mijn mening echter te worden onderscheiden van die waarin een belastingplichtige niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de belastingaanslag en dit bezwaar vervolgens is aangemerkt als een verzoek tot ambtshalve vermindering in de periode voordat het Kerstarrest werd gewezen (zoals ook het geval is in de onderhavige zaak).
    2.14
    Reeds uit rechtspraak die is gewezen vóór indiening van het verzoek om ambtshalve vermindering in de onderhavige zaak, volgt dat de aanslag IB/PVV onjuist was. Er was immers al eerder door de Hoge Raad geoordeeld dat de box 3 heffing in strijd met het EVRM was en onder zekere voorwaarden werd rechtsherstel verleend.15 De kern van deze eerdere rechtspraak is niet gewijzigd; het Kerstarrest verbindt aan de strijdigheid met de fundamentele rechten wel een ruimer rechtsherstel. Het geval waarop art. 45aa, lid 3, URIB 2001 ziet, is hier dus niet aan de orde.
    2.15
    Dat is eens temeer zo omdat bij de invoering van art. 9.6 Wet IB 2001 het rechtsmiddel waar het hier om gaat, van aard is veranderd. Voordien gold ook voor de toepassing van de inkomstenbelasting dat art. 65 AWR de mogelijkheid bood van een ‘ambtshalve vermindering’. Dit hield in dat de wet de mogelijkheid bood om na onherroepelijk worden van de aanslag vermindering daarvan te verzoeken waarbij aan de fiscale autoriteiten een zekere ruimte werd geboden om het verzoek al dan niet in te willigen. Tegen die beslissing stond niet een administratieve rechtsgang open. Na invoering van art. 9.6 Wet IB 2001 is art. 65 AWR niet meer van toepassing in de inkomstenbelasting en is een vergelijkbare regeling ingevoerd in genoemd art. 9.6. Alhoewel in dat artikel nog steeds wordt gesproken van een ‘ambtshalve vermindering’, is de regeling niet meer ambtshalve in de zin dat zij een discretionaire bevoegdheid aan de inspecteur zou verlenen. Par consequence neemt de inspecteur de beslissing op de betreffende ‘verzoeken’ sedertdien – ingevolge art. 9.6 en anders dan bij toepassing van art. 65 AWR – bij voor bezwaar vatbare beschikking.16 Dit brengt mee dat hier sprake is van een afdwingbaar recht met volledige administratieve rechtsgang en niet een louter ter discretie van de fiscus staande beslissing.
    2.16
    Het gevolg daarvan is dat zolang de weg van art. 9.6 Wet IB 2001 openstaat, niet sprake is van een onherroepelijk geworden aanslag.17 Nieuwe rechtspraak die tot stand komt terwijl de procedure van art. 9.6 Wet IB 2001 loopt, zal derhalve bij de toepassing van dat artikel mede in aanmerking moeten worden genomen. Zo niet, dan zou een belastingplichtige die zich met een rechtsgeldige klacht tot de rechter wendt, worden afgehouden van de lopende het geschil voortgegane rechtsontwikkeling.
    2.17
    In die situatie kan naar mijn mening het Kerstarrest wel worden toegepast, nu het gaat om een geschil over de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau met art. 14 EVRM en art. 1 EP. Ervan uitgaande dat de ontvankelijkheid van het verzoek om ambtshalve vermindering niet (meer) in geschil is, is dan geen sprake van onjuistheid van de belastingaanslag die voortvloeit uit rechtspraak die eerst is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan.
    2.18
    Een dergelijk geval was aan de orde in een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.18 Het niet tijdig ingediende bezwaar van de betreffende belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 was aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De belanghebbende in die zaak stelde zich op het standpunt dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP en art. 14 EVRM en dat sprake was van een individuele en buitensporige last. De Rechtbank paste het Kerstarrest toe en oordeelde dat het beroep van de belanghebbende gegrond was. Voor zover de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2017 resulteert in een belastingheffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, zoals hier het geval is, leidt dit tot een schending van de door art. 1 EP in samenhang met art. 14 EVRM gewaarborgde rechten, aldus de Rechtbank. Voor deze schending moet naar het oordeel van de Rechtbank rechtsherstel worden geboden door alleen het werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

    Antwoord
  25. ECLI:NL:PHR:2022:318
    Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 01-04-2022 Datum publicatie 22-04-2022 Zaaknummer 21/03579 Rechtsgebieden
    Belastingrecht Bijzondere kenmerken –
    Inhoudsindicatie
    A-G Niessen heeft een conclusie genomen inzake een geschil over de vraag of de waarde(stijging) van een appartement dat een geëmigreerde belastingplichtige heeft aangehouden voor eigen gebruik, is aan te merken als ‘inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie van onroerende zaken’ in de zin van art. 6, lid 3, van het belastingverdrag tussen Nederland en Mexico.
    Belanghebbende en zijn echtgenote zijn geëmigreerd naar Mexico. Zij zijn samen eigenaar van een onroerende zaak in Nederland gebleven. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2018 de helft van de waarde van de onroerende zaak aangegeven als bezitting in box 3. In geschil of de aanslag in stand kan blijven.
    Het Hof is van oordeel dat voor de uitlegging van het begrip ‘inkomsten uit exploitatie’ moet worden aangesloten bij de betekenis die volgt uit de Nederlandse belastingwetgeving. Naar het oordeel van het Hof, heeft de Inspecteur terecht het appartement van belanghebbende in de grondslag van box 3 begrepen. Het begrip ‘exploitatie’ uit art. 6, lid 3, van het Verdrag dient ruim te worden uitgelegd en ziet volgens het Hof op iedere aanwending van een onroerende zaak die leidt tot – werkelijke of forfaitair te bepalen – voordelen die als inkomsten worden beschouwd door de Nederlandse fiscale wetgeving.
    Belanghebbende voert in cassatie verschillende klachten aan. Volgens belanghebbende zijn de interpretatie en toepassing van art. 6, lid 3, Verdrag door het Hof in strijd met het Verdrag, omdat slechts de werkelijke inkomsten verkregen uit de exploitatie van onroerende zaken mogen worden belast. Ook klaagt belanghebbende dat de forfaitaire heffing van box 3 daarnaast op andere, praktische bezwaren stuit.
    Nu het begrip ‘inkomsten verkregen uit de exploitatie van onroerende zaken’ niet is gedefinieerd in het Verdrag, dient volgens de A-G op grond van art. 3, lid 2, Verdrag voor de uitlegging van dit begrip te worden aangesloten bij de betekenis naar nationaal recht. Onder de Wet IB 2001 worden in Nederland gelegen onroerende zaken naar hun WOZ-waarde in aanmerking genomen voor de bepaling van het fictieve rendement uit sparen en beleggen. Dit brengt mee dat waardeveranderingen en/of de waarde van gebruik dan wel beschikbaarheid van de in Nederland gelegen onroerende zaak tot de rendementsgrondslag kunnen behoren. De omstandigheid dat belanghebbende en zijn echtgenote het appartement niet hebben verhuurd of hebben geëxploiteerd ter uitoefening van een bedrijf, is echter naar de mening van de A-G niet relevant. De klacht faalt.
    De andere klacht van belanghebbende houdt in de kern in dat de vermogensrendementsheffing ten onrechte is, en dat in plaats daarvan alleen het werkelijke rendement zou mogen worden belast. De onderhavige zaak dateert van vóór het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dit brengt mee dat zowel het Hof als partijen hiermee geen rekening hebben kunnen houden. Als gevolg hiervan moet naar de mening van de A-G worden onderzocht of en – zo ja – in hoeverre belanghebbende wordt benadeeld door de box 3 heffing. Alleen in dat geval en voor dat deel dient volgens de A-G een redelijke op rechtsherstel gerichte compensatie geboden te worden.
    De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat het geschil wordt verwezen naar een ander hof.
    Vindplaatsen Rechtspraak.nl PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
    Nummer 21/03579 Datum 1 april 2022 Belastingkamer III
    Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting 2018 Nr. Gerechtshof 20/00565 Nr. Rechtbank BRE – 20/97 CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen

    Antwoord
    • zie ook deze samenvatting van de Conclusie heden op https://www.taxence.nl:

      A-G bepleit ook rechtsherstel box 3 voor niet-bezwaarmakers
      25 april 2022 DOOR REMCO LATOUR

      Antwoord
  26. Bezwaarmakers box 3 krijgen voor 4 augustus herstel met spaarvariant
    Nieuwsbericht | 28-04-2022 | 13:26
    De ongeveer 60.000 mensen die bezwaar hebben gemaakt tegen de heffing in box 3 over de belastingjaren 2017-2020 ontvangen voor 4 augustus automatisch rechtsherstel volgens de zogenaamde ‘spaarvariant’. Hierbij krijgen voornamelijk mensen met spaargeld geld terug. Dit herstel geldt ook voor nog niet vastgestelde of opgelegde aanslagen box 3 (onder andere 2020 en 2021). Dit heeft het kabinet donderdag in een brief aan de Tweede Kamer bekend gemaakt, naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad van eind vorig jaar.

    https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/04/28/bezwaarmakers-box-3-krijgen-voor-4-augustus-herstel-met-spaarvariant#:~:text=De%20ongeveer%2060.000%20mensen%20die,mensen%20met%20spaargeld%20geld%20terug

    Antwoord
  27. ECLI:NL:GHAMS:2022:804
    Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 15-03-2022 Datum publicatie 04-05-2022 Zaaknummer 20/00734 t/m 20/00743 Formele relaties
    Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:9098, Bekrachtiging/bevestiging Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
    box 3 heffing; hoger beroep ongegrond; de belastingheffing in box 3 vormt voor belanghebbende geen individuele en buitensporige last Vindplaatsen
    Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 4-5-2022
    GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 20/00734 tot en met 20/00743
    15 maart 2022 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
    op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
    gemachtigde: [partner] tegen de uitspraak van 30 oktober 2020 in de zaken met kenmerken HAA 20/259 tot en met 20/268 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst,
    daaruit:
    Oordeel Hof
    5.4.1.
    Het Hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank en het maakt de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden (in rechtsoverweging 10 tot en met 32 van haar uitspraak) tot de zijne. Evenals de rechtbank acht het Hof de hoogte van de voor de jaren 2007 tot en met 2015 opgelegde vergrijpboeten (vóór de ambtshalve vermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn), gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, passend en geboden. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, voegt het Hof daaraan het volgende toe.
    5.4.2.
    De rechtbank heeft ter zake van de vraag of de heffing in box 3 op stelselniveau strijdig is met artikel 1 EP, het juiste toetsingskader gehanteerd. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 14 van haar uitspraak terecht heeft overwogen, blijkt uit het arrest HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 (r.o. 2.6.1 en 2.6.2) dat bij de beoordeling van de vraag of het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers nog haalbaar is, een nominaal rendement tot uitgangspunt moet worden genomen, en niet een nominaal rendement verminderd met de kerninflatie. In rechtsoverweging 2.6.2 van het voormelde arrest heeft de Hoge Raad meegewogen dat in het systeem van de Wet IB 2001 niet direct rekening wordt gehouden met de invloed van inflatie. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de belastingheffing in box 3 voor de in geschil zijnde jaren op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP respectievelijk niet noopt tot rechterlijk ingrijpen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 brengt hierin geen wijziging, aangezien dit arrest betrekking heeft op de met ingang van 1 januari 2017 gewijzigde wettelijke regeling inzake de vermogensrendementsheffing.
    5.4.3
    Aan het (juiste) toetsingskader dat de rechtbank heeft geformuleerd bij de vraag of de belastingheffing in box 3 in de in geschil zijnde jaren voor belanghebbende heeft geresulteerd in een individuele en buitensporige last, voegt het Hof het na de uitspraak van de rechtbank gewezen arrest Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047 toe (hierna ook: het arrest van 2 juli 2021). In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
    “4.3.3. Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.[voetnoot 4: vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831.] De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last.”
    5.4.4.
    Gelet op het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gehanteerde toetsingskader, zoals vermeld in rechtsoverweging 19 van de rechtbankuitspraak en zoals aangevuld in het hiervoor vermelde arrest, gaat belanghebbende uit van een onjuiste rechtsopvatting met haar standpunt dat reeds geconcludeerd moet worden tot een individuele en buitensporige last indien het werkelijke rendement op de door haar bij [bank] aangehouden spaarrekening lager is dan de daarover verschuldigde belasting in box 3. Aan de beoordeling of zich een ‘interen’ heeft voorgedaan als bedoeld in het arrest van 2 juli 2021, wordt eerst toegekomen indien is komen vast te staan dat de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen als geheel – van belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk – hoger is dan het werkelijke rendement op de vermogensbestanddelen die in het desbetreffende tot de rendementsgrondslag van belanghebbende en de echtgenoot zijn gerekend. Bij belanghebbende en zijn echtgenote moet dan niet alleen de in Luxemburg aangehouden spaarrekening bij [bank] in de vergelijking worden betrokken, maar ook de overige bank- en spaartegoeden, de aandelen en de overige onroerende zaken (zie het onder 2.2 opgenomen overzicht).
    5.4.5.
    Belanghebbende, op wie de bewijslast rust van haar stelling dat de belastingheffing in box 3 voor haar resulteert in een individuele en buitensporige last, heeft in haar processtukken uitsluitend de jaarlijks genoten rente op de spaartegoeden bij [bank] vermeld. Zij heeft geen inzicht gegeven in het genoten rendement op de overige bank- en spaartegoeden, de door haar en de echtgenoot gehouden aandelen en de tweede woning. De stukken van het geding bieden hiervoor ook overigens geen aanknopingspunten. Daardoor kan niet worden vastgesteld of in een of meer jaren de heffing in box 3 het werkelijke rendement op de door belanghebbende en de echtgenoot gehouden vermogensbestanddelen heeft overtroffen, zodat het Hof niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of zich een ‘interen’ heeft voorgedaan als bedoeld in het arrest van 2 juli 2021. Overigens merkt het Hof hierbij op dat een dergelijk ‘interen’ een aanwijzing kan zijn dat zich voor de belanghebbende een individuele en buitensporige last heeft voorgedaan, maar dat die conclusie daarmee nog niet vaststaat; daarvoor moet de heffing immers tevens worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de belanghebbende (zie het arrest van 2 juli 2021).
    5.4.6.
    Belanghebbende heeft verder geen feiten en omstandigheden aangedragen ter onderbouwing van haar standpunt dat de belastingheffing in box 3 voor haar een individuele en buitensporige last vormt. Met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de onder 2.2 en 2.4 vermelde gegevens omtrent de door belanghebbende en de echtgenoot genoten inkomens uit werk en woning alsmede de door hen gehouden vermogensbestanddelen, is het Hof evenals de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat zich een zodanige last heeft voorgedaan; niet aannemelijk is geworden dat de belastingheffing in box 3 heeft geleid tot een last die zich in het geval van belanghebbende sterker laat voelen dan in het algemeen. Ook op dit punt treft het hoger beroep van belanghebbende geen doel.
    5.4.7.
    Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof komt niet toe aan een beoordeling van het beroep van de inspecteur op interne compensatie.
    Slotsom
    5.5.
    De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

    Antwoord
    • Ondanks alle fraaie bewoordingen en volzinnen, mitsen en maren van de resp. rechtbanken/gerechtshoven blijft staan :
      Dat wat van mij is van mij en daar blijft een ander van af !
      En als je dat met alle geweld een heffing op wilt leggen, overheid, doe dat dan naar redelijkheid en billijkheid en niet stomweg met een ambtelijk regeltje en vaste percentages uit het niet gegrepen.
      Trek van de “opbrengst” dan een een “landelijk” inflatie percentage vanaf dat gebaseerd is op alle huishoudens en alle kosten, energie-belastingen en bankkosten inbegrepen.
      Daarna pas heffen over de netto reeele opbrengst.
      Met een vrijstelling voor eerste 2 tranches van de IB.

      Indien overgegaan wordt naar een “gouwe ouwe” kapitaal-belasting, zoals gesuggereerd in diverse artikelen, doe dat dan met een redelijke hoge franchise en niet met/vanaf een karig minimum vrijstellingsbedrag zoals nu.

      Frankrijk kent een franchise van ruim een miljoen euro (ISF/ISI), gebaseerd op het feit dat mensen ooit hebben willen sparen voor een oude dagsvoorziening.
      Naast een al dan niet karig pensioentje of een algehele afwezigheid daarvan (zpp’ers).
      En dat het zuurverdiende kapitaaltje dan niet al van te voren wordt ingepikt door een fiscale handeling via een BOX-3 of andere trucs.
      Nee, juist het sparen en weer beleggen wordt gestimuleerd om de economie op peil te houden en geld te laten ciculeren.

      Het argument dat sparen betekent dat er geen uitgaven worden gedaan die BTW opleveren voor de overheid, is een non-argument, maar wel de ondeliggende gedachte voor de Box-3 heffingen “wegens gemist inkomen” dat gecompenseerd dient te worden vanuit dat overheidsstandpunt.

      En daar hoor de de rechters niet over.
      Dat zijn ook overheidsdienaren, linksom of rechtsom en wiens brood men eet ……..

      Antwoord
  28. Kamerbrief van staatssecretaris over rechtsherstel box 3:

    Datum10 mei 2022BetreftRegelingen waarop het rechtsherstel box 3 effect heeft
    Geachte voorzitter,

    In mijn brief van 28 april jl.1 heb ik uw Kamer gemeld dat er diverse (inkomensafhankelijke) regelingen zijn waar doorwerking plaatsvindt bij aanpassing van het verzamelinkomen naar aanleiding van het rechtsherstel box-3.
    Tijdens het commissiedebat ‘Opties voor rechtsherstel box-3’ op 20 april jl. heb ik in antwoord op een vraag van het lid Omtzigt ook toegezegd uw Kamer te informeren over welke regelingen het tenminste gaat.
    Het rechtsherstel box-3 zal voor veel burgers tot gevolg hebben dat het box 3-inkomen daalt, waardoor ook het verzamelinkomen daalt. Voor regelingen die de omvang van de vergoeding afhankelijk stellen van dit verzamelinkomen kan daarmee sprake zijn van een doorwerking. De Belastingdienst levert het aangepaste verzamelinkomen aan; uitvoering wordt gedaan door een veelheid aan organisaties die dit gegeven afnemen.
    Uit een interdepartementale inventarisatie zijn tenminste de volgende regelingen naar voren gekomen waarvan reeds bekend is, of verwacht wordt, dat er sprake is van budgettaire impact:
    1 Kamerstukken II, 2021-2022, 3240, nr. 106.
    Daarnaast zijn er enkele regelingen die gebruik maken van het verzamelinkomen, waarbij het zou kunnen zijn dat er een effect optreedt. Dit zijn onder andere erfbelasting, Wet op de Rechtsbijstand, Energiebespaarlening via het Warmtefonds en de huurtoeslag. Een uitvoeringstoets zal uitsluitsel moeten bieden.
    Voor de bepaling van de precieze effecten van het rechtsherstel box-3 op deze en mogelijk andere regelingen die gebruik maken van het verzamelinkomen, worden de geëigende stappen doorlopen: na besluitvorming wordt de uitvoerbaarheid getoetst door middel van een uitvoeringstoets. Uitgangspunt is dat waar dit doorwerkt naar regelingen die worden uitgevoerd door de Belastingdienst en DG Toeslagen dit bij het herstel automatisch wordt aangepast. De burger hoeft hier geen actie voor te ondernemen.
    Over hoe dit er precies uitziet voor andere regelingen ben ik in overleg met de departementen wier regelgeving het betreft.
    De budgettaire derving van deze doorwerking naar andere regelingen is onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming, zoals vermeld in de Kamerbrief van 28 april jl.
    Hoogachtend,
    de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst
    Marnix L.A. van Rij
    Regeling : Uitgevoerd door:

    1 Kinderopvangtoeslag DG Toeslagen
    2 Wet Kindgebonden Budget DG Toeslagen
    3 Zorgtoeslag DG Toeslagen
    4 Ouderenkorting Belastingdienst
    5 Aanvullende Beurs DUO
    6 Tegemoetkoming uit de Wet tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Scholing (WTOS) DUO
    7 Draagkrachtberekening DUO
    8 Bijverdiengrens in het MBO DUO
    9 Inkomensafhankelijke hogere huurverhoging Verhuurders (Belastingdienst levert op aanvraag gegevens)
    10 Eigen Bijdrage WLZ/WMO CAK

    https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2022/05/10/kamerbrief-regelingen-waarop-het-rechtsherstel-box-3-effect-heeft

    Antwoord
  29. Commentaar jdv: hoewel de opsomming niet limitatief blijkt te zijn is opvallend dat de regeling kwalificerende buitenlandse belastingplicht niet genoemd is. Zoals hierboven genoemd kan deze wel degelijk in het geding zijn, namelijk indien bij hertoetsing op het 90% inkomenscriterium blijkt dat men alsnog wel aan dit criterium voldoet.
    Evenmin wordt de CAK bijdrage van verdragsgerechtigden genoemd die, waarschijnlijk in minder gevallen, ook verlaagd zou moeten worden bij toepassing werkelijk rendement in box 3.

    Antwoord
  30. Bij uitspraak van 10 mei 2022 heeft de Rechtbank Breda gevolg gegeven aan het kerstarrest van de hoge Raad door op basis daarvan een in Duitsland wonende buitenlands belastingplichtige alsnog als kwalificerend aan te merken aangezien zijn werkelijke box 3 rendement (649 Euro) ver beneden het forfaitaire rendement (ong. 15000 Euro) lag, waardoor hij alsnog aan de 90% inkomenseis voldeed. Ten principale is dit een belangrijke uitspraak, zij het dat niet alle geclaimde onderhoudsverplichtingen in aftrek gehonoreerd zijn. Het gaat om arrest BRE21/12 IBPVV, waaruit ik uitgebreider zal citeren na publicatie. De VBNGB ondersteunde deze zaak.
    Af te wachten is of de belastingnspecteur in hoger beroep zal gaan .

    Antwoord
  31. Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2022-17063.html
    Inkomstenbelasting. Besluit rechtsherstel box 3 Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek Besluit van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, bevat dit besluit de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 voor nog niet onherroepelijk vaststaande en nog niet vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022., daaruit:

    2. Doelgroepen rechtsherstel box 3
    Rechtsherstel wordt geboden aan drie groepen belastingplichtigen en uitsluitend voor aanslagen inkomstenbelasting voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022. Ten eerste wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen die tijdig voor dat betreffende kalenderjaar een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting en van wie het bezwaar is aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c AWR (doelgroep 1). Ten tweede wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen van wie een vastgestelde aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen, op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond en die niet hebben meegelopen met de hiervoor genoemde massaalbezwaarprocedure en aan belastingplichtigen van wie een aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen, na 24 december 2021 en voor de inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het eerdergenoemde arrest (doelgroep 2). Ten derde wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit en sparen en beleggen, bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is vastgesteld (doelgroep 3).4 Voor alle doelgroepen geldt dat het rechtsherstel enkel wordt geboden als het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen. Als dit niet het geval is, wordt geen rechtsherstel geboden. 3. Vormgeving van het rechtsherstel In dit onderdeel wordt ingegaan op de wijze waarop het voordeel uit sparen en beleggen in het rechtsherstel wordt berekend (onderdeel 3.1) en wanneer de aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd of wordt vastgesteld op basis van het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen (onderdeel 3.2).
    (..)
    3.1 Berekening nieuwe voordeel uit sparen en beleggen Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke (in de aangifte inkomstenbelasting aangegeven) samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor iedere vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend door vier stappen te doorlopen. Voor zover deze stappen niet afwijken van het wettelijke kader, gelden de wettelijke bepalingen onverkort (zoals de in hoofdstuk 5 Wet IB 2001 opgenomen vrijstellingen).
    Stap 1 – splitsen van de bezittingen en schulden in drie vermogenscategorieën
    Stap 2 – berekenen van het rendement in de verschillende vermogenscategorieën
    Stap 3 – berekenen van het rendementspercentage
    Stap 4 – berekenen van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen
    (..)
    3.2 Vermindering of vaststelling van de aanslag Voor de gevolgen van het rechtsherstel aan de in onderdeel 2 beschreven doelgroepen is van belang of al een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld (onderdeel 3.2.1) of nog moet worden vastgesteld (onderdeel 3.2.2). 3.2.1 Reeds vastgestelde aanslagen Als een aanslag inkomstenbelasting voor een kalenderjaar reeds is vastgesteld, dan is van belang of het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen lager of hoger is dan het in de aanslag ingevolge de wet vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen. Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat lager is dan het in de aanslag inkomstenbelasting voor het betreffende kalenderjaar wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen, dan vermindert de inspecteur de aanslag rekening houdend met het verschil tussen het op grond van onderdeel 3.1 berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen en het in de aanslag ingevolge de wet vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen. Hiertoe hoeft de belastingplichtige geen verzoek in te dienen. Een wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen werkt door in het verzamelinkomen en kan daarmee gevolgen hebben voor andere onderdelen uit de aanslag inkomstenbelasting en andere inkomensafhankelijke regelingen. Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het in de aanslag inkomstenbelasting voor het betreffende kalenderjaar wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag niet aangepast. De belastingplichtige ontvangt hierover een besluit. 3.2.2 Aanslagen die nog moeten worden vastgesteld Als een aanslag inkomstenbelasting voor een kalenderjaar nog moet worden vastgesteld, dan is van belang of het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen lager of hoger is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen. Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat lager is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag inkomstenbelasting vastgesteld naar het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen. Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag vastgesteld naar het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen. 4. Rechtsbescherming Als een belastingplichtige het niet eens is met het conform dit besluit geboden rechtsherstel of met het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, geniet hij rechtsbescherming op de wijze waarin de wet voorziet. De bestaande mogelijkheden van rechtsbescherming worden hieronder per in onderdeel 2 beschreven doelgroep toegelicht. Doelgroep 1 Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. Doelgroep 2 Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. 4 Staatscourant 2022 nr. 17063 30 juni 2022 Daarnaast kunnen er belastingplichtigen zijn die bij de inwerkingtreding van dit besluit nog bezwaar kunnen maken of dat reeds hebben gedaan. Doelgroep 3 Een belastingplichtige kan binnen zes weken na dagtekening van de aanslag inkomstenbelasting bezwaar maken bij de inspecteur. Daarnaast kan een belastingplichtige om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting verzoeken. Ambtshalve vermindering Het hierboven genoemde verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Tenzij ik anders beslis, kan jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, geen aanleiding zijn om die aanslag ambtshalve te verminderen. Om die reden zal de inspecteur een verzoek (om rechtsherstel) afwijzen van een belastingplichtige die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en beroep open.

    Antwoord
  32. In verband met de mogelijkheid alsnog kwalificerende buitenlands belastingplichtige te worden voor de belastingjaren 2017 t/m 2021 adviseer ik degenen die het aangaat opnieuw aangifte inkomstenbelasting te doen (kan binnen 5 jaren), uiteraard indien dat (door heffingskortingen of aftrekposten die aan een KBB’er toegekend worden) voldoende financieel voordeel oplevert. Zo nodig in bezwaar en beroep kan beroep gedaan worden op de mei-uitspraak van de Rechtbank Breda die ik hierboven citeerde. Het zal dan over het algemeen gaan over situaties waarbij een vrij groot vermogen grotendeels op de bank is gezet (en dus niet is belegd of anderszins in bezit is geweest). Het Besluit biedt de mogelijkheid te voren uit te rekenen hoe groot het verschil per jaar zal zijn tussen het werkelijke voordeel uit sparen en beleggen (box3 ) en het indertijd geldende forfaitaire voordeel, en dus ook de vraag of bij hanteren werkelijke voordeel aan het 90% inkomenscriterium voor KBB is voldaan.
    Deze procedure zal bij gepensioneerde verdragsgerechtigden eventueel ook van belang zijn voor de ninbi- aangifte, als het WLZ pseudo premieinkomen, als grondslag in de CAK-bijdrage, hersteld moet worden vanwege een resulterend lager inkomen.
    Ik zie niet de mogelijkheid rechtsreeks om ambtshalve vermindering bij het CAK te verzoeken. Immers de Belastingdienst is opgedragen de inkomensgrondslagen voor de CAK-bijdrage aan te leveren aan het CAK, dus deze zo nodig ook te herzien. Het CAK kan dat niet eigenhandig doen.

    Antwoord
  33. Zie deze brief van Staatssecretaris van Rij naar de Tweede Kamer 8 juli 2022
    https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2022Z14815&did=2022D30513
    Geachte voorzitter,
    In mijn brief van 28 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het rechtsherstel inzake box 3 naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (hierna: Kerstarrest). Het rechtsherstel geldt voor belastingplichtigen die vielen onder de massaal bezwaarprocedures voor box 3 (2017-2020) en voor alle belastingplichtigen wiens definitieve aanslag nog niet onherroepelijk vaststond of nog moest worden opgelegd op de datum van het Kerstarrest.

    Zie hier voor een samenvatting:
    https://www.taxence.nl/nieuws/van-rij-stuurt-scenarios-voor-rechtsherstel-box-3-niet-bezwaarmakers/

    Antwoord
  34. ECLI:NL:RBZWB:2023:2777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-04-2023, BRE – 21 _ 4922
    Datum uitspraak:24-04-2023Datum publicatie:10-05-2023Rechtsgebieden:Bestuursrecht; BelastingrechtBijzondere kenmerken:Eerste aanleg – enkelvoudig Vindplaatsen:Rechtspraak.nlInhoudsindicatie:Aanslag IB/PVV 2015.

    Inwoner van België die werkt in Nederland. De inspecteur weigert hypotheekrenteaftrek omdat het (in België te belasten) box 3 inkomen hoog is. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de jurisprudentie van het EU Hof van Justitie dat bij de beoordeling van de vraag of in de woonstaat rekening kan worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige, uitgegaan moet worden van het in de woonstaat te belasten inkomen volgens de regels van die woonstaat. De rechtbank acht daarom artikel 7.8, zevende lid, van de Wet IB 2001 onverbindend. Uitgaande van het in de Belgie te belasten inkomen volgens de regels van Belgie is nagenoeg het gehele gezinsinkomen van belanghebbende in Nederland onderworpen aan IB. Als gevolg daarvan kwalificeren belanghebbende en zijn echtgenote als buitenlandse belastingplichtigen als bedoeld in artikel 7.8, zesde lid en achtste lid, van de Wet IB 2001 en hebben zij recht op toepassing van de eigenwoningregeling

    https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/resultaat?zoekterm=buitenland&inhoudsindicatie=zt0&publicatiestatus=ps1&rechtsgebied=r6,r12&sort=PublicatieDatumDesc

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Met het plaatsen van een reactie accepteert u het privacybeleid.

Blijf op de hoogte

Ontvang een e-mail wanneer er nieuwe berichten online staan.